Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
26

Redding en vrede voor het rechtvaardige volk

261

26:1
Jes. 60:18
Op die dag zal in Juda dit lied klinken:

‘Wij hebben een sterke stad,

de HEER biedt ons redding

als een wal, als een muur.

2

26:2
Ps. 118:19-20
Open de poorten,

opdat het rechtvaardige volk kan binnentreden,

het volk van uw getrouwen.

3De standvastige is veilig bij u,

vrede is er voor wie op u vertrouwt.

4

26:4
Deut. 32:4
Vertrouw altijd op de HEER, alleen op hem,

want de HEER is een rots sinds mensenheugenis.

5Hij haalt neer wie in de hoogte leven

en veilig in hun onneembare vesting wonen.

Hij brengt zelf hun stad ten val,

hij maakt haar met de grond gelijk,

niets laat hij van haar heel.

6Dan wordt ze onder de voet gelopen,

vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen.’

7U effent het pad voor de rechtvaardige,

u baant voor hem een rechte weg.

8Ook wij verlaten ons op u, HEER:

wij gaan de paden van uw recht.

Wij richten ons op uw naam,

naar u gaat ons verlangen uit.

9

26:9
Ps. 42:2
63:2
Reikhalzend kijk ik naar u uit,

zelfs ’s nachts verlang ik naar u.

Wanneer u een oordeel over de wereld velt,

zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren.

10Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard,

gerechtigheid zal hij nooit leren.

In het land van het recht doet hij slechts onrecht;

de macht van de HEER merkt hij niet op.

11

26:11
Hebr. 10:27
HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet.

Laat hem dan tot zijn schande zien

hoe u ijvert voor uw volk,

hoe het vuur uw vijand verteert.

12HEER, geef ons vrede,

alles wat wij deden, hebt u voor ons gedaan.

13HEER, onze God,

andere heren hebben ons in hun macht gehad,

maar alleen uw naam zullen wij prijzen.

14Doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan.

U bent tegen hen opgetreden, hebt hen vernietigd,

elke herinnering aan hen hebt u uitgewist.

15Uw volk hebt u groot gemaakt, HEER,

en zo voor uzelf roem verworven.

U hebt uw volk groot gemaakt

en het land naar alle kanten uitgebreid.

16HEER, in onze nood hebben wij u gezocht;

toen u ons tuchtigde, riepen wij u aan.26:16 riepen wij u aan – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘uitten zij een gemurmel’.

17

26:17
Jes. 13:8
37:3
Zoals een zwangere vrouw in barensnood

ineenkrimpt en schreeuwt in haar weeën,

zo verschenen wij voor u, o HEER.

18Wij waren zwanger en krompen ineen,

maar al wat we baarden was lucht;

wij brachten het land geen uitkomst,

op aarde werd geen mens meer geboren.

19

26:19
Ef. 5:14
Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan.

Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel!

Uw dauw is een dauw die leven geeft,

de aarde brengt haar schimmen weer tot leven.

20

26:20
Job 14:13-15
Trek je terug in je kamers, mijn volk,

en sluit de deur achter je.

Nog een korte tijd, tot de woede bekoeld is.

21

26:21
Micha 1:3
Op. 6:10
Zie hoe de HEER zijn woning verlaat

en de mensen op aarde voor hun wandaden laat boeten.

Het onschuldige bloed dat op haar is vergoten

wordt door de aarde aan het licht gebracht,

ze zal het niet langer verbergen.

27

271

27:1
Ps. 74:14
104:26
Op die dag zal de HEER ingrijpen:

hij trekt zijn groot en machtig zwaard

tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang,

en hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.

Hoop voor Israël

2Op die dag zal men de prachtige wijngaard bezingen.

3Ik, de HEER, houd de wacht over mijn wijngaard,

steeds opnieuw bevloei ik hem.

Dag en nacht zal ik de wacht houden,

zodat niemand hem kan schaden;

4ik koester mijn woede niet.

Maar zou ik dorens en distels dulden?

Strijdbaar ga ik eropaf,

al dat onkruid steek ik in brand –

5tenzij men mijn bescherming zoekt

en vrede met mij sluit,

ja, vrede sluit met mij.

6De tijd zal komen27:6 De tijd zal komen – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zij die komen’.

dat Jakob zal wortelen,

dat Israël zal uitbotten en bloeien.

En de vruchten van zijn oogst

zullen de hele aardbodem bedekken.

7Heeft de HEER Israël geslagen

zoals hij hen slaat die Israël sloegen?

Of heeft hij het gedood

zoals hij doodt wie Israël doodden?

8Door hen uiteen te jagen en te verstrooien

heeft hij een rechtsgeding tegen hen gevoerd,

met een verschroeiende wind uit het oosten

heeft hij hen verdreven.

9

27:9
Ex. 34:13
Jes. 17:8
Hij verbrijzelt alle altaarstenen

alsof het kalksteen is,

elk wierookaltaar wordt omvergehaald,

elke Asjerapaal wordt omgehakt.

Zo wordt afgerekend met Jakobs wandaden,

zo wordt zijn schuld vereffend.

10Daar ligt de versterkte stad,

eenzaam, ontvolkt, verlaten als de woestijn.

Kalveren weiden en rusten er,

ze vreten de takken kaal;

11vrouwen breken de verdorde twijgen af

en gebruiken ze voor hun vuur.

Omdat dit volk ieder inzicht mist,

kent zijn maker geen ontferming,

toont zijn schepper geen genade.

12Op die dag zal de HEER de aren dorsen van de Eufraat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Dan zullen jullie, kinderen van Israël, als aren gelezen worden, één voor één. 13Op die dag wordt op de grote ramshoorn geblazen. Zij die verbannen waren naar Assyrië of verdreven naar Egypte, zullen terugkeren en zich neerbuigen voor de HEER, op de heilige berg in Jeruzalem.

28

Oordeel over Jeruzalems slechte leiders

281Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm;

bedwelmd door de wijn pronken zij met de stad

die de vruchtbare vallei bekroont,

maar hun prachtige sieraad is een bloem die verwelkt.

2Want de Heer beschikt over iemand,

sterk als een hevige hagelbui, als een wervelwind,

krachtig als een kolkende watermassa,

die met zijn machtige hand alles omver zal stoten.

3De trotse kroon van de dronkaards van Efraïm

zal worden vertrapt.

4Dit pronkstuk van de vruchtbare vallei,

dit prachtige sieraad, zal als een bloem verwelken,

verdwijnen als een vroege vijg,

vóór de oogst ontdekt en onmiddellijk opgegeten.

5

28:5
Jes. 4:2
Op die dag zal de HEER van de hemelse machten

de sierlijke kroon zijn, de prachtige krans

voor wie er van zijn volk nog over zijn;

6wie zetelt op de rechterstoel

zal hij met zuiver recht bezielen,

en heldenmoed schenkt hij aan hen

die de vijand uit de stad verdrijven.

7Maar zelfs priesters waggelen van de wijn,

profeten wankelen door de drank:

ze waggelen door de drank

en zijn verward door de wijn;

de drank doet hen wankelen,

waggelend hebben ze visioenen,

zwalkend doen ze hun uitspraken.

8Hun tafels zitten onder het braaksel,

geen plekje dat niet walgelijk besmeurd is.

9‘Wie tracht hij nu kennis bij te brengen?

Aan wie wil hij zijn boodschap kwijt?

Houdt hij ons soms voor zuigelingen,

nog maar net de moederborst ontwend?

10Hoor hem: “Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,

beetje van dit, beetje van dat.”’

11

28:11-12
1 Kor. 14:21
28:11
Jer. 5:15
Inderdaad, door mensen met een vreemde tongval,

in een andere taal, spreekt de HEER tot dit volk.

12Ooit heeft hij tegen hen gezegd:

‘Hier is rust, hier vind je verpozing,

laat wie vermoeid is hier rusten.’

Maar ze weigerden naar hem te luisteren.

13

28:13
Jes. 8:15
Daarom horen zij nu van de HEER:

‘Tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav,

beetje van dit, beetje van dat.’

En zo gaan ze op weg, maar ze struikelen,

ze raken gewond, verstrikt, en worden gevangen.

14Daarom, hoor de woorden van de HEER, jullie spotters,

leiders van het volk van Jeruzalem.

15

28:15
Jer. 5:12
Amos 9:10
Wijsh. 1:16
Sir. 14:12
Jullie zeiden:

‘Wij hebben een verbond gesloten met de dood,

met het dodenrijk zijn we een verdrag aangegaan.

Wanneer de striemende gesel voorbijkomt

zal hij ons niet raken.

Wij houden ons schuil in bedrog

en verbergen ons in leugens.’

16

28:16
Ps. 118:22
Rom. 9:33
10:11
1 Petr. 2:6
Maar dit zegt God, de HEER:

Ik leg in Sion een fundament

met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen.

Wie zijn vertrouwen daarop grondvest,

hoeft geen andere toevlucht te zoeken.

17

28:17
2 Kon. 21:13
Ik zal het recht als meetlint hanteren

en de gerechtigheid als schietlood.

De hagel vernietigt de schuilhoek van je bedrog,

het water spoelt jullie schuilplaats weg.

18Jullie verbond met de dood wordt verbroken,

jullie verdrag met het dodenrijk houdt geen stand.

Wanneer de striemende gesel voorbijkomt

zal hij jullie genadeloos afranselen.

19Dag in dag uit komt hij voorbij,

in de morgen, in de nacht,

en telkens als hij langskomt zal hij jullie treffen.

Hoe verschrikkelijk is het om de boodschap te verstaan!

20Het bed is te kort om je op uit te strekken,

de deken te smal om je in te wikkelen.

21

28:21
Joz. 10:10-12
2 Sam. 5:17-25
De HEER zal opstaan

zoals destijds op de Perasim,

hij zal grote beroering veroorzaken

zoals in de vlakte bij Gibeon:

hij zal iets tot stand brengen, iets bijzonders,

hij gaat iets buitengewoons volbrengen.

22Nu dan, staak jullie spotternijen,

anders zullen jullie boeien nog meer knellen.

Want dit heb ik gehoord:

God, de HEER van de hemelse machten,

heeft tot vernietiging van het land besloten.

23Hoor mij aan en leen mij je oor,

luister aandachtig naar mijn woorden.

24Als een boer zaaien wil, ploegt hij dan alle dagen?

Blijft hij voren trekken in zijn land?

25Als hij het land geëffend heeft,

strooit hij toch komijn en karwij,

zaait tarwe in rijen, gerst in vakken

en spelt langs de rand van zijn akker?

26Het is zijn God die hem daarin onderricht,

die hem leert wat hij moet doen.

27Zo dorst men komijn niet met een dorsslede

en over karwij rolt men geen wagenrad;

komijn wordt met een stok uitgeklopt

en karwij met een roede.

28Graan moet voor brood worden fijngemalen;

maar een boer blijft niet eindeloos dorsen:

hij stuurt zijn paarden en het wagenrad eroverheen,

maar hij laat het niet verpletteren.

29Ook dit vindt zijn oorsprong

bij de HEER van de hemelse machten:

zijn beleid is wonderbaarlijk

en hij volvoert het in grote wijsheid.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]