Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
37

371

37:1-38
2 Kon. 19:1-37
Zodra koning Hizkia de boodschap hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan en begaf zich naar de tempel van de HEER. 2Hofmeester Eljakim, hofschrijver Sebna en de oudsten van de priesters stuurde hij gehuld in boetekleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 3Ze zeiden hem: ‘Dit zegt Hizkia: “Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt. 4
37:4
Jes. 4:3
Maar misschien slaat de HEER, uw God, acht op wat de rabsake gezegd heeft, die door zijn heer, de koning van Assyrië, hierheen is gestuurd om de levende God te honen, en misschien zal hij die belediging vergelden. Bid daarom voor degenen van ons volk die er nog over zijn.”’ 5Zo kwamen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja, 6en Jesaja antwoordde hun: ‘Zeg tegen uw koning: “Dit zegt de HEER: Laat je niet ontmoedigen door de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië mij hebben bespot. 7Ik zal hem een geest sturen en hem een gerucht laten influisteren waardoor hij naar zijn eigen land terugkeert, en daar zal ik hem een gewelddadige dood laten sterven.”’

8Inmiddels had de rabsake zich weer bij zijn koning gevoegd, die, zoals hij had vernomen, zijn kamp bij Lachis had opgebroken en nu de aanval had geopend op Libna. 9Maar Sanherib ving het gerucht op dat koning Tirhaka van Nubië was uitgetrokken om de strijd met hem aan te binden en zond, toen hij dat hoorde, gezanten naar Hizkia, met de opdracht: 10‘Zeg tegen koning Hizkia van Juda: “Laat u niet misleiden door de HEER, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. 11U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen die ze binnenvielen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? 12Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? 13En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?”’

14

37:14-20
2 Kron. 32:20
Toen Hizkia de brief had gelezen die de boden hem overhandigd hadden, ging hij naar de tempel van de HEER en legde de brief daar open voor hem neer. 15En hij bad tot de HEER: 16
37:16
Ex. 25:22
HEER van de hemelse machten, God van Israël, u die op de cherubs troont, u alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, u hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17Leen mij uw oor, HEER, en luister, open uw ogen en zie toe. Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. 18Het is waar, HEER, de koningen van Assyrië hebben alle landen verwoest 19en hun goden aan het vuur prijsgegeven. Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben. 20Ik vraag u, HEER, onze God: red ons uit zijn handen, opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat u, HEER, de enige bent.’

21Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Wat je gebed over koning Sanherib van Assyrië aangaat, 22dit is wat ik, de HEER, over hem zeg:

Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit,

meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd.

23Weet wie je hebt beledigd en bespot,

wie je hebt uitgejouwd, uitdagend aangekeken:

het was de Heilige van Israël!

24Bij monde van je knechten heb je de Heer gehoond. Je zei:

“Mijn vele strijdwagens brachten mij tot op de hoogste bergen,

tot in de verste hoeken van de Libanon.

Zijn hoogste ceders velde ik, zijn machtigste cipressen.

Ik drong door tot zijn hoogste toppen, tot in zijn diepste woud.

25Ik heb gegraven en water gedronken,

de stromen van Egypte met mijn voeten drooggelegd.”

26Heb je dan niet gehoord dat ik dit heb beschikt?

In lang vervlogen tijden nam ik het me voor,

nu is de tijd gekomen dat ik het volbreng.

Onneembare steden worden in puin gelegd,

27hun inwoners staan machteloos en gloeien van schaamte.

Ze zijn als jonge scheuten op de akker, pril groen in de woestijn,

tere sprietjes op het dak: verschroeid37:27 verschroeid – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘een terras’. nog voor ze opgekomen zijn.

28Maar ik ken je, ik ben op de hoogte van je doen en laten,

ik weet heel goed hoe je tekeergaat tegen mij;

29ik zie je zelfgenoegzaamheid,

je razernij is tot mijn oren doorgedrongen.

Ik sla mijn haak door je neus en leg mijn bit in je mond

en voer je op je schreden terug.

30Jou, Hizkia, kondig ik het volgende aan: Dit jaar zul je eten wat er na de oogst toevallig nog opkomt, en volgend jaar onkruid, maar het jaar daarna kun je zaaien en oogsten, wijngaarden planten en van de opbrengst eten. 31De Judeeërs die ontkomen en het overleven, zullen wortel schieten en vrucht dragen, 32want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De HEER van de hemelse machten zal zich daarvoor beijveren. 33Daarom – dit zegt de HEER over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet te na komen. Hij zal er geen pijl op afschieten, geen schild tegen opheffen en geen wal tegen opwerpen. 34Hij zal op zijn schreden terugkeren en deze stad niet te na komen – spreekt de HEER. 35Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal ik deze stad beschermen en haar bevrijden.’

36

37:36-38
2 Kron. 32:21
Toen trok een engel van de HEER ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man. De volgende ochtend zag men niets dan lijken liggen. 37Koning Sanherib van Assyrië brak het beleg op en keerde voorgoed terug naar zijn woonplaats Nineve. 38Daar werd hij, terwijl hij neerknielde in de tempel van zijn god Nisroch, vermoord door zijn zonen Adrammelech en Sareser, die vervolgens naar Ararat wisten te ontkomen. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem op.

38

Hizkia’s ziekte en genezing

381

38:1-8
2 Kon. 20:1-11
2 Kron. 32:24-26
Omstreeks dezelfde tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: ‘Dit zegt de HEER: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’ 2Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEER: 3HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.’ Daarbij stortte hij bittere tranen. 4Toen richtte de HEER zich opnieuw tot Jesaja: 5‘Ga naar Hizkia toe en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van je voorvader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Welnu, ik geef je nog vijftien jaar te leven, 6en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië. Ik zal deze stad beschermen.”’ 7Jesaja zei: ‘De HEER geeft u het volgende teken dat hij zijn belofte zal nakomen: 8ik laat de schaduw op de zonnewijzer van Achaz tien graden achteruitgaan in plaats van vooruit.’ En de schaduw ging tien graden achteruit.

9Een stil gebed38:9 Een stil gebed – Voorgestelde lezing. MT: ‘Een brief’. van koning Hizkia van Juda, toen hij ziek was en van zijn ziekte herstelde.

10Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan,

de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk.

11

38:11
Ps. 27:13
Ik dacht: Ik zal de HEER niet meer zien

in het land der levenden,

of ooit nog een mens aanschouwen

daar waar alles zijn einde vindt.

12Mijn woonplaats werd ontruimd en lag open,

zoals de tent van een herder;

ik rolde mijn leven op zoals een wever het tentdoek,

hij heeft mijn draad afgesneden.

Dag en nacht staat u mij naar het leven,

13

38:13
Job 10:16
weerloos lig ik tot het ochtendgloren,

als een leeuw breekt u al mijn botten.

Dag en nacht staat u mij naar het leven,

14

38:14
Ps. 69:4
ik piep als een gierzwaluw,38:14 als een gierzwaluw – Voorgestelde lezing. MT: ‘als een paard’.

ik klaag en kreun als een duif.

Met geloken ogen roep ik naar omhoog:

‘Ach Heer, sta in mijn nood voor mij in.’

15Wat zal ik nog zeggen?

Wat hij mij beloofd heeft, doet hij ook.

Ik zou mijn levensweg hebben vervolgd,

gebukt onder mijn bittere lot.

16

38:16
Ps. 103:3-4
Maar mijn Heer zei: ‘Tijd om te leven!’

Al die tijd zal mijn geest in leven blijven.

U geeft mij nieuwe kracht, u doet mij herleven.

17Zo heeft mijn bittere lot mij vrede gebracht.

U hebt mij behoed voor het zinloze graf,38:17 U hebt mij behoed voor het zinloze graf – Volgens de Vulgata. MT: ‘U hebt mij lief boven het zinloze graf’.

u hebt mijn zonden weggedaan.

18

38:18
Ps. 6:6
88:1-13
Sir. 17:27
Nee, het dodenrijk zal u niet loven,

de dood prijst u niet,

zij die in het graf zijn afgedaald

verlaten zich niet op uw trouw.

19Maar hij die leeft – leeft! – zal u loven,

zoals ik doe op deze dag.

Ouders laten hun kinderen weten

hoe trouw u bent.

20De HEER is mij te hulp gekomen.

Laten wij op de snaren spelen

in de tempel van de HEER,

alle dagen van ons leven.

21Jesaja beval de dienaren van de koning een plak gedroogde vijgen te nemen en de ontstoken plek ermee in te wrijven, waarop Hizkia nieuwe krachten kreeg. 22Hij vroeg: ‘Krijg ik van de HEER ook een teken dat ik weer naar de tempel zal kunnen gaan?’
39

391

39:1-8
2 Kon. 20:12-19
2 Kron. 32:27-31
In die tijd stuurde koning Merodach-Baladan van Babylonië, de zoon van Baladan, die had vernomen dat Hizkia ziek was geweest en weer hersteld was, gezanten met brieven en een geschenk naar hem toe. 2Hizkia ontving hen hartelijk en liet hun zijn schatkamers zien: het zilver, het goud, het reukwerk, de kostbare oliën, en ook zijn hele arsenaal en alles wat zich in zijn magazijnen bevond. Er was niets in zijn paleis of in zijn rijk dat Hizkia hun niet liet zien. 3Kort daarop ging de profeet Jesaja naar koning Hizkia toe en vroeg hem: ‘Wat hebben deze mannen tegen u gezegd? Waar kwamen ze vandaan?’ ‘Uit een ver land,’ antwoordde Hizkia, ‘uit Babylonië.’ 4‘Wat hebben ze in uw paleis te zien gekregen?’ vroeg Jesaja, en Hizkia antwoordde: ‘Ze hebben alles gezien wat zich in mijn paleis bevindt. Er is niets in mijn magazijnen dat ik hun niet heb laten zien.’ 5Hierop zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Luister naar wat de HEER van de hemelse machten te zeggen heeft. 6Het duurt niet lang meer, of alles wat zich in uw paleis bevindt, alles wat uw voorouders tot nu toe hebben vergaard, zal naar Babel worden weggesleept. Er blijft niets van over – zegt de HEER. 7
39:7
2 Kon. 24:10-16
2 Kron. 36:10
Dan. 1:1-7
Ook een aantal van uw zonen, het nageslacht dat u hebt verwekt, zal worden weggevoerd om dienst te doen in het paleis van de koning van Babylonië.’ 8Hizkia antwoordde: ‘Het is goed, wat u namens de HEER tegen mij hebt gezegd.’ Want hij dacht bij zichzelf: Dat betekent dat er zolang ik leef, rust en vrede zal heersen.