Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï

111

11:1-5
Jes. 9:5-6
16:5
32:1-2
42:1-7
Jer. 23:5-6
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,

een scheut van zijn wortels komt tot bloei.

2

11:2
1 Petr. 4:14
De geest van de HEER zal op hem rusten:

een geest van wijsheid en inzicht,

een geest van kracht en verstandig beleid,

een geest van kennis en ontzag voor de HEER.

3Hij ademt ontzag voor de HEER;

zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,

noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.

4

11:4
2 Tes. 2:8
Op. 19:11,15
Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,

de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.

Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,

met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.

5

11:5
Ef. 6:14
Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen

en trouw als een gordel om zijn heupen.

6

11:6-9
Jes. 65:25
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,

een panter vlijt zich bij een bokje neer;

kalf en leeuw zullen samen weiden11:6 zullen samen weiden – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘en mestvee samen’.

en een kleine jongen zal ze hoeden.

7Een koe en een beer grazen samen,

hun jongen liggen bijeen;

een leeuw en een rund eten beide stro.

8Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,

een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

9

11:9
Hab. 2:14
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil

op heel mijn heilige berg.

Want kennis van de HEER vervult de aarde,

zoals het water de bodem van de zee bedekt.

10

11:10
Rom. 15:12
Op. 5:5
22:16
Op die dag zal de telg van Isaï

als een vaandel voor alle volken staan.

Dan zullen de volken hem zoeken

en zijn woonplaats zal schitterend zijn.

Terugkeer van de overlevenden van Israël

11Op die dag heft de Heer opnieuw zijn hand op

om de overlevenden van zijn volk vrij te kopen

uit Assyrië en Egypte,

uit Patros, Nubië en Elam,

uit Sinear en Hamat, en van de eilanden in zee.

12

11:12
Jes. 49:22
Dan steekt hij een vaandel op voor de volken.

Hij brengt bijeen wie uit Israël verdreven waren,

de vluchtelingen uit Juda brengt hij samen,

van de vier uiteinden van de aarde.

13Efraïms afgunst zal verdwijnen,

aan Juda’s vijandschap komt een eind.

Efraïm is niet meer afgunstig op Juda,

Juda is Efraïm niet meer vijandig.

14Ze strijken neer op de flank van Filistea, aan de zee,

samen beroven zij de stammen in het oosten;

ze leggen de hand op Edom en Moab

en de Ammonieten zullen hen gehoorzamen.

15Dan zal de HEER de zeearm van Egypte splijten;

de Eufraat bedwingt hij met zijn machtige adem,

hij slaat het water uiteen in zeven beken

waar men droogvoets door kan gaan.

16

11:16
Ex. 14:22
Jes. 35:8
43:19
49:11
57:14
62:10
Bar. 5:7
Zo baant hij de weg

voor wat er in Assyrië van zijn volk nog overbleef,

zoals eens voor Israël, toen het wegtrok uit Egypte.

12

Loflied

121Op die dag zul je zeggen:

‘Ik zal u loven, HEER.

U bent woedend op mij geweest,

maar uw toorn is geweken, u troost mij.

2

12:2
Ex. 15:2
God, hij is mijn redder.

Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet,

want de HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer,

hij heeft mij redding gebracht.’

3Vol vreugde zullen jullie water putten

uit de bron van de redding.

4

12:4
Ps. 105:1
Op die dag zullen jullie zeggen:

‘Loof de HEER, roep zijn naam uit.

Maak alle volken zijn daden bekend,

verkondig zijn verheven naam.

5Zing een lied voor de HEER:

wonderbaarlijk zijn zijn daden.

Laat heel de aarde dit weten.

6Jubel en juich, inwoners van Sion,

want groot is de Heilige van Israël,

die in jullie midden woont.’

13

De ondergang van Babylonië

131

13:1-22
Jes. 21:1-10
Jer. 50:1-51:64
Profetie over Babylonië; het visioen van Jesaja, de zoon van Amos.

2Steek op een kale berg de strijdvaan op,

roep op tot de strijd en geef het teken

dat zij optrekken naar de poorten van de edelen.

3Ik heb mijn heilige legers bevel gegeven,

mijn krijgshelden opgeroepen mijn wraak te voltrekken,

juichend over mijn majesteit.

4Hoor het rumoer in de bergen,

de opmars van een groot leger,

hoor het tumult van de koninkrijken,

de volken die zich aaneensluiten:

de HEER van de hemelse machten monstert zijn troepen.

5Daar komen ze, uit een ver land,

van de verste plaats onder de hemel:

de HEER komt heel het land verwoesten

met de werktuigen van zijn toorn.

6

13:6
Ezech. 30:2-3
Joël 1:15
Weeklaag! Want de dag van de HEER is nabij,

de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!

7Daarom trillen alle handen

en verweekt ieders hart van angst.

8

13:8
Jes. 21:3
26:17
Jer. 4:31
De mensen zijn door schrik bevangen.

Door kramp en pijn krimpen ze ineen

als een vrouw in barensnood.

Radeloos staren ze elkaar aan,

de vlammen slaan hun uit.

9De dag van de HEER breekt aan,

meedogenloos, grimmig,

in brandende toorn.

Het land zal in een woestenij veranderen,

de zondaars die er wonen verdelgt hij.

10

13:10
Ezech. 32:7
Joël 3:4
Mat. 24:29
Marc. 13:24-25
Luc. 21:25
Op. 6:12-13
8:12
De sterren aan de hemel geven geen licht meer,

sterrenbeelden doven uit,

de zon is verduisterd als ze opkomt,

het licht van de maan is verdwenen.

11Dan laat ik de wereld boeten voor haar slechtheid,

de goddelozen voor hun verdorvenheid.

Ik breek de trots van hoogmoedigen,

hooghartige tirannen verneder ik.

12Ik maak mensen schaarser dan goud,

stervelingen zeldzamer dan zuiver goud uit Ofir.

13Ik zal de hemel doen wankelen,

de aarde raakt bevend van haar plaats

op de dag van de HEER van de hemelse machten,

de grimmige dag van zijn brandende toorn.

14Dan zal iedereen wegvluchten

naar zijn land van herkomst,

terugkeren naar zijn eigen volk,

als opgejaagde gazellen,

als schapen die niemand bijeenhoudt.

15Wie gegrepen wordt, zal doorstoken worden,

wie weggevoerd wordt, zal omkomen door het zwaard.

16Hun kinderen worden voor hun ogen doodgeslagen,

hun huizen geplunderd, hun vrouwen verkracht.

17

13:17-18
Jer. 51:20-23
Ik zet tegen hen de Meden op,

die niet om zilver geven,

noch zich door goud laten verleiden.

18Hun pijlen treffen jongemannen;

met kinderen hebben ze geen medelijden,

zelfs zuigelingen ontzien ze niet.

19

13:19-22
Jer. 50:39-40
13:19
Gen. 19:24-25
Babel, de parel onder de koninkrijken,

de grote trots van de Chaldeeën,

Babel wordt als Sodom en Gomorra,

steden door God verwoest.

20

13:20
Jes. 34:10-17
Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

Geen Arabier zal daar zijn tent opslaan,

geen herder laat er zijn kudde rusten.

21

13:21
Op. 18:2
Dieren uit de woestijn legeren zich daar,

uilen nemen de huizen in bezit,

struisvogels gaan er wonen

en bokken dansen er rond.

22In de lege huizen klinkt het gehuil van hyena’s,

jakhalzen janken in de weelderige paleizen van weleer.

Voor Babel is de tijd nabij,

zijn dagen zijn geteld.