Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11Profetie; visioen van de profeet Habakuk.

2

1:2
Job 19:7
Ps. 18:42
Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen

en luistert u niet,

moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen

en brengt u geen redding?

3

1:3
Jer. 9:2-5
Waarom toont u mij dit onheil

en ziet u zelf de ellende aan?

Ik zie slechts verwoesting en geweld,

opkomende twist en groeiende tweedracht.

4

1:4
Jes. 59:14
Micha 7:2-3
De wet wordt ondermijnd,

het recht krijgt niet langer zijn loop,

de wettelozen verdringen de rechtvaardigen,

het recht wordt verdraaid.

5

1:5
Hand. 13:41
Kijk naar de volken, let goed op,

jullie zullen verbaasd zijn en verbijsterd!

Er gebeurt iets, nog tijdens jullie leven,

iets zo uitzonderlijks

dat je het niet zult geloven

als het je wordt verteld.

6

1:6
2 Kon. 24:2
Ik laat de Chaldeeën komen,

dat grimmige, onstuimige volk,

dat de hele aarde doorkruist

om andermans woonplaatsen te bezetten.

7Geducht en gevreesd is het,

het stelt zijn eigen wet,

vertrouwt op eigen macht.

8

1:8
Sef. 3:3
Sneller dan panters zijn hun paarden,

feller dan wolven in de avond.

Hun ruiters komen aangestormd,

van verre vliegen ze aan,

als arenden duiken ze op hun prooi.

9Dat hele volk komt aangestormd,

met geweld rukt het op;

onstuitbaar als de oostenwind

maakt het gevangenen, als zandkorrels zo veel.

10Met koningen drijft het de spot,

met aanvoerders speelt het een spel,

om vestingen lacht het:

het werpt wat aarde op en neemt ze in.

11

1:11
Jes. 10:13
Dan trekt de wind verder en waait voorbij.

Boeten zal hij die van zijn kracht zijn god maakt.

12Bent u, HEER, niet altijd mijn God, mijn Heilige geweest?

Wij zullen toch niet sterven?

Om het vonnis te voltrekken, HEER,

hebt u de Chaldeeër opgeroepen,

u hebt hem ertoe bestemd, o Rots,

om ons te straffen.

13

1:13
Ps. 5:5-6
35:22-23
Uw ogen zijn te zuiver om het kwaad te kunnen aanzien,

de ellende te kunnen verdragen.

Waarom dan verdraagt u deze trouwelozen,

zwijgt u, nu de wetteloze verslindt

wie rechtvaardiger is dan hij?

14

1:14-15
Jer. 16:16
Als vissen in de zee maakt u de mensen,

als kruipende dieren zonder leider.

15

1:15
Ezech. 12:13
17:20
29:4-6
32:3
De Chaldeeër slaat ze allemaal aan de haak,

sleept ze mee in zijn net, verzamelt ze in zijn fuik.

Daarom is hij blij en vrolijk,

16brengt hij offers aan zijn net,

brandt hij wierook voor zijn fuik,

alles voor een vette buit, een overvloedig maal.

17Mag hij maar doorgaan zijn netten te legen,

meedogenloos volken blijven vermoorden?

2

21Ik ga nu op mijn wachtpost staan,

betrek mijn post op het bolwerk,

kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen,

wat hij mij antwoordt op mijn verwijt.

2

2:2
Jes. 8:1
Jer. 30:2
Op. 1:19
Dit was het antwoord van de HEER.

Schrijf dit visioen op,

grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is.

3Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is,

het getuigt ervan, het liegt niet.

Ook al is het nog niet vervuld,

wacht maar, het komt zeker,

het zal niet uitblijven.

4

2:4
Rom. 1:17
Gal. 3:11
Hebr. 10:38
Wie niet oprecht is kwijnt weg,

maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.

5

2:5
Spr. 27:20
Jes. 5:14
Zo bedrieglijk als de wijn is,

zo hoogmoedig is deze man,

maar hij zal zijn doel niet bereiken.

Net als het dodenrijk spert hij zijn keelgat open,

net als de dood raakt ook hij niet verzadigd.

Hij verzamelt alle volken om zich heen,

haalt alle naties naar zich toe.

6

2:6
Jes. 14:4
Iedereen zal spreuken op hem toepassen, spotliederen en raadsels.

Ze zullen zeggen:

‘Wee hem die zich verrijkt met andermans goed

en zo een steeds zwaardere schuld op zich laadt.

Hoe lang gaat hij daar nog mee door?’

7Denk je niet dat je schuldeisers plotseling zullen opstaan,

dat je bedreigers wakker zullen worden?

Dan word jij hun prooi!

8

2:8
Hab. 2:17
Je hebt vele volken geplunderd,

andere volken zullen jou plunderen.

Je hebt bloed vergoten,

je hebt gewelddaden begaan

tegen het land, de stad en haar bewoners.

9

2:9
Jer. 22:13-17
49:16
Ob. 4
‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis,

zijn nest in de hoogte bouwt,

om zo uit de greep van het onheil te blijven.’

10

2:10
Hab. 1:17
Wat je van plan bent is je huis tot schande,

door vele volken te vernietigen verspeel je je leven.

11Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur,

en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte.

12

2:12
Micha 3:10
‘Wee hem die een stad bouwt op bloed

en een vesting op onrecht.’

13

2:13
Jer. 51:58
Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten:

volken zwoegen voor een verslindend vuur,

landen matten zich af voor niets?

14

2:14
Jes. 11:9
Maar zoals de zee vol water is,

zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn.

15‘Wee hem die iemand te drinken geeft

en daar gif aan toevoegt,

die iemand dronken voert om hem naakt te zien.’

16

2:16
Klaagl. 4:21
Vol van schande ben je, zonder eer;

ook jij zult moeten drinken en je voorhuid laten zien.

De rechterhand van de HEER reikt je de beker aan,

schande over je eer!

17

2:17
Hab. 2:8
Het geweld tegen de Libanon zal je achtervolgen,

de slachting onder de dieren zal je verbijsteren,2:17 zal je verbijsteren – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘zal hen verbijsteren’.

net als het bloed dat je vergoten hebt

en de gewelddaden die je hebt begaan

tegen het land, de stad en haar bewoners.

18Wat heb je aan een godenbeeld,

gebeeldhouwd door zijn maker?

Aan een gegoten beeld dat leugens verkondigt?

Wie vertrouwt zich nu toe aan wat hij zelf heeft gemaakt?

Wat hij maakt zijn stomme afgoden!

19‘Wee hem die tegen een stuk hout zegt: “Word wakker!”

en tegen een stomme steen: “Sta op!”’

Zal dat beeld iets verkondigen?

Het is wel gevat in goud en zilver,

maar er zit geen leven in.

20

2:20
Ps. 11:4
Sef. 1:7
Zach. 2:17
De HEER troont in zijn heilig paleis.

Aarde, wees stil voor hem!

3

31Gebed van de profeet Habakuk. Als een klaaglied.

2HEER, ik heb uw aankondiging gehoord.

Voor wat u gaat doen, HEER, heb ik ontzag.

Breng het in deze tijd tot stand,

maak het in deze tijd bekend,

maar toon uw mededogen

als het tumult losbarst.

3

3:3
Deut. 33:2
Recht. 5:4
Ps. 72:19
God komt uit Teman,

de Heilige komt uit de bergen van Paran. sela3:3 sela – De betekenis van deze Hebreeuwse term is onzeker. Vermoedelijk gaat het om een liturgische of muzikale aanwijzing.

Zijn glorie straalt aan de hemel,

de aarde is vol van zijn roem.

4Schittering is er als zonlicht,

stralen komen uit zijn hand,

waarin zijn kracht verborgen is.

5Voor hem uit gaat de pest,

de koorts volgt hem op de voet.

6

3:6
Ex. 15:14-16
Ps. 104:32
Hij staat en doet de aarde beven,

hij kijkt en de volken springen op.

De aloude bergen worden verbrijzeld,

de eeuwige heuvels zinken ineen,

hij gaat rond zoals in vroeger tijden.

7Ik zie hoe de tenten van Kusan zuchten onder het onheil,

hoe de tentdoeken van Midjan klapperen.

8HEER, is uw woede tegen rivieren,

is tegen de rivieren uw woede ontbrand,

en uw toorn tegen de zee,

dat u uitrijdt met uw paarden,

met uw zegewagens?

9U haalt uw boog tevoorschijn,

op uw bevel zoeven de pijlen, sela

met stromen van water splijt u de aarde.

10De bergen zien u en beven van angst,

een stortvloed van water kolkt voorbij.

De diepte verheft haar stem,

ze strekt haar handen omhoog.

11Nu uw pijlen flitsen en lichten,

nu uw lans schittert en bliksemt,

trekken zon en maan zich terug.

12Grimmig schrijdt u voort over de aarde,

volken vertrapt u in toorn.

13Om uw eigen volk te redden trekt u uit,

u komt tot redding van uw gezalfde.

Het dak van de wetteloze slaat u stuk,

u legt de fundamenten bloot tot de laatste steen. sela

14

3:14
Ps. 10:7-9
Met zijn eigen pijlen

doorboort u de aanvoerder van de krijgers.

Zij stormen aan om mij te breken,

het doet ze plezier om in het geniep

een arme stakker te verslinden.

15U rijdt over de zee met uw paarden,

door het schuim van grote wateren.

16

3:16
Jer. 4:19
Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen,

ik vernam het en mijn lippen trilden.

Mijn botten werden aangevreten,

ik stond te trillen op mijn benen,

wachtend op de dag van het onheil,

de dag dat u optrekt tegen het volk dat ons aanviel.

17Al zal de vijgenboom niet bloeien,

al zal de wijnstok niets voortbrengen,

al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,

al zal er geen koren op de akkers staan,

al zal er geen schaap meer in de kooien zijn

en geen rund meer binnen de omheining –

18

3:18
Luc. 1:47
toch zal ik juichen voor de HEER,

jubelen voor de God die mij redt.

19

3:19
2 Sam. 22:34
Ps. 18:34
God, de HEER, is mijn kracht,

hij maakt mijn voeten snel als hinden,

hij laat mij over mijn bergen gaan.

Voor de koorleider. Bij snarenspel.