Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Adams zonen

41De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken4:1 Kaïn [...] het leven geschonken – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Kaïn en het werkwoord qana, ‘het leven schenken aan’. aan een man!’ 2Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3

4:3-5
Hebr. 11:4
Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. 4
4:4
Ex. 34:19
Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, 5maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8
4:8
Mat. 23:35
Luc. 11:51
1 Joh. 3:12
Judas 11
Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’4:8 Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘Kaïn zei tegen zijn broer Abel.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9
4:9
Wijsh. 10:3
Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10
4:10
Hebr. 12:24
‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod,4:16 Nod – Nod kan worden vertaald als ‘dwaling’. een land ten oosten van Eden.

17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. Kaïn was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Henoch, naar zijn zoon. 18Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. 19Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden. 21Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. 22Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn heette Naäma. 23Lamech zei tegen zijn vrouwen:

‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg!

Vrouwen van Lamech, luister naar mij!

Wie mij verwondt, die sla ik dood,

zelfs wie mij maar een striem toebrengt.

24Kaïn wordt zevenmaal gewroken,

Lamech zevenenzeventigmaal.’

25Opnieuw had Adam gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Set, ‘want,’ zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven.’ 26Ook Set kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.

5

Van Adam tot Noach

51

5:1-32
1 Kron. 1:1-4
Dit is de lijst van Adams nakomelingen.

Toen God Adam schiep, de mens, maakte hij hem zo dat hij leek op God. 2

5:2
Gen. 1:27-28
Mat. 19:4
Marc. 10:6
Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en noemde hen mens toen zij werden geschapen.

3Toen Adam 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem leek, die zijn evenbeeld was. Hij noemde hem Set. 4Na de geboorte van Set duurde Adams leven nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 5In totaal leefde hij 930 jaar. Daarna stierf hij.

6Toen Set 105 jaar was, verwekte hij Enos. 7Na de geboorte van Enos leefde Set nog 807 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 8In totaal leefde hij 912 jaar. Daarna stierf hij.

9Toen Enos 90 jaar was, verwekte hij Kenan. 10Na de geboorte van Kenan leefde Enos nog 815 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 11In totaal leefde hij 905 jaar. Daarna stierf hij.

12Toen Kenan 70 jaar was, verwekte hij Mahalalel. 13Na de geboorte van Mahalalel leefde Kenan nog 840 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 14In totaal leefde hij 910 jaar. Daarna stierf hij.

15Toen Mahalalel 65 jaar was, verwekte hij Jered. 16Na de geboorte van Jered leefde Mahalalel nog 830 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 17In totaal leefde hij 895 jaar. Daarna stierf hij.

18Toen Jered 162 jaar was, verwekte hij Henoch. 19Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 20In totaal leefde hij 962 jaar. Daarna stierf hij.

21Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. 22Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in nauwe verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. 23In totaal leefde hij 365 jaar. 24

5:24
Hebr. 11:5
Judas 14
Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam.

25Toen Metuselach 187 jaar was, verwekte hij Lamech. 26Na de geboorte van Lamech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 27In totaal leefde hij 969 jaar. Daarna stierf hij.

28Toen Lamech 182 jaar was, verwekte hij een zoon 29die hij Noach noemde. ‘Deze zoon,’ zei hij, ‘zal ons troost geven5:29 Noach [...] troost geven – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Noach en het werkwoord nicham, ‘troost geven’. voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de HEER het akkerland heeft vervloekt.’ 30Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 31In totaal leefde hij 777 jaar. Daarna stierf hij.

32Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.

6

Vermenging van goden en mensen

61Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters. 2De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden. 3

6:3
Gen. 2:7
Sir. 17:2
Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven. 4
6:4
Num. 13:33
Sir. 16:7
Bar. 3:26
In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden uit het verre verleden.

Noach

5De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. 6

6:6
1 Sam. 15:11,35
Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. 7Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt. 8
6:8
1 Petr. 3:20
Alleen Noach vond bij de HEER genade.

9

6:9
Sir. 44:17
2 Petr. 2:5
Dit is de geschiedenis van Noach en zijn nakomelingen. Noach was een rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven leidde, in nauwe verbondenheid met God. 10Hij had drie zonen: Sem, Cham en Jafet.

11In Noachs tijd was de aarde in Gods ogen verdorven en vol onrecht. 12Toen God zag dat de aarde door en door slecht was, dat iedereen een verderfelijk leven leidde, 13zei hij tegen Noach: ‘Ik heb besloten een einde te maken aan het leven van alle mensen, want door hen is de aarde vol onrecht. Ik ga hen vernietigen, en de aarde erbij. 14Maak jij nu een ark van pijnboomhout. Maak daar verschillende ruimten in, en bestrijk hem vanbinnen en vanbuiten met pek. 15Maak hem driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. 16Je moet er een lichtopening in aanbrengen en aan de bovenkant één el openlaten; de ingang moet je in de zijkant maken. De ark moet een benedenverdieping krijgen en daarboven nog twee verdiepingen. 17Ik laat een grote vloed over de aarde komen, een watermassa die haar zal overspoelen, om alles onder de hemel waarin levensadem is te vernietigen; alles op aarde zal omkomen. 18

6:18
Gen. 9:9
Maar met jou zal ik een verbond sluiten. Jij moet de ark in gaan, samen met je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen. 19En van alle dieren moet je er twee in de ark brengen, om ervoor te zorgen dat die met jou in leven blijven. Een mannetje en een wijfje moeten het zijn. 20Van alle soorten vogels, van alle soorten vee en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, zullen er twee naar je toe komen; die zullen in leven blijven. 21Leg ook een voorraad aan van alles wat eetbaar is, zodat jullie allemaal te eten hebben.’ 22
6:22
Hebr. 11:7
Noach deed dit; hij deed alles zoals God het hem had opgedragen.