Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Het geloof en de wet

31Galaten, u hebt uw verstand verloren! Wie heeft u in zijn ban gekregen? Ik heb u Jezus Christus toch openlijk en duidelijk als de gekruisigde bekendgemaakt? 2Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven? 3Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest? 4Is alles wat u hebt meegemaakt dan voor niets geweest? Dat kan toch niet! 5Geeft God u de Geest en goddelijke krachten omdat u de wet naleeft? Of geeft hij ze omdat u naar hem luistert en op hem vertrouwt?

6

3:6
Gen. 15:6
Rom. 4:3
Jak. 2:23
Van Abraham wordt gezegd: ‘Hij vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 7
3:7
Rom. 4:16
U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. 8
3:8
Gen. 12:3
Hand. 3:25
Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ 9En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend. 10
3:10
Deut. 27:26
Rom. 3:20
7:7
Jak. 2:10
Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het boek van de wet bepaalt.’ 11
3:11
Hab. 2:4
Rom. 1:17
Hebr. 10:38
Dat niemand door de wet voor God rechtvaardig wordt, is volkomen duidelijk, want er staat ook geschreven: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ 12
3:12
Lev. 18:5
Rom. 10:5
De wet daarentegen is niet gegrond op geloof, want er staat: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ 13
3:13
Deut. 21:23
Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.’ 14Zo zouden door hem alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen.

15Broeders en zusters, ik geef u het voorbeeld van een rechtsgeldig testament, een testament dat door een mens bekrachtigd is. Niemand kan zo’n testament ongeldig verklaren of er iets aan toevoegen. 16

3:16
Gen. 12:7
13:15
17:7
24:7
Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling. Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: ‘je nakomeling’ – en die nakomeling is Christus. 17
3:17
Ex. 12:40
Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar na de belofte werd gegeven, maakt het testament dat door God bekrachtigd is niet ongeldig. De wet kan de belofte nooit ontkrachten. 18
3:18
Rom. 4:14
Immers, als de erfenis afhankelijk van de wet zou zijn, zou ze niet afhankelijk zijn van de belofte, maar het is nu juist door zijn belofte dat God zijn genade aan Abraham heeft geschonken.

19

3:19
Hand. 7:38,53
Waarom dan toch de wet? De wet is later ingevoerd om ons bewust te maken van de zonde, in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte was gedaan nog komen moest. Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven. 20
3:20
Deut. 5:4
6:4
Rom. 3:30
Maar bemiddeling is niet nodig wanneer er maar één is die handelt, en God handelt alleen. 21Is de wet daarom in strijd met Gods belofte? Absoluut niet. Als de wet leven zou kunnen brengen, zou de wet ons ook rechtvaardig kunnen maken. 22
3:22
Rom. 3:9-20
11:32
Maar de Schrift heeft alles in de macht van de zonde gelegd, zodat de belofte kon worden gegeven op grond van geloof in Jezus Christus, aan wie op hem vertrouwen. 23Voordat dit geloof kwam, werden we door de wet bewaakt; we leefden in gevangenschap tot het geloof geopenbaard zou worden. 24
3:24
Gal. 2:16
Kortom, de wet hield toezicht op ons totdat Christus kwam, zodat we door ons vertrouwen op God als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 25Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht, 26
3:26
Joh. 1:12
Rom. 8:14-17
Gal. 4:5-7
want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. 27
3:27
Rom. 13:14
U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. 28
3:28
Rom. 1:16
10:12
1 Kor. 12:13
Kol. 3:11
Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. 29
3:29
Rom. 4:13
Gal. 3:7,14-18
En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.

4

41Ik bedoel dit: zolang een erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij reeds de eigenaar van de hele erfenis. 2Hij staat onder voogdij en toezicht tot het door zijn vader vastgestelde tijdstip is gekomen. 3Op dezelfde manier waren ook wij, toen we nog onmondig waren, onderworpen aan de machten van de wereld. 4Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, 5

4:5-7
Gal. 3:26
maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen zouden worden. 6
4:6-7
Rom. 8:15-17
En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn Zoon gegeven, die ‘Abba, Vader’ roept. 7U bent nu geen slaven meer, u bent kinderen van God en als zijn kinderen bent u erfgenamen, door de wil van God. 8
4:8
1 Kor. 12:2
1 Tes. 1:9
4:5
Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. 9Hoe is het dan toch mogelijk dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend bent, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt? 10
4:10
Kol. 2:16,20
U houdt u werkelijk aan vaste feestdagen, maanden, seizoenen en jaren? 11
4:11
Filip. 2:16
1 Tes. 3:5
Ik vrees dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest.

Vrijheid en slavernij

12

4:12
1 Kor. 4:16
11:1
Broeders en zusters, ik smeek u, wees zoals ik, want ik ben zoals u. U hebt mij nooit enig kwaad gedaan. 13Herinnert u zich niet de eerste keer dat ik u het evangelie heb verkondigd? Ik kwam bij u toen ik ziek was, 14
4:14
Mat. 10:40
en hoewel mijn ziekte u er alle aanleiding toe gaf, hebt u mij toch niet veracht of verstoten. U hebt mij in uw midden opgenomen als een engel van God, als Christus Jezus zelf. 15Toen prees u zich gelukkig. Wat is daar nu nog van over? Ik kan van u getuigen dat u zelfs uw ogen zou hebben uitgerukt om ze mij te geven. 16Ben ik dan nu ineens uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg? 17
4:17
Gal. 1:7
Die anderen doen alles voor u, maar hun bedoelingen zijn slecht: ze drijven een wig tussen u en mij, en dan moet u alles voor hén doen. 18Het is goed als u zich inspant, maar doe het dan ook voor de goede zaak, en doe het bovendien altijd, dus niet alleen wanneer ik bij u ben. 19
4:19
1 Kor. 4:14-15
1 Tes. 2:7-8
Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u. 20Hoe graag zou ik nu bij u willen zijn en op een andere toon met u spreken, want ik maak me zorgen over u.

21Vertelt u eens, u wilt u onderwerpen aan de wet, maar luistert u wel naar de wet? 22

4:22
Gen. 16:15
21:2
Er staat geschreven dat Abraham twee zonen had: een van zijn slavin en een van zijn vrijgeboren vrouw. 23
4:23
Gen. 17:16
Rom. 9:7-9
De zoon van de slavin dankte zijn geboorte aan de loop van de natuur, maar die van de vrijgeboren vrouw aan de belofte. 24-25Dit is een beeld: de vrouwen staan voor twee verbonden. Hagar staat voor het verbond van de berg Sinai in Arabia, dat slaven baart. Als beeld van dat verbond belichaamt Hagar het huidige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij leeft. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder, 27
4:27
Jes. 54:1
want er staat geschreven: ‘Wees verheugd, onvruchtbare vrouw, jij die niet baart. Jubel en juich, jij die geen weeën kent. Want zij die zonder man is, heeft meer kinderen dan zij die met een man is.’ 28En u, broeders en zusters, bent net als Isaak kinderen van de belofte. 29Maar zoals de zoon die krachtens de natuur geboren werd de zoon vervolgde die krachtens de Geest geboren werd, zo worden nu ook wij vervolgd. 30
4:30
Gen. 21:9-10
Maar wat zegt de Schrift? ‘Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de vrijgeboren vrouw mag niet de erfenis delen met de zoon van de slavin.’ 31Daarom dus, broeders en zusters, zijn wij geen kinderen van de slavin, maar van de vrijgeboren vrouw.

5

51

5:1
Joh. 8:36
Hand. 15:10
Gal. 2:4
Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen. 2Luister naar wat ik, Paulus, tegen u zeg: als u zich laat besnijden, zal Christus u niets baten. 3
5:3
Deut. 27:26
Rom. 2:25
Jak. 2:10
Ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden verplicht is om de wet volledig na te leven. 4Als u probeert door God als een rechtvaardige te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld. 5Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof als rechtvaardigen worden aangenomen. 6
5:6
1 Kor. 7:19
Gal. 6:15
In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.

7U was zo goed op weg, wie heeft u verhinderd de waarheid te blijven volgen? 8Niet hij die u geroepen heeft. 9

5:9
1 Kor. 5:6
Bedenk goed: Al een beetje desem maakt het hele deeg zuur. 10
5:10
Gal. 1:7
De Heer geeft mij de overtuiging dat u en ik het daar volledig over eens zijn. Maar degenen die u in verwarring brengen zullen worden gestraft, wie ze ook zijn. 11
5:11
1 Kor. 1:23
Gal. 6:12
En wat mijzelf betreft, broeders en zusters, als ik nog altijd de besnijdenis zou verkondigen, waarom word ik dan vervolgd? Dan zou het kruis toch zijn kracht verliezen en niet langer een struikelblok zijn? 12Ze moesten zich laten castreren, die onruststokers!

Leven door de Geest

13

5:13
Rom. 6:15
1 Petr. 2:16
Judas 4
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, 14
5:14
Lev. 19:18
Mat. 5:43
19:19
22:39
Rom. 13:8-10
Jak. 2:8
want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 15Maar wanneer u elkaar aanvliegt, pas dan maar op dat u niet door elkaar wordt verslonden. 16
5:16
Rom. 8:4
Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten. 17
5:17
Rom. 7:15-23
Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt. 18Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet. 19
5:19-21
1 Kor. 6:9-10
Het is bekend wat onze eigen wil allemaal teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, 20afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, 21afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God. 22
5:22
2 Kor. 6:6
1 Tim. 4:12
2 Petr. 1:5-7
Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, 23
5:23
1 Tim. 1:9
zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft. 24
5:24
Rom. 6:6
Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen. 25
5:25
Rom. 8:14
Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. 26Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwars zetten en elkaar geen kwaad hart toedragen.