Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Chaos in Jeruzalem en Juda

31Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten,

ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun:

alle steun van brood en water,

2van krijgsheld en soldaat,

rechter en profeet, waarzegger en oudste,

3bevelhebber, man van aanzien en raadsheer,

tovenaar en bezweerder.

4

3:4
Pred. 10:16
Hij stelt kinderen als koning aan,

willekeur zal er regeren.

5De mensen zullen elkaar verdringen,

man tegen man, de een tegen de ander;

een kind staat op tegen zijn ouders,

een nietsnut tegen een man van eer.

6Een man grijpt in het ouderlijk huis

zijn broer bij de arm en roept hem toe:

‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider

en ontferm je over deze chaos.’

7Maar dan zal die zich verweren:

‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel.

Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel.

Stel mij niet aan als leider van het volk.’

8Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen.

Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad,

ze tarten hem openlijk in al zijn luister.

9

3:9
Gen. 18:20-21
Hun partijdigheid keert zich tegen hen,

schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom.

Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad.

10Gelukkig de rechtvaardige,3:10 Gelukkig de rechtvaardige – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zeg van de rechtvaardige’. het gaat hem goed,

hij zal de vruchten plukken van zijn daden.

11

3:11
Pred. 8:12-13
Wee de goddeloze, hem gaat het slecht,

al wat hij doet wordt hem vergolden.

12Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit,

woekeraars3:12 woekeraars – Volgens de Septuaginta. MT: ‘vrouwen’. heersen erover.

Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders,

zij brengen jullie op een dwaalspoor.

13

3:13-15
Hos. 4:1-2
Micha 6:1-5
De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor,

hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen.

14

3:14
Jes. 5:1-7
27:2-4
Zo luidt de aanklacht van de HEER

tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk:

Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken

en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam.

15Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen

en de armen zo zwaar te mishandelen?

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

Sions vrouwen te schande gezet

16

3:16-24
Amos 4:1-3
De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. 17Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten. 18Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, 19hun oorringen, armbanden en sluiers, 20hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, 21de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, 22hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, 23hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals. 24
3:24
Amos 8:10
Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid.

25Sions mannen zullen vallen door het zwaard,

haar soldaten sneuvelen in de strijd.

26Rouw en droefenis heersen in haar poorten.

Berooid hurkt Sion neer op de grond.

4

41Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man:

‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen

en in onze eigen kleding voorzien.

Laat ons slechts uw naam dragen,

neem de schande van ons weg.’

De HEER vernieuwt Jeruzalem

2Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. 3

4:3
Sef. 3:13
Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5
4:5-6
Jes. 25:4-5
4:5
Ex. 13:21
dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, 6als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen.

5

Het lied van de wijngaard

51

5:1-7
Jer. 5:10
6:9
Ezech. 15:1-8
5:1
Mat. 21:33-41
Marc. 12:1-9
Luc. 20:9-16
Voor mijn geliefde wil ik zingen

het lied van mijn lief en zijn wijngaard.

Mijn geliefde had een wijngaard,

gelegen op vruchtbare grond.

2Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit

en plantte een edele druivensoort.

Hij bouwde er een wachttoren,

hakte ook een perskuip uit.

Hij verwachtte veel van zijn wijngaard,

maar die bracht slechts wrange druiven voort.

3Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem,

spreek recht tussen mij en mijn wijngaard.

4Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen,

wat heb ik te weinig gedaan?

Ik verwachtte zo veel van mijn wijngaard,

waarom bracht hij slechts wrange druiven voort?

5

5:5
Ps. 80:13
Luister, ik zal jullie vertellen

wat ik met mijn wijngaard ga doen:

Ik ruk de doornhaag uit en breek de muur af,

zodat hij verbrand en vertrapt kan worden.

6

5:6
Jes. 32:13
Ik zal hem laten verwilderen,

er wordt niet meer gesnoeid, niet meer gewied,

dorens en distels schieten er op.

De wolken zal ik opdragen

geen regen op hem te laten vallen.

7Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten,

de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda.

Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht,

hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.

Zesvoudig wee over de onrechtvaardigen

8

5:8
Lev. 22:8
Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen,

die akker na akker samenvoegen,

tot er voor niemand meer ruimte is

en zij alleen het land bewonen.

9Ik hoor de HEER van de hemelse machten zweren:

‘Al die huizen zullen tot puin vervallen,

zelfs de grootste en mooiste worden niet meer bewoond.

10

5:10
Jes. 7:23
Een uitgestrekte wijngaard levert amper wijn op,

een berg zaaigoed maar één zak graan.’

11

5:11
Jes. 22:13
28:7-8
56:12
Joël 1:5
Amos 4:1
Micha 2:11
Wee degenen die ’s ochtends in alle vroegte

naarstig op zoek gaan naar drank,

die zich tot diep in de nacht door wijn laten benevelen.

12

5:12
Ps. 28:5
Bij al hun drinkgelagen klinkt muziek

van lier en tamboerijn, van trommel en fluit.

Maar voor de daden van de HEER hebben zij geen oog,

wat hij tot stand brengt zien ze niet.

13Daarom gaat mijn volk in ballingschap,

zonder in te zien waarom.

Hun edelen komen om van de honger,

de massa versmacht van dorst.

14Het dodenrijk opent zijn keel,

het spert zijn muil wijd open.

Daar verdwijnt de bloem der natie, verzinkt de massa,

daar verstommen de druktemakers en feestvierders.

15

5:15
Jes. 2:11
Zij worden vernederd, ze moeten buigen,

wie trots was, zal de ogen neerslaan.

16De HEER van de hemelse machten houdt het recht hoog,

de heilige God toont zich heilig in zijn gerechtigheid.

17

5:17
Jes. 7:25
De schapen zullen grazen als op hun eigen grond,

rondzwerven tussen de puinhopen van de rijken.

18Wee degenen die de straf naar zich toe halen

met de touwen van onrecht,

en de zonde met de dissel van een wagen;

19die smalen: ‘Laat de HEER opschieten

en zijn werk afmaken. Wij willen het nu wel eens zien.

Laat de Heilige van Israël komen met zijn plan

en het uitvoeren, zodat we het eindelijk weten.’

20Wee degenen die het kwade goed noemen

en het goede kwaad,

die het licht tot duisternis maken

en het duister tot licht,

die van zoet bitter maken

en van bitter zoet.

21

5:21
Joh. 9:40-41
Rom. 1:21-22
Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen,

die naar eigen oordeel verstandig zijn.

22Wee degenen die helden zijn in het drinken,

die dapper zijn als er wijn wordt geschonken,

23

5:23
Ex. 23:8
Micha 3:11
die voor een geschenk de schuldige gelijk geven

en de rechtvaardige beroven van zijn recht.

24Daarom, zoals kaf door vuur wordt verteerd

en dor gras in vlammen opgaat,

zo zal hun wortel verrotten en hun bloesem verwaaien.

Zij verwierpen het onderricht

van de HEER van de hemelse machten,

en verachtten de woorden van de Heilige van Israël.

Juda bedreigd door de vijand

25

5:25
Jes. 9:11,16
10:4
Daarom ontsteekt de HEER in woede tegen zijn volk,

hij heft zijn hand tegen hen op en slaat hen.

De bergen beginnen te beven,

de lijken liggen als vuil op straat.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

26

5:26
Jer. 5:15-17
6:22-30
Hij steekt de strijdvaan op voor verre volken,

hij fluit ze bijeen van de uiteinden der aarde,

en daar komen ze, in allerijl.

27Niemand die moe is, niemand die struikelt,

geen man die dommelt of slaapt.

Geen gordel zakt van de heupen,

niet één sandaalriem breekt.

28De pijlen zijn gescherpt, de bogen gespannen.

De paardenhoeven vonken als vuursteen,

de wagenwielen draaien als een wervelwind.

29

5:29
Hos. 5:14
Amos 3:12
Hun krijgsgeschreeuw klinkt als het gebrul van een leeuwin,

ze grommen als een jonge leeuw die zijn prooi grijpt en meesleurt,

en niemand die redding kan bieden.

30

5:30
Jes. 8:21-22
Op die dag zal men dat grommen horen,

het zal klinken als een bulderende zee.

Waar men ook kijkt: vijandige duisternis,

de zon is door wolken in duister gehuld.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]