Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

De ondergang van Moab

151

15:1-16:14
Jes. 25:10-12
Jer. 48:1-47
Ezech. 25:8-11
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Profetie over Moab.

Verwoest is Ar-Moab, vernietigd in de nacht!

Verwoest is Kir-Moab, vernietigd in de nacht!

2Dibon trekt op naar de tempel

en heft op de offerhoogten een weeklacht aan,

Moab jammert over de Nebo en over Medeba.

Ieder hoofd is kaalgeschoren,

elke baard is afgeknipt.

3In de straten dragen allen een rouwkleed,

overal, op daken en pleinen, klinkt gejammer,

in tranen gaat men over straat.

4Chesbon en Elale schreeuwen het uit,

tot aan Jahas klinkt hun klagen.

De soldaten van Moab sidderen en beven,

ze zijn verlamd van angst.

5Mijn hart schreeuwt het uit om Moab.

Zijn vluchtelingen komen tot aan Soar, tot Eglat-Selisia.

Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

hun gejammer stijgt op van de weg naar Choronaïm.

6Zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul:

het gras verdort, het groen verdroogt,

niets wil er nog groeien.

7Wat men heeft kunnen behouden,

het weinige dat gespaard bleef,

wordt in veiligheid gebracht

over de Wadi van de wilgen.

8Hun weeklacht waart heel Moab rond:

‘Wee!’ klinkt het overal, van Eglaïm tot Beër-Elim.

9Het water van Dimon is rood van het bloed,

toch zal ik Dimons lot nog verzwaren:

een leeuw jaagt op de ontkomen Moabieten,

op alles wat er nog over is van hun land.

16

161Bied de koning van ons land een geschenk aan,

stuur hem een ram, door de woestijn,

vanuit Sela naar de Sion.

2Dan zullen de vrouwen van Moab vluchten

naar waar men de Arnon oversteekt,

opgejaagd als vogels, verdreven van hun nest.

3‘Neem een besluit! Grijp in!

Bescherm ons op het heetst van de dag

met de schaduw van uw nacht.

Verberg de vluchteling,

lever de ontheemde niet uit.

4Verleen Moabs vluchtelingen onderdak,

wees onze toevlucht tegen de verwoester.’

Is de verdrukking ten einde gekomen

en de verwoesting tot staan gebracht,

is de tiran uit dit land verdreven,

5

16:5
Jes. 9:5-6
11:1-5
32:1-2
dan wordt in Davids huis een troon geplaatst,

gegrondvest op liefde en trouw.

Daar zetelt een rechter die recht zoekt,

die ijvert voor gerechtigheid.

6Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn zelfgenoegzaamheid,

zijn eigendunk, zijn grenzeloze eigenwaan.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets.

7Daarom is Moab nu vol zelfbeklag,

zijn gejammer klinkt in het hele land.

Het treurt in grote verslagenheid

om de rozijnenkoeken van Kir-Chareset.

8De wijngaarden van Chesbon verkommeren,

de wijnstokken van Sibma kwijnen weg;

vreemde heersers hebben hun edele druiven vertrapt.

Ooit reikten hun ranken tot Jazer,

ze verdwaalden zelfs in de woestijn;

woekerend reikten de ranken tot voorbij de Dode Zee.

9Dus zal ik luid huilen om Jazer,

weeklagen om de wijnstokken van Sibma.

En jullie, Chesbon en Elale,

zal ik met mijn tranen doordrenken:

voorbij zijn de vreugdekreten

om je zomervruchten en je oogst.

10Dan zal de vreugdezang in de boomgaard verstommen,

in de wijngaard wordt niet meer gejubeld of gejuicht,

in de kuipen worden geen druiven meer getreden.

Ik maak een einde aan alle vreugdekreten.

11Als een lier klaagt mijn hart om Moab,

mijn binnenste weent om Kir-Cheres.

12Hoezeer Moab zich ook aftobt op zijn offerhoogten,

hoe vaak het ook bijeenkomt om te bidden bij het heiligdom –

het is alles tevergeefs.

13Zo heeft de HEER destijds over Moab gesproken, 14en nu spreekt hij als volgt: In drie jaar tijd, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal Moab ontluisterd worden, al zijn machtsvertoon ten spijt. Wat ervan overblijft zal pover en onbeduidend zijn.

17

Onheil over Aram en Israël

171

17:1-3
Jer. 49:23-27
Amos 1:3-6
Zach. 9:1
Profetie over Damascus.

De stad Damascus zal niet meer bestaan,

het zal een bouwval, een ruïne worden.

2De steden van Aroër liggen verlaten,

ze zijn het domein van weidend vee

en niemand die de kudden verstoort.

3Efraïm heeft zijn vesting verloren

en Damascus zijn koninkrijk;

Arams luister zal vergaan als die van Israël

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

4Op die dag gaat Jakobs luister teloor,

het vet van zijn lichaam slinkt weg.

5Het is of men de rijpe oogst binnenhaalt

en met de hand de aren afsnijdt,

het is als aren lezen in het dal van Refaïm:

6slechts een laatste rest blijft er over,

zoals bij het oogsten van olijven:

twee, drie rijpe vruchten boven in de top,

vier, vijf nog aan de takken van de boom

– spreekt de HEER, de God van Israël.

7Op die dag zal ieder de blik op zijn maker richten,

naar de Heilige van Israël de ogen opslaan.

8Men zal zich niet meer wenden

tot zelfgemaakte goden en hun altaren,

geen oog meer hebben voor zulk mensenwerk,

voor Asjerapalen en wierookaltaren.

9Op die dag zijn hun vestingsteden doods en uitgestorven –

de stilte van een uitgestrekt bos.

Een woestenij zal het er zijn, verlaten,

zoals destijds de steden bij de nadering van Israël.

10

17:10
Deut. 32:18
Jes. 44:8
Want je bent de God van je redding vergeten,

de rots waarop je steunde, heb je veronachtzaamd.

Je hebt fraaie tuinen aangelegd

en stekken geplant voor vreemde goden.

11Op de dag dat je plant, zie je ze opkomen,

op de morgen dat je zaait, zie je ze bloeien.

Maar heel je oogst gaat verloren,

op die dag van rampspoed en ondraaglijke pijn.

12Wee! Vele volken bulderen

zoals woeste zeeën bulderen,

talrijke naties razen

zoals kolkende watermassa’s razen;

13de volken razen woest, zoals het wildste water raast.

Maar als God zijn stem verheft, vluchten ze ver weg.

Ze stuiven uiteen, als kaf op de wind in de bergen,

als dwarrelende bladeren in een storm.

14Wanneer de avond valt, komt de verschrikking,

vóór de morgen aanbreekt zijn ze weggevaagd.

Dat is het lot van hen die ons beroven,

dat is het deel van onze plunderaars.