Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

De val van Babel geopenbaard

211

21:1-10
Jes. 13:1-14:23
47:1-15
Jer. 50:1-51:64
Profetie over de woestijn aan de zee.

Zoals de stormen over de Negev, vlaag na vlaag,

zo zal het onheil komen uit de woestijn,

uit een angstaanjagend land.

2Een aangrijpend visioen heeft de HEER mij geopenbaard:

de verrader pleegt verraad, de verwoester verwoest.

Inwoners van Elam, val aan! Meden, sla het beleg!

De HEER maakt aan het lijden van de verdrukten een eind.

3Ik sta te trillen op mijn benen,

ik krimp ineen als een vrouw in barensnood.

Wat ik hoor verbijstert me, wat ik zie ontstelt me.

4Mijn hart beeft, ik ben door angst bevangen;

de HEER heeft mijn dierbare avondschemer

veranderd in een nachtmerrie.

5Het feestmaal is aangericht, de kleden zijn uitgespreid,

er wordt gegeten en gedronken.

Sta op, vorsten, vet uw schilden in!

6Want dit heeft de Heer mij gezegd:

‘Zet een wachtpost uit, laat hem melden wat hij ziet.

7Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen,

een karavaan met ezels en kamelen,

laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.’

8De wachter21:8 De wachter – Volgens een Qumran-handschrift en de Pesjitta. MT: ‘Een leeuw’. zegt: ‘Heel de dag sta ik op wacht, Heer,

elke nacht blijf ik op mijn post.’

9

21:9
Jer. 50:46
Op. 14:8
18:2
Daar komen soldaten op strijdwagens,

wagens, met paarden bespannen.

Dan roept hij: ‘Gevallen, gevallen is Babel!

Al zijn godenbeelden liggen verbrijzeld!’

10Mijn volk, vertrapt en vertreden als op de dorsvloer,

de HEER van de hemelse machten, de God van Israël,

heeft mij dit laten weten, en ik heb het jullie gemeld.

11Profetie over Duma.

Vanuit Seïr roept men naar mij:

‘Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?

Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?’

12En de wachter antwoordt:

‘De morgen komt, en ook de nacht.

Wilt u iets vragen, kom dan terug en vraag het.’

13

21:13
Gen. 10:7
25:3
Jer. 49:8
Profetie over Arabië.

Sla jullie kamp op in het woud van Arabië,

karavanen van de Dedanieten.

14Breng de vluchtelingen brood,

inwoners van Tema,

geef de dorstigen water.

15Zij zijn de oorlog ontvlucht,

het getrokken zwaard en de gespannen boog,

gevlucht voor het geweld van de strijd.

16

21:16
Jes. 16:14
Dit heeft de Heer mij gezegd: ‘Nog een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, en Kedars roem is ten einde. 17
21:17
Jer. 49:28
Van de boogschutters van Kedars leger zal nog maar een klein aantal overblijven. De HEER, de God van Israël, heeft gesproken.’

22

Jeruzalems misplaatste zelfvertrouwen

221Profetie over het Dal van het visioen.

Wat bezielt jullie om allemaal op de daken te klimmen,

2stad vol rumoer en feestgedruis, oord van opwinding?

Jullie gevallenen zijn niet gevallen door het zwaard,

noch gesneuveld in de strijd.

3Al jullie bevelhebbers zijn gevlucht,

ze zijn zonder slag of stoot gevangen;

hoever ze ook gevlucht waren,

allemaal zijn ze achterhaald.

4Daarom zeg ik: ‘Laat mij nu alleen.

Bittere tranen zal ik wenen

om de ondergang van mijn volk.

Tracht niet langer mij te troosten.’

5Deze dag van ontreddering, verwoesting en verwarring

is een dag van God, de HEER van de hemelse machten.

Het Dal van het visioen is met gekerm gevuld,

hulpgeroep weerkaatst tegen de bergwanden.

6Elam had de pijlkoker gegrepen,

de strijdwagens en de ruiters stonden gereed,

Kir had het schild geheven.

7Jullie mooiste dalen vulden zich met strijdwagens,

ruiters stelden zich op voor de poort –

8

22:8
1 Kon. 7:2-5
toen nam hij Juda’s beschutting weg.

Op die dag inspecteerden jullie de wapens in het Woud van de Libanon. 9Jullie ontdekten hoeveel bressen er in de muren van de Davidsburcht waren. Het water van het onderste waterbekken sloegen jullie op. 10Jullie bekeken welke huizen in Jeruzalem afgebroken konden worden om de stadsmuur te versterken. 11En ten slotte legden jullie tussen de muren een reservoir aan voor het water van het oude waterbekken. Maar jullie hadden geen oog voor de maker van dat alles; hem die alles lang tevoren schiep hebben jullie veronachtzaamd.

12Op die dag heeft God, de HEER van de hemelse machten,

jullie opgeroepen tot weeklacht en rouw;

jullie moesten je kaalscheren

en een rouwkleed aantrekken.

13

22:13
Jes. 5:11
Wijsh. 2:6-9
1 Kor. 15:32
Maar jullie maakten plezier en vierden feest.

Jullie slachtten koeien, schapen en geiten,

jullie deden je te goed aan vlees en wijn.

‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’

14Dit heeft de HEER van de hemelse machten tegenover mij verklaard:

‘Dit wangedrag wordt jullie, zolang je leeft,

onder geen beding vergeven

– zegt God, de HEER van de hemelse machten.’

Profetie over Sebna en Eljakim

15

22:15-25
2 Kon. 18:18-37
Jes. 36:3-22
God, de HEER van de hemelse machten, zei tegen mij: ‘Ga naar Sebna, die beheerder van het paleis, en zeg: 16“Wat komt u hier doen? Welke voorouders hebt u hier, dat u hier voor uzelf een graf hebt uitgehouwen?”’ (Sebna had namelijk hoog in de rotsen een laatste rustplaats voor zichzelf uitgehouwen.) 17‘“Met een krachtige worp zal de HEER u wegwerpen, hoe geweldig u ook bent. Hij pakt u op, 18wikkelt u ineen tot een bal en werpt u naar een uitgestrekt land. Dáár zult u sterven, daarheen zullen uw praalwagens gaan. U bent een schande voor het huis van uw meester. 19Daarom ontneem ik u uw ambt en beroof u van uw post.

20Op die dag zal ik mijn dienaar Eljakim, de zoon van Chilkia, ontbieden. 21Ik zal hem met uw gewaad kleden en hem uw gordel omdoen; uw macht draag ik aan hem over. Hij zal als een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem en het volk van Juda. 22

22:22
Mat. 16:19
Op. 3:7
Ik zal hem de sleutel overhandigen van het huis van David; wanneer hij opendoet, kan niemand sluiten, wanneer hij sluit, kan niemand openen. 23Ik zal hem bevestigen, als een pin in stevige grond; voor zijn familie zal hij als een erezetel zijn.”’

24Het hele gewicht van zijn familie, de hele stamboom, zal aan hem gaan hangen: al het kleine vaatwerk, van schalen tot kruiken. 25Op die dag – spreekt de HEER van de hemelse machten – zal de pin in stevige grond losraken. De hele last die eraan hangt, komt omlaag, alles valt en gaat te gronde. De HEER heeft gesproken.

23

De ondergang van Tyrus en Sidon

231

23:1-18
Ezech. 26:1-28:19
Joël 4:4-8
Amos 1:9-10
Zach. 9:3-4
Profetie over Tyrus.

Weeklaag, schepen uit Tarsis,

want alle huizen zijn verwoest.

Bij terugkeer uit het land der Kittiërs

kwam het jullie ter ore.

2-3Schreeuw het uit, bewoners van de kuststreek.

Kooplui van Sidon, jullie hebben de zeeën bevaren

en zijn van het grote water rijk geworden;

het graan van Sichor, geoogst aan de Nijl,

hebben jullie met winst verkocht.

Sidon was de handelaar onder de volken.

4Schaam je, Sidon, vesting van de zee,

want de zee klaagt je aan:

‘Heb ik dan geen weeën gehad, geen kinderen gebaard?

Geen zonen grootgebracht, geen dochters opgevoed?’

5Wanneer het bericht Egypte bereikt,

zal iedereen beven van angst

om die tijding over Tyrus.

6Steek over naar Tarsis,

weeklaag, bewoners van de kuststreek.

7Is dit nu jullie bruisende stad,

gesticht in een ver verleden,

met wingewesten overzee?

8

23:8
Op. 18:23
Wie heeft aldus besloten over Tyrus,

die stad zo kwistig met kronen,

waar de handelaars vorsten waren

en de kooplui groten der aarde?

9De HEER van de hemelse machten!

Hij heeft besloten Tyrus van zijn luister te beroven

en de groten der aarde klein te maken.

10Ga nu het land bewerken,23:10 Ga nu het land bewerken – Volgens een Qumran-handschrift en de Septuaginta. MT: ‘Ga door het land heen’. Tarsis,

zoals de boeren langs de Nijl,

want je scheepswerven zijn gesloten.

11De HEER strekt zijn hand uit over de zee,

hij doet koninkrijken beven en geeft bevel

om de vestingen in Kanaän te verwoesten.

12Hij zegt: ‘Sidon, geplaagde vrouw, geschonden stad,

je levendigheid is voorgoed gedoofd.

Toe dan, steek maar over naar de Kittiërs –

ook daar vind je geen rust.’

13Wat was het lot van het land der Chaldeeën?

Van heel dat volk is niets overgebleven.

Assyrië heeft hun gebied bestemd voor woestijndieren.

Er werden daar stormtorens opgesteld,

en nu zijn hun paleizen verwoest,

het is één troosteloze ruïne.

14Weeklaag, schepen uit Tarsis,

want jullie vesting is verwoest.

15Op die dag zal Tyrus in vergetelheid raken, gedurende zeventig jaar, de levenstijd van een koning. Aan het eind van die zeventig jaar zal het Tyrus vergaan als de hoer uit het liedje:

16Trek met je lier door de stad,

arm vergeten hoertje.

Speel en zing een lied,

zo mooi en zo lang als je kunt,

anders zien ze je niet staan.

17
23:17
Op. 17:2
18:3
En na zeventig jaar zal de HEER zich weer over Tyrus ontfermen. Dan zal zij opnieuw haar hoerenloon krijgen, en voor alle koninkrijken op aarde zal ze de hoer spelen, overal ter wereld. 18Het hoerenloon en de winst die ze maakt, zullen aan de HEER worden gewijd en niet worden bewaard of opgehoopt. Ze zullen ten goede komen aan hen die wonen bij de HEER, zodat zij ruimschoots te eten hebben en zich rijk kunnen kleden.
Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]