Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

De ondergang van Tyrus en Sidon

231

23:1-18
Ezech. 26:1-28:19
Joël 4:4-8
Amos 1:9-10
Zach. 9:3-4
Profetie over Tyrus.

Weeklaag, schepen uit Tarsis,

want alle huizen zijn verwoest.

Bij terugkeer uit het land der Kittiërs

kwam het jullie ter ore.

2-3Schreeuw het uit, bewoners van de kuststreek.

Kooplui van Sidon, jullie hebben de zeeën bevaren

en zijn van het grote water rijk geworden;

het graan van Sichor, geoogst aan de Nijl,

hebben jullie met winst verkocht.

Sidon was de handelaar onder de volken.

4Schaam je, Sidon, vesting van de zee,

want de zee klaagt je aan:

‘Heb ik dan geen weeën gehad, geen kinderen gebaard?

Geen zonen grootgebracht, geen dochters opgevoed?’

5Wanneer het bericht Egypte bereikt,

zal iedereen beven van angst

om die tijding over Tyrus.

6Steek over naar Tarsis,

weeklaag, bewoners van de kuststreek.

7Is dit nu jullie bruisende stad,

gesticht in een ver verleden,

met wingewesten overzee?

8

23:8
Op. 18:23
Wie heeft aldus besloten over Tyrus,

die stad zo kwistig met kronen,

waar de handelaars vorsten waren

en de kooplui groten der aarde?

9De HEER van de hemelse machten!

Hij heeft besloten Tyrus van zijn luister te beroven

en de groten der aarde klein te maken.

10Ga nu het land bewerken,23:10 Ga nu het land bewerken – Volgens een Qumran-handschrift en de Septuaginta. MT: ‘Ga door het land heen’. Tarsis,

zoals de boeren langs de Nijl,

want je scheepswerven zijn gesloten.

11De HEER strekt zijn hand uit over de zee,

hij doet koninkrijken beven en geeft bevel

om de vestingen in Kanaän te verwoesten.

12Hij zegt: ‘Sidon, geplaagde vrouw, geschonden stad,

je levendigheid is voorgoed gedoofd.

Toe dan, steek maar over naar de Kittiërs –

ook daar vind je geen rust.’

13Wat was het lot van het land der Chaldeeën?

Van heel dat volk is niets overgebleven.

Assyrië heeft hun gebied bestemd voor woestijndieren.

Er werden daar stormtorens opgesteld,

en nu zijn hun paleizen verwoest,

het is één troosteloze ruïne.

14Weeklaag, schepen uit Tarsis,

want jullie vesting is verwoest.

15Op die dag zal Tyrus in vergetelheid raken, gedurende zeventig jaar, de levenstijd van een koning. Aan het eind van die zeventig jaar zal het Tyrus vergaan als de hoer uit het liedje:

16Trek met je lier door de stad,

arm vergeten hoertje.

Speel en zing een lied,

zo mooi en zo lang als je kunt,

anders zien ze je niet staan.

17
23:17
Op. 17:2
18:3
En na zeventig jaar zal de HEER zich weer over Tyrus ontfermen. Dan zal zij opnieuw haar hoerenloon krijgen, en voor alle koninkrijken op aarde zal ze de hoer spelen, overal ter wereld. 18Het hoerenloon en de winst die ze maakt, zullen aan de HEER worden gewijd en niet worden bewaard of opgehoopt. Ze zullen ten goede komen aan hen die wonen bij de HEER, zodat zij ruimschoots te eten hebben en zich rijk kunnen kleden.
24

Oordeel over de aarde

241De HEER verwoest de aarde en slaat haar kaal,

hij ontwricht haar en verstrooit haar bewoners.

2Priester en volk treft hetzelfde lot,

meester en slaaf,

meesteres en slavin,

verkoper en koper,

wie te leen krijgt en wie te leen geeft,

schuldenaar en schuldeiser.

3De aarde wordt geheel verwoest

en volkomen leeggeplunderd

– want de HEER heeft aldus gesproken.

4De aarde treurt en verwelkt,

de wereld verwelkt en kwijnt weg.

Ook de groten der aarde kwijnen weg.

5De aarde is door haar bewoners ontheiligd:

zij hebben de voorschriften overtreden,

zijn aan de wetten voorbijgegaan

en hebben het eeuwig verbond verbroken.

6Daarom verslindt een vloek de aarde

en moeten haar bewoners boeten;

daarom wordt hun aantal zo klein

en blijven er nog weinig mensen over.

7De wijn is verdroogd, de wijnstok kwijnt weg.

De vrolijke feestvierders zuchten.

8

24:8
Jer. 7:34
16:9
25:10
Ezech. 26:13
Op. 18:22
De roffelende trommels zwijgen,

het feestgedruis sterft weg,

de jubelende lier verstomt.

9Men drinkt de wijn zonder lied,

de drank smaakt de drinker bitter.

10De stad is één grote woestenij,

de toegang tot ieder huis is versperd.

11Op straat wordt luid gejammerd om de wijnoogst.

Alle blijdschap is gesmoord,

de vreugde van de aardbodem verdwenen.

12Wat van de stad rest, is verwoesting,

troosteloos is de vernielde poort.

13

24:13
Jes. 17:6
Het zal de aarde en al haar volken vergaan

als bij het leegschudden van een olijfboom,

als bij het nalezen van een wijngaard.

14Daarginds barst men uit in gejuich,

vanaf de zee bejubelt men de majesteit van de HEER.

15Prijs daarom de HEER in het land van de dageraad,

de naam van Israëls God op de eilanden in zee.

16Van het einde der aarde horen wij zingen:

‘Hulde aan de rechtvaardige!’

Maar ik verzucht: ‘Wee mij!

Verloren, verloren ben ik!

Verraders plegen verraad,

hoe verraderlijk is het verraad van verraders.’

17

24:17-18
Jer. 48:43-44
Verschrikking, valkuil en vangnet

wacht jullie die de aarde bewonen.

18Wie vlucht voor de verschrikking,

zal vallen in de kuil,

wie uit de kuil weet te klimmen,

raakt gevangen in het net.

De sluizen van de hemel worden geopend,

de grondvesten van de aarde beven.

19De aarde kraakt en barst open,

de aarde schokt en schudt heen en weer,

de aarde kantelt en wankelt vervaarlijk.

20De aarde zwalkt en waggelt als een dronkaard,

ze zwaait heen en weer als een hut in de storm.

Haar opstandigheid drukt zwaar op haar,

ze valt en staat niet meer op.

21Op die dag zal de HEER afrekenen

in de hemel met de machten van de hemel,

en op aarde met de vorsten van de aarde.

22Dan worden zij bijeengedreven,

gevangen in een kuil, opgesloten in een kerker.

En na lange tijd zullen zij hun straf ontvangen.

23

24:23
Ex. 24:9-11
Dan zal de heldere maan zich schamen,

de stralende zon van schaamte verbleken.

Want de HEER van de hemelse machten heerst op de Sion,

in Jeruzalem wordt zijn luister getoond

aan de oudsten van zijn volk.

25

Danklied

251

25:1
Ps. 31:15
HEER, u bent mijn God.

Ik zal u hulde bewijzen, uw naam loven.

Want wonderbaarlijk zijn uw daden,

u hebt uw beleid sinds mensenheugenis

trouw en betrouwbaar uitgevoerd.

2Hun stad hebt u tot een bouwval gemaakt,

hun versterkte vesting tot een ruïne;

het bolwerk van barbaren is geen stad meer,

nooit zal ze worden herbouwd.

3Daarom zal het gewelddadige volk u eren,

de stad van wrede volken ontzag voor u tonen.

4

25:4
Jes. 4:5-6
Op. 7:15-16
U was een toevlucht voor de zwakken,

een toevlucht voor de armen in hun nood,

beschutting tegen stortbuien, schaduw tegen hitte.

Want het woeden van die wrede volken

is als een stortbui tegen een muur,

5als hitte in een dorre streek.

U doet het barbaarse gejoel verstommen,

u tempert de triomf van tirannen,

zoals de schaduw van een wolk de hitte tempert.

Het feestmaal op de Sion

6Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten

voor alle volken een feestmaal aan:

uitgelezen gerechten en belegen wijnen,

een feestmaal rijk aan merg en vet,

met pure, rijpe wijnen.

7Op deze berg vernietigt hij het waas

dat alle volken het zicht beneemt,

de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.

8

25:8
1 Kor. 15:54
Op. 7:17
21:4
Voor altijd doet hij de dood teniet.

God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht,

de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg

– de HEER heeft gesproken.

9

25:9
Jes. 35:10
Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God!

Hij was onze hoop: hij zou ons redden.

Hij is de HEER, hij was onze hoop.

Juich en wees blij: hij heeft ons gered!’

10

25:10-12
Jes. 15:1-16:14
Jer. 48:1-47
Ezech. 25:8-11
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
De hand van de HEER rust op deze berg,

maar onder zijn voeten wordt Moab vertrapt,

zoals stro in mest wordt getreden;

11Moab spreidt zijn armen uit

als iemand die tracht te zwemmen,

maar hoe hij ook met zijn armen maait,

de HEER laat hem door zijn hoogmoed ten onder gaan.

12Hij haalt de hoge, versterkte muren omver,

hij maakt ze met de grond gelijk,

niets laat hij ervan heel.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]