Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

Israëls boetelied en Gods antwoord

61‘Kom, laten wij teruggaan naar de HEER!

Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen;

de hand die sloeg, zal ons verbinden.

2Hij redt ons na twee dagen van de dood,

de derde dag doet hij ons opstaan:

in zijn nabijheid zullen wij leven.

3

6:3
Deut. 11:14
Ps. 72:6
Dan zullen wij hem kennen,

ernaar jagen om de HEER te kennen.

Even zeker als de dageraad zal hij komen,

hij komt naar ons als milde regen,

als de lenteregen die de aarde drenkt.’

4

6:4
Hos. 13:3
Wat moet ik met je beginnen, Efraïm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ’s morgens vroeg verdwijnt. 5
6:5
Jer. 1:10
5:14
Hos. 12:11
Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door.6:5 zo brak het volle licht van mijn recht door – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘uw recht, licht komt tevoorschijn’. 6
6:6
Mat. 9:13
12:7
Marc. 12:33
Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. 7
6:7
Hos. 8:1
Maar zij hebben het verbond met mij geschonden, zoals eens in de stad Adam:6:7 zoals eens in de stad Adam – Ook mogelijk is de vertaling: ‘zoals eens Adam’. daar waren ze mij al ontrouw. 8Gilead is een broeinest van misdadigers, een stad vol bloedsporen. 9De priesters liggen als een bende rovers op de loer, plegen moorden op de weg naar Sichem. Gruwelijk is het wat ze doen! 10Bij het volk van Israël heb ik afschuwelijke dingen gezien: Efraïm is overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 11Ook jij, Juda, zult oogsten wat je hebt gezaaid.

Steeds wanneer ik het lot van mijn volk ten goede keer,

7

71steeds wanneer ik Israël genees, komen Efraïms slechtheid en Samaria’s zonden aan het licht. Altijd maar bedriegen! Dieven dringen de huizen binnen, buiten plunderen roversbenden. 2

7:2
Ps. 90:8
Het komt niet bij hen op dat ik al hun zonden onthoud; hun daden zullen hun opbreken, want ik zie ze voor mijn ogen gebeuren. 3Met hun zonden doen ze de koning een plezier, met hun leugens vermaken ze de leiders.

4Ze zijn allemaal even trouweloos. Hun hartstocht lijkt op een oven die door een bakker zo hoog is opgestookt, dat hij er niet meer naar hoeft om te zien terwijl hij het deeg kneedt en het laat rijzen. 5Op de feestdag van onze koning verhitten ze de leiders met wijn tot die er ziek van worden, en intussen schudt de koning die verraders de hand! 6Ze loeren, ze spannen samen, hun hart is als een oven: de hele nacht smeult het vuur, om ’s morgens vlammend op te laaien. 7In het vuur van hun woede verteren ze hun vorsten. Hun koningen komen allemaal ten val. Maar niemand van hen roept tot mij.

8Efraïm heeft zich met andere volken vermengd; hij is een misbaksel geworden. 9

7:9
Op. 3:17
Vreemdelingen hebben zijn krachten verteerd, maar hij beseft het niet; zijn haar is grijs geworden, maar hij beseft het niet. 10
7:10
Amos 4:6-11
Hoewel de hoogmoed van de Israëlieten tegen hen getuigde, zijn ze niet naar de HEER, hun God, teruggekeerd; ondanks alles hebben ze zich niet tot hem gewend. 11Efraïm is als een duif, onnozel en zonder verstand: Egypte roepen ze te hulp, bij Assyrië zoeken ze hun toevlucht. 12Maar als ze nog eens op weg gaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden; ik haal ze neer, als vogels uit de lucht. Ik zal hen straffen zoals ik hun heb aangekondigd.7:12 zoals ik hun heb aangekondigd – Ook mogelijk is de vertaling: ‘zodra ik hun zwerm hoor’.

13Onheil kome over hen, want ze hebben mij in de steek gelaten! Verderf over hen, want ze zijn tegen mij in opstand gekomen! Hoe kan ik hen bevrijden als ze mij in een kwaad daglicht stellen? 14Ze roepen niet eerlijk en oprecht tot mij, maar liggen te jammeren op hun bed. Ze kerven hun lichaam voor hun goden, smekend om koren en wijn,7:14 Ze kerven hun lichaam voor hun goden, smekend om koren en wijn – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT: ‘Ze verblijven als vreemdeling voor koren en wijn’. en zo keren ze zich tegen mij. 15Ik was het die hun een goede leerschool gaf, ik heb hen sterk gemaakt, en juist tegen mij beramen ze kwaad. 16

7:16
Ps. 78:57
Naar mij, de Allerhoogste, keren ze niet terug; ze zijn als een boog zonder spankracht. Hun leiders zullen vallen door het zwaard, als straf voor hun onbeschaamde taal. Dan wordt in Egypte de spot met hen gedreven.

8

Wie wind zaait zal storm oogsten

81

8:1
Hos. 6:7
Zet de ramshoorn aan je mond! Gieren cirkelen boven het volk van de HEER, want het heeft het verbond met mij geschonden en is in opstand gekomen tegen mijn wet. 2
8:2
Jer. 14:8-9
Hos. 6:1-3
Hoor ze roepen: ‘O God, u bent toch de onze? Wij zijn uw Israël!’ 3Maar de Israëlieten wijzen af wat goed is, en daarom zal de vijand hen achtervolgen.

4Ze hebben een koning aangesteld, maar buiten mij om, leiders gekozen zonder mij erin te kennen. Van hun zilver en goud hebben ze godenbeelden gemaakt, maar voor niets. 5

8:5
1 Kon. 12:28,32
Want je stierkalf wijst je af, Samaria! Ook ik ben woedend op je: zul je dan nooit tot zuiverheid in staat zijn? 6Dat kalf komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een ambachtsman, een god is het niet! Nee, het kalf van Samaria zal verpulverd worden. 7
8:7
Job 4:8
Spr. 22:8
Hos. 10:13
Gal. 6:7
Want wie wind zaait zal storm oogsten. Het zaad brengt geen koren voort, en als het al vrucht draagt dan geeft het geen meel, en als het al meel geeft dan wordt het door vreemden verslonden.

8Israël wordt verslonden; door de andere volken wordt het beschouwd als een gebroken kruik waar niemand meer naar omkijkt, 9omdat het zich vergooid heeft aan Assyrië. Een wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar het volk van Efraïm loopt met zijn liefde te koop. 10Maar ook al zouden ze van de andere volken slechts liefde ontvangen, voor mij is nu de maat vol. Ze krimpen al ineen onder de druk van de machtige koning van Assyrië.

11Hoeveel altaren heeft Efraïm niet gebouwd – maar om te zondigen! Altaren die dienen om te zondigen! 12Al schrijf ik mijn wetten in tienduizendvoud, ze zijn voor hen als van een vreemde. 13

8:13
Deut. 28:68
Hos. 6:6
9:9
11:5
Ze brengen mij offers om zelf het vlees te eten; voor mij heeft dat geen waarde. Nu zal ik hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen: ze gaan terug naar Egypte! 14
8:14
Deut. 32:15,18
Amos 2:5
Israël is zijn maker vergeten; Israël heeft paleizen gebouwd en Juda talrijke vestingsteden. Daarom zal ik hun steden in vlammen doen opgaan; vuur zal hun burchten verteren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]