Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 15:32-33
16:1-2
18:1-2
2 Kron. 26:1
27:1
28:1
29:1
Micha 1:1
Dit zijn de visioenen die Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem gezien heeft, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden.

Aanklacht tegen Israël en Jeruzalem

2

1:2
Deut. 4:26
32:5-6,18
Bar. 4:8
Hoor toe, hemel, geef gehoor, aarde,

de HEER heeft gesproken:

Ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht,

maar ze zijn tegen mij in opstand gekomen.

3

1:3
Jer. 8:7
Een rund herkent zijn meester,

een ezel kent zijn voederbak,

maar Israël mist elk inzicht,

mijn volk leeft in onwetendheid.

4

1:4
Jes. 30:9
Jer. 2:13
Wee dit ontrouwe volk, met schuld beladen,

volk van zondaars, verdorven geslacht.

Zij hebben de HEER verlaten,

de Heilige van Israël versmaad,

hem de rug toegekeerd.

5Ben je niet genoeg geslagen,

verzet je je nog altijd?

Heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek.

6

1:6
Jer. 30:12-15
Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden:

een en al wonden en builen en striemen,

niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht.

7Je land is verwoest, je steden zijn verbrand.

Vreemden stropen onder je ogen de akkers af,

vreemdelingen maken alles tot een woestenij.

8Wat rest er nog van Sion?

Het is als een hut in een wijngaard,

een schuilkeet in een komkommerveld,

een stad in het nauw.

9

1:9
Gen. 19:24-25
Rom. 9:29
Had de HEER van de hemelse machten

ons niet een laatste rest gelaten,

het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.

10Hoor de woorden van de HEER, leiders van Sodom,

geef gehoor aan het onderricht van onze God, volk van Gomorra.

11

1:11-14
Jes. 29:13-14
Wat moet ik met al jullie offers? – zegt de HEER.

Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren;

het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer.

12En wanneer jullie voor mij verschijnen –

wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?

13Houd op met die zinloze offergaven.

Ik heb een afschuw van jullie wierook;

jullie feesten, nieuwemaan en sabbat,

ik duld ze niet naast al dat wangedrag.

14

1:14
Amos 5:21-22
Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer,

ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen.

15

1:15
Jes. 59:2-3
Jer. 2:34
14:12
Micha 3:4
Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af,

ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet.

Aan jullie handen kleeft bloed!

16Was je, reinig je,

maak een eind aan je misdaden,

ik kan ze niet meer zien.

Vermijd alle kwaad

17en leer goed te doen.

Zoek het recht, houd tirannen in toom,

bied wezen bescherming, sta weduwen bij.

18

1:18-19
Ps. 32:1-5
1:18
Ps. 51:9
Jes. 43:26
De HEER zegt: Laten we zien wie er in zijn recht staat.

Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw,

al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol.

19

1:19
Lev. 26:3-12
Deut. 28:1-14
Als je weer naar mij wilt luisteren,

zal het beste van het land je ten deel vallen.

20

1:20
Lev. 26:14-39
Deut. 28:15-27
Micha 4:4
Als je koppig bent en niet wilt luisteren,

zul je vallen door het zwaard.

De HEER heeft gesproken.

21

1:21
Jer. 2:20
Ach, de trouwe stad is een hoer geworden.

Waar eens recht heerste en gerechtigheid woonde,

daar huizen nu moordenaars.

22

1:22
Jer. 6:27-30
Ezech. 22:17-22
Je zilver is zwart en dof geworden,

je wijn versneden met water.

23Je vorsten zijn schurken, ze houden het met dieven,

ze denken alleen aan geschenken en steekpenningen.

Wezen bieden ze geen bescherming,

het lot van weduwen laat hen koud.

24Daarom – zo spreekt de Machtige, de HEER van de hemelse machten,

de sterke God van Israël:

Wee hun, ik zal me wreken op mijn tegenstanders,

mijn woede koelen op mijn vijanden.

25Ik zal mij tegen je keren,

je zilver zuiver ik met loog,

al je vuil verwijder ik.

26

1:26
Zach. 8:3
Ik breng je rechters en raadgevers tot inkeer,

het zal weer worden als voorheen.

Dan zul je deze naam dragen:

‘Stad van gerechtigheid’, ‘Stad van trouw’.

27Sion zal verlost worden door recht

en wie zich bekeert door gerechtigheid.

28Maar opstandige zondaars worden gebroken,

wie de HEER verlaat, gaat ten onder.

29Dan zal men schande spreken van de terebinten

die jullie zo vurig vereerden,

men zal zich schamen voor de tuinen

waar jullie hart naar uitging.

30Jullie worden als een terebint

waarvan het blad verwelkt,

als een tuin zonder water.

31Verworven schatten1:31 Verworven schatten – Voorgestelde lezing ondersteund door een Qumran-handschrift. MT: ‘De sterke’. worden tot kaf

en wie ze vergaarde tot een vonk;

samen zullen ze branden en niemand dooft het vuur.

2

De dag van de HEER

21

2:1-4
Micha 4:1-3
Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem.

2

2:2-3
Zach. 8:20-22
Eens zal de dag komen dat de berg

met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,

verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.

Alle volken zullen daar samenstromen,

3

2:3
Luc. 24:47-48
machtige naties zullen zeggen:

‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,

naar de tempel van Jakobs God.

Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,

en wij zullen zijn paden bewandelen.’

Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,

vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

4

2:4
Hos. 2:20
Joël 4:10
Zach. 9:9-10
Hij zal rechtspreken tussen de volken,

over machtige naties een oordeel vellen.

Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,

geen mens zal meer weten wat oorlog is.

5Nakomelingen van Jakob, kom mee,

laten wij leven in het licht van de HEER.

6U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten.

Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten,

net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij,

ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt.

7

2:7
Deut. 17:16-17
Ze vulden hun land met zilver en goud,

hoe meer schatten, hoe beter.

Ze vulden hun stallen met paarden,

hoe meer wagens, hoe beter.

8Ze vulden hun huizen met afgoden,

vereerden wat zij zelf hadden gemaakt,

goden die ze vormden met hun eigen handen.

9Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze.

Nee, vergeef het hun niet!

10

2:10
Op. 6:15
Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond,

vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit.

11

2:11
Jes. 5:15
Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer,

wie trots was, buigt het hoofd.

Want de dag komt

dat alleen de HEER hoog verheven is.

12Op die dag zal de HEER van de hemelse machten

zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,

tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –,

13tegen alle ceders van de Libanon

die zich zo trots verheffen,

tegen de eiken van Basan,

14tegen de bergen met hun trotse hoogte

en de heuvels die zich hoog verheffen,

15tegen iedere hoge toren,

tegen elke machtige muur,

16tegen alle trotse handelsschepen,

schepen met kostbare lading.

17Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd,

wie trots was, bijt in het stof.

Want de dag komt

dat alleen de HEER hoog verheven is.

18

2:18
Jer. 10:11
Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen.

19Men schuilt weg in rotsspelonken,

in holen in de grond,

op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit,

wanneer zijn komst de aarde schokt.

20

2:20
Jes. 31:7
Op die dag zullen de mensen de afgoden,

gesmeed van hun zilver en goud,

gemaakt om te vereren,

prijsgeven aan ratten en vleermuizen.

21Ze zullen wegschuilen in rotsholen,

in kloven en bergspleten,

op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,

voor zijn geduchte majesteit,

wanneer zijn komst de aarde schokt.

22

2:22
Gen. 2:7
Job 34:14-15
Schenk de mens niet langer aandacht.

Wat is hij zonder adem in zijn neus?

Wat heeft hij te betekenen?