Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
39

391

39:1-8
2 Kon. 20:12-19
2 Kron. 32:27-31
In die tijd stuurde koning Merodach-Baladan van Babylonië, de zoon van Baladan, die had vernomen dat Hizkia ziek was geweest en weer hersteld was, gezanten met brieven en een geschenk naar hem toe. 2Hizkia ontving hen hartelijk en liet hun zijn schatkamers zien: het zilver, het goud, het reukwerk, de kostbare oliën, en ook zijn hele arsenaal en alles wat zich in zijn magazijnen bevond. Er was niets in zijn paleis of in zijn rijk dat Hizkia hun niet liet zien. 3Kort daarop ging de profeet Jesaja naar koning Hizkia toe en vroeg hem: ‘Wat hebben deze mannen tegen u gezegd? Waar kwamen ze vandaan?’ ‘Uit een ver land,’ antwoordde Hizkia, ‘uit Babylonië.’ 4‘Wat hebben ze in uw paleis te zien gekregen?’ vroeg Jesaja, en Hizkia antwoordde: ‘Ze hebben alles gezien wat zich in mijn paleis bevindt. Er is niets in mijn magazijnen dat ik hun niet heb laten zien.’ 5Hierop zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Luister naar wat de HEER van de hemelse machten te zeggen heeft. 6Het duurt niet lang meer, of alles wat zich in uw paleis bevindt, alles wat uw voorouders tot nu toe hebben vergaard, zal naar Babel worden weggesleept. Er blijft niets van over – zegt de HEER. 7
39:7
2 Kon. 24:10-16
2 Kron. 36:10
Dan. 1:1-7
Ook een aantal van uw zonen, het nageslacht dat u hebt verwekt, zal worden weggevoerd om dienst te doen in het paleis van de koning van Babylonië.’ 8Hizkia antwoordde: ‘Het is goed, wat u namens de HEER tegen mij hebt gezegd.’ Want hij dacht bij zichzelf: Dat betekent dat er zolang ik leef, rust en vrede zal heersen.

40

Troost voor Jeruzalem

401

40:1-8
Jes. 52:7-12
Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

2Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

3

40:3-5
Luc. 3:4-6
40:3
Mal. 3:1
Mat. 3:3
Marc. 1:3
Joh. 1:23
Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

4

40:4
Bar. 5:7
Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

5

40:5
Jes. 35:2
De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!’

6

40:6-8
Ps. 37:2
90:5
Jak. 1:10-11
1 Petr. 1:24-25
40:6
Job 14:2
Jes. 51:12
Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

7

40:7-8
Ps. 103:15
Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.’

8

40:8
Ps. 119:89
Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.

9Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’

10

40:10
Jes. 62:11
Op. 22:12
Ziehier God, de HEER!

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

11

40:11
Ps. 23:1
Ezech. 34:11-15
Joh. 10:11-16
Als een herder weidt hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

God is onvergelijkbaar

12

40:12
Job 38:4-5
Spr. 30:4
Wijsh. 11:20
Wie heeft de wateren met holle hand omvat,

de hemel gemeten met een ellenmaat?

Wie heeft het stof van de aarde met een maatlepel afgepast?

Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal,

de heuvels met balans en gewichten?

13

40:13-14
Job 21:22
36:22-23
40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Wie heeft de geest van de HEER gemeten?

Heeft iemand hem ooit raad gegeven?

14Wie raadpleegt hij, wie biedt hem inzicht?

Wie leidt hem op de paden van het recht?

Wie leidt hem naar de wijsheid?

Wie toont hem de weg van het inzicht?

15

40:15
Wijsh. 11:22
In zijn ogen zijn de volken

als een druppel in een emmer,

als een stofje op een weegschaal;

de eilanden weegt hij als zandkorrels.

16Zelfs de Libanon levert te weinig hout,

te weinig wild voor een brandoffer.

17

40:17
Ps. 62:10
Dan. 4:32
De volken betekenen niets in zijn ogen,

voor hem zijn ze minder dan niets.

18

40:18
Jes. 46:5
Met wie wil je God vergelijken,

hoe is hij uit te beelden?

19

40:19-20
Ps. 115:4-8
Jes. 41:6-7
Jer. 10:3-5
51:17-18
Wijsh. 13:11-19
Br.Jer. 7
40:19
Hand. 17:29
Met een godenbeeld misschien?

Dat is door een ambachtsman gemaakt,

door een edelsmid overtrokken

met goud en zilverbeslag.

20Met een beeld, opgericht op een bergtop?

Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt,

met zorg gekozen door een vakman,

die een godenbeeld wil maken dat niet omvalt.

21Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Is het je niet van meet af aan verteld?

Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld?

22

40:22
Ps. 104:2
Jes. 44:24
Hij troont boven de schijf van de aarde

– haar bewoners zijn als sprinkhanen –,

hij spreidt de hemel uit als een doek,

spant hem uit als een tent om in te wonen.

23

40:23
Job 34:18-19
Ps. 2:2-5
Hij maakt vorsten nietig,

de leiders van de aarde onbeduidend:

24

40:24
Jes. 17:13-14
nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid,

nauwelijks hebben ze wortel geschoten,

of hij blaast over hen, en ze verdorren

en de stormwind neemt hen op als kaf.

25

40:25
Jes. 45:5
Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige,

aan wie ben ik gelijk te stellen?

26

40:26
Ps. 147:4
Bar. 3:34-35
Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?

Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,

hij roept ze bij hun naam, een voor een;

door zijn kracht en onmetelijke grootheid

ontbreekt er niet één.

27

40:27
Jes. 49:14-16
Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:

‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,

mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?

28Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Een eeuwige God is de HEER,

schepper van de einden der aarde.

Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,

zijn wijsheid is niet te doorgronden.

29Hij geeft de vermoeide kracht,

de machteloze geeft hij macht in overvloed.

30Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,

zelfs sterke helden struikelen,

31

40:31
Ps. 103:5
maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:

hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,

hij loopt, maar wordt niet moe,

hij rent, maar raakt niet uitgeput.

41

Wie bepaalt de loop der dingen?

411Zwijg en hoor mij aan, eilanden:

Onder de naties zullen nieuwe krachten opkomen.

Laat ze naderbij komen, laat ze spreken.

Ik wil een rechtsgeding met ze aangaan.

2

41:2-3
Jes. 45:1-5
Wie liet in het oosten de overwinning dagen,

wie heeft de bevrijder laten opstaan?

Wie levert volken aan hem uit

en onderwerpt koningen aan hem?41:2 en onderwerpt koningen aan hem – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘hij doet koningen met voeten treden’.

Zijn zwaard maakt hen tot stof,

zijn boog laat hen als kaf verwaaien;

3hij achtervolgt hen en trekt ongehinderd verder,

zijn voeten raken nauwelijks de grond.

4

41:4
Jes. 44:6
Wie heeft dat tot stand gebracht?

Wie roept de generaties vanaf het begin?

Ik, de HEER, ik was de eerste

en ook bij de laatsten zal ik zijn.

5De eilanden zien het met angst en beven,

de einden der aarde komen sidderend naderbij.

6De mensen schieten elkaar te hulp,

de een zegt tegen de ander: ‘Houd moed!’

7

41:7
Jes. 40:19-20
De beeldsnijder spoort de goudsmid aan,

hij die met de hamer plet, prijst hem die op het aambeeld slaat.

Hij bekijkt het soldeersel, zegt: ‘Het is goed,’

en zet het beeld met spijkers vast, zodat het niet omvalt.

8

41:8-13
Jes. 43:1-7
41:8
2 Kron. 20:7
Maar jou, Israël, mijn dienaar,

Jakob, die ik uitgekozen heb,

nakomeling van Abraham, mijn vriend,

9jou die ik heb weggehaald van de einden der aarde,

die ik van haar verste uithoeken terugriep –

jou zeg ik: Jij bent mijn dienaar,

jou heb ik gekozen, ik heb je niet afgewezen.

10Wees niet bang, want ik ben bij je,

vrees niet, want ik ben je God.

Ik zal je sterken, ik zal je helpen,

je steunen met mijn onoverwinnelijke rechterhand.

11

41:11
Jes. 45:24
Allen die zich fel tegen je keerden

zullen gehoond worden en te schande staan.

Zij die jou bestreden

worden minder dan niets en gaan te gronde.

12Zij die jou onderdrukten

zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs.

De vijanden die jou bevochten

zullen verdwijnen in het niets.

13Want ik ben de HEER, je God,

ik neem je bij je rechterhand en zeg je:

Wees niet bang, ik zal je helpen.

14Wees niet bang, kleine Jakob,

arm volk van Israël,

ik zal je helpen – spreekt de HEER –,

de Heilige van Israël is je bevrijder.

15Ik maak van jou een scherpe dorsslede,

een nieuwe slede met dubbele sneden.

Bergen zul je dorsen en vermalen,

van heuvels laat je niets over dan kaf.

16Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op,

de stormwind jaagt ze uiteen.

Dan zul je juichen om de HEER,

je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen.

17Armen en behoeftigen zoeken water – niets!

Hun tong verdroogt van de dorst.

Ik, de HEER, zal hun antwoord geven,

ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.

18

41:18
Ps. 114:8
Jes. 35:6-7
43:20
48:21
Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen

en bronnen in de valleien.

In de woestijn laat ik meren ontstaan,

uit dorre grond borrelt water op.

19Ik plant in de woestijn

ceder en acacia, mirte en olijfwilg,

en ik laat in de wildernis

den, sneeuwbal en cipres opschieten.

20Dan zullen zij zien en beseffen,

begrijpen en erkennen

dat de hand van de HEER dit heeft verricht,

dat de Heilige van Israël dit alles schiep.

21Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER,

lever overtuigende bewijzen, zegt Jakobs koning.

22Kom ermee voor de dag

en vertel ons wat er gebeuren zal.

Vertel ons over wat vroeger is gebeurd,

zodat wij de afloop nu al kennen.

Licht ons in over wat komen gaat,

23geef ons aanwijzingen over de toekomst,

dan weten wij dat jullie goden zijn.

Doe het, hetzij goed, hetzij slecht,

zodat wij het met eigen ogen kunnen zien.

24Maar nee, jullie zijn minder dan niets

en jullie daden hebben geen enkele waarde;

verafschuwd wordt ieder die voor jullie kiest.

25In het noorden liet ik iemand opstaan, en hij kwam,

in het oosten, waar de zon rijst, riep hij mijn naam.

Hij vertrapt stadhouders als leem,

zoals een pottenbakker de klei treedt.

26Wie heeft hem vanaf het begin aangekondigd,

lang tevoren, zodat wij het wisten

en nu kunnen zeggen: ‘Het is waar!’?

Geen van jullie kondigde iets aan,

geen van jullie lichtte ons in,

niemand heeft een woord van jullie vernomen.

27Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’

Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode.

28Ik kijk om me heen, maar er is niemand,

onder jullie zie ik geen enkele raadgever,

niet één die op mijn vragen kan antwoorden.

29Jullie zijn allemaal even armzalig en nietig

en jullie daden betekenen niets;

wind en leegte zijn jullie beelden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]