Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

De dag van de HEER

21

2:1-4
Micha 4:1-3
Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem.

2

2:2-3
Zach. 8:20-22
Eens zal de dag komen dat de berg

met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,

verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.

Alle volken zullen daar samenstromen,

3

2:3
Luc. 24:47-48
machtige naties zullen zeggen:

‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,

naar de tempel van Jakobs God.

Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,

en wij zullen zijn paden bewandelen.’

Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,

vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

4

2:4
Hos. 2:20
Joël 4:10
Zach. 9:9-10
Hij zal rechtspreken tussen de volken,

over machtige naties een oordeel vellen.

Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,

geen mens zal meer weten wat oorlog is.

5Nakomelingen van Jakob, kom mee,

laten wij leven in het licht van de HEER.

6U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten.

Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten,

net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij,

ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt.

7

2:7
Deut. 17:16-17
Ze vulden hun land met zilver en goud,

hoe meer schatten, hoe beter.

Ze vulden hun stallen met paarden,

hoe meer wagens, hoe beter.

8Ze vulden hun huizen met afgoden,

vereerden wat zij zelf hadden gemaakt,

goden die ze vormden met hun eigen handen.

9Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze.

Nee, vergeef het hun niet!

10

2:10
Op. 6:15
Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond,

vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit.

11

2:11
Jes. 5:15
Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer,

wie trots was, buigt het hoofd.

Want de dag komt

dat alleen de HEER hoog verheven is.

12Op die dag zal de HEER van de hemelse machten

zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,

tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –,

13tegen alle ceders van de Libanon

die zich zo trots verheffen,

tegen de eiken van Basan,

14tegen de bergen met hun trotse hoogte

en de heuvels die zich hoog verheffen,

15tegen iedere hoge toren,

tegen elke machtige muur,

16tegen alle trotse handelsschepen,

schepen met kostbare lading.

17Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd,

wie trots was, bijt in het stof.

Want de dag komt

dat alleen de HEER hoog verheven is.

18

2:18
Jer. 10:11
Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen.

19Men schuilt weg in rotsspelonken,

in holen in de grond,

op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit,

wanneer zijn komst de aarde schokt.

20

2:20
Jes. 31:7
Op die dag zullen de mensen de afgoden,

gesmeed van hun zilver en goud,

gemaakt om te vereren,

prijsgeven aan ratten en vleermuizen.

21Ze zullen wegschuilen in rotsholen,

in kloven en bergspleten,

op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit,

wanneer zijn komst de aarde schokt.

22

2:22
Gen. 2:7
Job 34:14-15
Schenk de mens niet langer aandacht.

Wat is hij zonder adem in zijn neus?

Wat heeft hij te betekenen?

3

Chaos in Jeruzalem en Juda

31Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten,

ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun:

alle steun van brood en water,

2van krijgsheld en soldaat,

rechter en profeet, waarzegger en oudste,

3bevelhebber, man van aanzien en raadsheer,

tovenaar en bezweerder.

4

3:4
Pred. 10:16
Hij stelt kinderen als koning aan,

willekeur zal er regeren.

5De mensen zullen elkaar verdringen,

man tegen man, de een tegen de ander;

een kind staat op tegen zijn ouders,

een nietsnut tegen een man van eer.

6Een man grijpt in het ouderlijk huis

zijn broer bij de arm en roept hem toe:

‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider

en ontferm je over deze chaos.’

7Maar dan zal die zich verweren:

‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel.

Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel.

Stel mij niet aan als leider van het volk.’

8Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen.

Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad,

ze tarten hem openlijk in al zijn luister.

9

3:9
Gen. 18:20-21
Hun partijdigheid keert zich tegen hen,

schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom.

Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad.

10Gelukkig de rechtvaardige,3:10 Gelukkig de rechtvaardige – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zeg van de rechtvaardige’. het gaat hem goed,

hij zal de vruchten plukken van zijn daden.

11

3:11
Pred. 8:12-13
Wee de goddeloze, hem gaat het slecht,

al wat hij doet wordt hem vergolden.

12Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit,

woekeraars3:12 woekeraars – Volgens de Septuaginta. MT: ‘vrouwen’. heersen erover.

Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders,

zij brengen jullie op een dwaalspoor.

13

3:13-15
Hos. 4:1-2
Micha 6:1-5
De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor,

hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen.

14

3:14
Jes. 5:1-7
27:2-4
Zo luidt de aanklacht van de HEER

tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk:

Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken

en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam.

15Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen

en de armen zo zwaar te mishandelen?

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

Sions vrouwen te schande gezet

16

3:16-24
Amos 4:1-3
De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. 17Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten. 18Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, 19hun oorringen, armbanden en sluiers, 20hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, 21de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, 22hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, 23hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals. 24
3:24
Amos 8:10
Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid.

25Sions mannen zullen vallen door het zwaard,

haar soldaten sneuvelen in de strijd.

26Rouw en droefenis heersen in haar poorten.

Berooid hurkt Sion neer op de grond.

4

41Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man:

‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen

en in onze eigen kleding voorzien.

Laat ons slechts uw naam dragen,

neem de schande van ons weg.’

De HEER vernieuwt Jeruzalem

2Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. 3

4:3
Sef. 3:13
Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5
4:5-6
Jes. 25:4-5
4:5
Ex. 13:21
dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, 6als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen.