Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31

3:1-24
Rom. 5:12-21
3:1-6
1 Tim. 2:14
3:1
Op. 12:9
20:2
Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. 5‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden3:5 als goden – Ook mogelijk is de vertaling: ‘als God’. zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’

6De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. 7Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.

8

3:8
1 Kon. 19:12-13
Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ 12De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13
3:13
2 Kor. 11:3
‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’

14

3:14
Jes. 65:25
God, de HEER, zei tegen de slang:

‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,

het vee zal je voortaan mijden,

wilde dieren wenden zich af;

op je buik zul je kruipen

en stof zul je eten,

je hele leven lang.

15Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,

tussen jouw nageslacht en het hare,

zij verbrijzelen je kop,

jij bijt hen in de hiel.’

16Tegen de vrouw zei hij:

‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,

zwoegen zul je als je baart.

Je zult je man begeren,

en hij zal over je heersen.’

17

3:17
Hebr. 6:8
Tegen de mens zei hij:

‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,

gegeten van de boom die ik je had verboden.

Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,

zwoegen zul je om ervan te eten,

je hele leven lang.

18Dorens en distels zullen er groeien,

toch moet je van zijn gewassen leven.

19

3:19
Gen. 2:7
Ps. 90:3
104:29
Pred. 12:7
Wijsh. 15:8
Zweten zul je voor je brood,

totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:

stof ben je, tot stof keer je terug.’

20De mens noemde zijn vrouw Eva;3:20 Eva – Eva kan worden vertaald als ‘leven’. zij is de moeder van alle levenden geworden. 21God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.

22

3:22
Op. 22:2-3,14
Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

4

Adams zonen

41De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken4:1 Kaïn [...] het leven geschonken – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Kaïn en het werkwoord qana, ‘het leven schenken aan’. aan een man!’ 2Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3

4:3-5
Hebr. 11:4
Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. 4
4:4
Ex. 34:19
Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, 5maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8
4:8
Mat. 23:35
Luc. 11:51
1 Joh. 3:12
Judas 11
Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’4:8 Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘Kaïn zei tegen zijn broer Abel.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9
4:9
Wijsh. 10:3
Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10
4:10
Hebr. 12:24
‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod,4:16 Nod – Nod kan worden vertaald als ‘dwaling’. een land ten oosten van Eden.

17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. Kaïn was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Henoch, naar zijn zoon. 18Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. 19Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden. 21Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. 22Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn heette Naäma. 23Lamech zei tegen zijn vrouwen:

‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg!

Vrouwen van Lamech, luister naar mij!

Wie mij verwondt, die sla ik dood,

zelfs wie mij maar een striem toebrengt.

24Kaïn wordt zevenmaal gewroken,

Lamech zevenenzeventigmaal.’

25Opnieuw had Adam gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Set, ‘want,’ zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven.’ 26Ook Set kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.

5

Van Adam tot Noach

51

5:1-32
1 Kron. 1:1-4
Dit is de lijst van Adams nakomelingen.

Toen God Adam schiep, de mens, maakte hij hem zo dat hij leek op God. 2

5:2
Gen. 1:27-28
Mat. 19:4
Marc. 10:6
Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en noemde hen mens toen zij werden geschapen.

3Toen Adam 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem leek, die zijn evenbeeld was. Hij noemde hem Set. 4Na de geboorte van Set duurde Adams leven nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 5In totaal leefde hij 930 jaar. Daarna stierf hij.

6Toen Set 105 jaar was, verwekte hij Enos. 7Na de geboorte van Enos leefde Set nog 807 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 8In totaal leefde hij 912 jaar. Daarna stierf hij.

9Toen Enos 90 jaar was, verwekte hij Kenan. 10Na de geboorte van Kenan leefde Enos nog 815 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 11In totaal leefde hij 905 jaar. Daarna stierf hij.

12Toen Kenan 70 jaar was, verwekte hij Mahalalel. 13Na de geboorte van Mahalalel leefde Kenan nog 840 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 14In totaal leefde hij 910 jaar. Daarna stierf hij.

15Toen Mahalalel 65 jaar was, verwekte hij Jered. 16Na de geboorte van Jered leefde Mahalalel nog 830 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 17In totaal leefde hij 895 jaar. Daarna stierf hij.

18Toen Jered 162 jaar was, verwekte hij Henoch. 19Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 20In totaal leefde hij 962 jaar. Daarna stierf hij.

21Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. 22Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in nauwe verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. 23In totaal leefde hij 365 jaar. 24

5:24
Hebr. 11:5
Judas 14
Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam.

25Toen Metuselach 187 jaar was, verwekte hij Lamech. 26Na de geboorte van Lamech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 27In totaal leefde hij 969 jaar. Daarna stierf hij.

28Toen Lamech 182 jaar was, verwekte hij een zoon 29die hij Noach noemde. ‘Deze zoon,’ zei hij, ‘zal ons troost geven5:29 Noach [...] troost geven – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Noach en het werkwoord nicham, ‘troost geven’. voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de HEER het akkerland heeft vervloekt.’ 30Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 31In totaal leefde hij 777 jaar. Daarna stierf hij.

32Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.