Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
41

Wie bepaalt de loop der dingen?

411Zwijg en hoor mij aan, eilanden:

Onder de naties zullen nieuwe krachten opkomen.

Laat ze naderbij komen, laat ze spreken.

Ik wil een rechtsgeding met ze aangaan.

2

41:2-3
Jes. 45:1-5
Wie liet in het oosten de overwinning dagen,

wie heeft de bevrijder laten opstaan?

Wie levert volken aan hem uit

en onderwerpt koningen aan hem?41:2 en onderwerpt koningen aan hem – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘hij doet koningen met voeten treden’.

Zijn zwaard maakt hen tot stof,

zijn boog laat hen als kaf verwaaien;

3hij achtervolgt hen en trekt ongehinderd verder,

zijn voeten raken nauwelijks de grond.

4

41:4
Jes. 44:6
Wie heeft dat tot stand gebracht?

Wie roept de generaties vanaf het begin?

Ik, de HEER, ik was de eerste

en ook bij de laatsten zal ik zijn.

5De eilanden zien het met angst en beven,

de einden der aarde komen sidderend naderbij.

6De mensen schieten elkaar te hulp,

de een zegt tegen de ander: ‘Houd moed!’

7

41:7
Jes. 40:19-20
De beeldsnijder spoort de goudsmid aan,

hij die met de hamer plet, prijst hem die op het aambeeld slaat.

Hij bekijkt het soldeersel, zegt: ‘Het is goed,’

en zet het beeld met spijkers vast, zodat het niet omvalt.

8

41:8-13
Jes. 43:1-7
41:8
2 Kron. 20:7
Maar jou, Israël, mijn dienaar,

Jakob, die ik uitgekozen heb,

nakomeling van Abraham, mijn vriend,

9jou die ik heb weggehaald van de einden der aarde,

die ik van haar verste uithoeken terugriep –

jou zeg ik: Jij bent mijn dienaar,

jou heb ik gekozen, ik heb je niet afgewezen.

10Wees niet bang, want ik ben bij je,

vrees niet, want ik ben je God.

Ik zal je sterken, ik zal je helpen,

je steunen met mijn onoverwinnelijke rechterhand.

11

41:11
Jes. 45:24
Allen die zich fel tegen je keerden

zullen gehoond worden en te schande staan.

Zij die jou bestreden

worden minder dan niets en gaan te gronde.

12Zij die jou onderdrukten

zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs.

De vijanden die jou bevochten

zullen verdwijnen in het niets.

13Want ik ben de HEER, je God,

ik neem je bij je rechterhand en zeg je:

Wees niet bang, ik zal je helpen.

14Wees niet bang, kleine Jakob,

arm volk van Israël,

ik zal je helpen – spreekt de HEER –,

de Heilige van Israël is je bevrijder.

15Ik maak van jou een scherpe dorsslede,

een nieuwe slede met dubbele sneden.

Bergen zul je dorsen en vermalen,

van heuvels laat je niets over dan kaf.

16Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op,

de stormwind jaagt ze uiteen.

Dan zul je juichen om de HEER,

je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen.

17Armen en behoeftigen zoeken water – niets!

Hun tong verdroogt van de dorst.

Ik, de HEER, zal hun antwoord geven,

ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.

18

41:18
Ps. 114:8
Jes. 35:6-7
43:20
48:21
Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen

en bronnen in de valleien.

In de woestijn laat ik meren ontstaan,

uit dorre grond borrelt water op.

19Ik plant in de woestijn

ceder en acacia, mirte en olijfwilg,

en ik laat in de wildernis

den, sneeuwbal en cipres opschieten.

20Dan zullen zij zien en beseffen,

begrijpen en erkennen

dat de hand van de HEER dit heeft verricht,

dat de Heilige van Israël dit alles schiep.

21Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER,

lever overtuigende bewijzen, zegt Jakobs koning.

22Kom ermee voor de dag

en vertel ons wat er gebeuren zal.

Vertel ons over wat vroeger is gebeurd,

zodat wij de afloop nu al kennen.

Licht ons in over wat komen gaat,

23geef ons aanwijzingen over de toekomst,

dan weten wij dat jullie goden zijn.

Doe het, hetzij goed, hetzij slecht,

zodat wij het met eigen ogen kunnen zien.

24Maar nee, jullie zijn minder dan niets

en jullie daden hebben geen enkele waarde;

verafschuwd wordt ieder die voor jullie kiest.

25In het noorden liet ik iemand opstaan, en hij kwam,

in het oosten, waar de zon rijst, riep hij mijn naam.

Hij vertrapt stadhouders als leem,

zoals een pottenbakker de klei treedt.

26Wie heeft hem vanaf het begin aangekondigd,

lang tevoren, zodat wij het wisten

en nu kunnen zeggen: ‘Het is waar!’?

Geen van jullie kondigde iets aan,

geen van jullie lichtte ons in,

niemand heeft een woord van jullie vernomen.

27Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’

Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode.

28Ik kijk om me heen, maar er is niemand,

onder jullie zie ik geen enkele raadgever,

niet één die op mijn vragen kan antwoorden.

29Jullie zijn allemaal even armzalig en nietig

en jullie daden betekenen niets;

wind en leegte zijn jullie beelden.

42

421

42:1-7
Jes. 45:1-5
42:1-4
Mat. 12:18-21
42:1
Jes. 11:1-2
Mat. 3:17
17:5
Marc. 1:11
Luc. 3:22
9:35
Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen,

hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde,

ik heb hem met mijn geest vervuld.

Hij zal alle volken het recht doen kennen.

2Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,

hij roept niet luidkeels in het openbaar;

3het geknakte riet breekt hij niet af,

de kwijnende vlam zal hij niet doven.

Het recht zal hij zuiver doen kennen.

4Ongebroken42:4 Ongebroken – Volgens de Septuaginta en de Targoem. MT: ‘En hij zal niet rennen’. en vol vuur

zal hij het recht op aarde vestigen;

de eilanden zien naar zijn onderricht uit.

5

42:5
Hand. 17:24-25
Dit zegt God, de HEER,

die de hemel heeft geschapen en uitgespannen,

die de aarde heeft uitgehamerd

met alles wat zij voortbrengt,

die de mensen op aarde levensadem geeft,

en levensgeest aan allen die daar verkeren:

6

42:6
Jes. 49:6
Luc. 2:32
Hand. 13:47
In gerechtigheid heb ik, de HEER, jou geroepen.

Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden,

ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen

en maak je tot een licht voor alle volken,

7om blinden de ogen te openen,

om gevangenen te bevrijden uit de kerker,

wie in het duister zitten uit de gevangenis.

8

42:8
Jes. 48:11
Ik ben de HEER, dat is mijn naam.

Ik deel mijn majesteit niet met een ander,

noch de lof die mij toekomt met een beeld.

9Wat eertijds werd voorzegd, is nu vervuld

en ik kondig jullie nieuwe dingen aan,

nog voor ze ontkiemen zal ik ze openbaren.

10

42:10
Ps. 96:1
Zing voor de HEER een nieuw lied,

laat zijn lof klinken van de einden der aarde,

jullie die de zee bevaren, en alles wat leeft in zee,

jullie, eilanden, en allen die daarop wonen.

11Laat de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,

de tentenkampen waar de stam Kedar leeft;

laat de rotsbewoners uitbarsten in gejuich,

luidkeels roepen vanaf de toppen van de bergen.

12Laten zij de HEER hulde bewijzen

en zijn lof verkondigen op de eilanden.

13De HEER zal optrekken als een krijgsheld,

als een aanvoerder wakkert hij de strijdlust aan.

Hij blaast alarm, hij slaakt een strijdkreet.

Heldhaftig verslaat hij zijn vijanden.

Een weg door de woestijn

14Al zo lang heb ik niets gezegd,

ik heb gezwegen, me beheerst.

Nu schreeuw ik het uit als een barende vrouw,

ik zucht en ik zwoeg tegelijk.

15

42:15
Ps. 107:33
Jes. 50:2
Bergen en heuvels laat ik uitdrogen

en alles wat er groeit verdorren,

in rivieren laat ik eilanden ontstaan,

meren vallen droog.

16Blinden laat ik gaan over onbekende wegen,

op paden die ze niet kennen voer ik hen.

Duisternis verander ik in licht,

ruig land maak ik vlak.

Ja, deze dingen zal ik doen,

niets daarvan zal ik nalaten.

17Wie op afgodsbeelden vertrouwt,

tegen een godenbeeld zegt: ‘U bent onze god,’

zal terugdeinzen en zich diep schamen.

18Doven, luister! Blinden, open je ogen en zie!

19

42:19-23
Jes. 6:9-10
Is er iemand zo blind als mijn dienaar,

zo doof als de bode die ik zend?

Is er iemand zo blind als dit gestrafte volk,

blind als de dienaar van de HEER?

20Het ziet veel, maar onthoudt niets,

het heeft zijn oren open, maar hoort niets.

21Eens schepte de HEER er behagen in

om de kracht van zijn onderricht te tonen

omwille van zijn rechtvaardigheid.

22Maar nu is het volk beroofd en geplunderd,

zijn jonge strijders zijn geketend

en in de gevangenis gegooid.

Een prooi zijn zij geworden, en niemand die hen redt;

ze zijn buitgemaakt, en niemand die zegt: ‘Geef terug!’

23Is er iemand onder jullie die dit hoort,

die aandachtig luistert en begrijpt wat er nu volgt?

24Wie heeft Jakob tot buit gemaakt,

Israël uitgeleverd aan plunderaars?

Is het niet de HEER,

hij tegen wie wij hebben gezondigd?

Zij wilden niet de weg gaan die hij wees,

niet luisteren naar zijn onderricht.

25Hij stortte zijn brandende toorn over hen uit

in allesverterend krijgsgeweld.

Ze waren omringd door vlammen,

maar zagen niet in waarom,

ze stonden in brand, maar trokken er geen lering uit.

43

431

43:1-7
Jes. 41:8-13
43:1
Jes. 44:2
Welnu, dit zegt de HEER,

die jou schiep, Jakob, die jou vormde, Israël:

Wees niet bang, want ik zal je vrijkopen,

ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!

2Moet je door het water gaan – ik ben bij je;

of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.

Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,

de vlammen zullen je niet verschroeien.

3Want ik, de HEER, ben je God,

de Heilige van Israël, je redder.

Voor jou geef ik Egypte als losgeld,

Nubië en Seba ruil ik in tegen jou.

4Jij bent zo kostbaar in mijn ogen,

zo waardevol, en ik houd zo veel van je

dat ik de mensheid geef in ruil voor jou,

ja alle volken om jou te behouden.

5Wees niet bang, want ik ben bij je.

Ik haal je nakomelingen uit het oosten terug,

uit het westen breng ik jullie bijeen.

6Tegen het noorden zeg ik: Geef hier!

Het zuiden gebied ik: Laat los!

Breng mijn zonen terug van verre,

mijn dochters van de einden der aarde,

7allen over wie mijn naam is uitgeroepen,

en die ik omwille van mijn majesteit

geschapen heb, gemaakt en gevormd.

8

43:8
Jes. 42:18-20
Laat dit volk naar voren treden,

een blind volk, ook al heeft het ogen,

doof, ook al heeft het oren.

9Alle volken zullen zich verzamelen,

alle naties komen bijeen.

Wie van hun goden heeft aangekondigd

wat eertijds nog te gebeuren stond?

Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen,

opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’

10Mijn getuige zijn jullie – spreekt de HEER –,

mijn dienaar, die ik uitgekozen heb

opdat jullie mij zouden kennen en vertrouwen,

en zouden inzien dat ik het ben.

Vóór mij is er geen god gevormd,

en na mij zal er geen zijn.

11

43:11
Deut. 32:39
Jes. 44:6-8
45:5-6,21
Hos. 13:4
Hand. 4:12
Ik, ík ben de HEER!

Buiten mij is er niemand die redt.

12Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht,

jullie hoorden het van mij, niet van een vreemde.

Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –,

dat ik werkelijk God ben

13en dat ik blijf wat ik ben.

Niemand kan zich aan mijn macht onttrekken.

Wat mijn hand doet, wie maakt het ongedaan?

14

43:14
Jes. 45:1-5
Dit zegt de HEER, jullie bevrijder,

de Heilige van Israël:

Omwille van jullie zend ik iemand naar Babel;

ik maak alle Chaldeeën tot vluchteling

en jaag hen jammerend hun schepen op.

15Ik ben de HEER, jullie Heilige,

de schepper van Israël, jullie koning.

16

43:16-17
Ex. 14:21-29
Dit zegt de HEER,

die een weg baande door de zee

en een pad door machtige wateren,

17die paarden en wagens liet uitrukken,

een heel leger van geweldenaars –

daar lagen ze, en ze stonden niet meer op,

ze zijn vergaan, als een kwijnende vlam gedoofd.

18Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,

laat het verleden nu rusten.

19Zie, ik ga iets nieuws verrichten,

nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?

Ik baan een weg door de woestijn,

maak rivieren in de wildernis.

20

43:20
Ex. 17:1-7
Jes. 35:6-7
De wilde dieren zullen mij eer bewijzen,

de jakhalzen en de struisvogels,

omdat ik water schep in de woestijn

en rivieren in de wildernis;

het volk dat ik heb uitgekozen, laat ik drinken.

21Dit is het volk dat ik mij gevormd heb,

het zal mijn lof verkondigen.

Terugkeer naar God

22Maar jij hebt niet tot mij geroepen, Jakob,

jij gaf je geen moeite voor mij, Israël.

23Je hebt niet aan mij je schapen geofferd,

mij met je offers geen eer bewezen.

Ik heb je niet met graanoffers belast

en je niet vermoeid met de plicht

om wierook voor mij te branden.

24Je hebt van je zilver geen kalmoes voor mij gekocht,

mij niet verzadigd met het vet van je offers.

Nee, je hebt mij met je zonden belast,

mij vermoeid met al je schulden.

25Ik, ík ben het, die omwille van zichzelf

je misdaden tenietdoet en je zonden vergeet.

26Breng mij mijn tekortkomingen in herinnering,

laten we samen tot een uitspraak komen,

en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten.

27

43:27
Gen. 27:36
Jer. 9:3
Hos. 12:4
Je eerste voorvader heeft al gezondigd

en je woordvoerders zijn steeds tegen mij opgestaan.

28Daarom heb ik de dienaren van het heiligdom ontwijd,

Jakob aan de vernietiging prijsgegeven

en Israël aan spot en hoon.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]