Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Opdracht tot herbouw van de tempel

11

1:1-3
2 Kron. 36:22-23
1:1
Jer. 25:11-12
29:10
Zach. 1:12
In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken:

2

1:2
Jes. 44:28
45:1
‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. 3Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich met de hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de HEER weer op te bouwen, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. 4Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar zij zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.’

Terugkeer naar Jeruzalem

5

1:5
Hag. 1:14
De familiehoofden van de stammen Juda en Benjamin, de priesters en de Levieten, allen die God daartoe aanzette, maakten zich gereed om naar Jeruzalem te vertrekken en te beginnen met de bouw van de tempel van de HEER. 6
1:6
Ex. 3:22
11:2
12:35
Al hun buren ondersteunden hen met voorwerpen van zilver en goud, met goederen, vee en kostbare geschenken, nog afgezien van wat vrijwillig aangeboden werd. 7Koning Cyrus van Perzië gaf de voorwerpen vrij die uit de tempel van de HEER afkomstig waren en die Nebukadnessar uit Jeruzalem had meegenomen en in de tempel van zijn eigen god had neergezet. 8Hij vertrouwde de teruggave toe aan Mitredat, de schatmeester, die ze met een inventarislijst aan Sesbassar, de leider van Juda, overdroeg. 9Het betrof dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10dertig gouden bekers, vierhonderdtien zilveren bekers van verschillende soort en duizend andere voorwerpen, 11bij elkaar vijfduizend vierhonderd voorwerpen van zilver of goud. Dit alles liet Sesbassar meevoeren toen hij de ballingen uit Babylonië terugbracht naar Jeruzalem.

2

Lijst van teruggekeerde ballingen

21-2

2:1-70
Neh. 7:6-72
Hier volgt een lijst van inwoners van de provincie Juda die zijn teruggekeerd uit de ballingschap in Babylonië, waarheen zij eerder waren weggevoerd door koning Nebukadnessar. Zij zijn teruggekeerd met Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigwai, Rechum en Baäna, en vestigden zich in Jeruzalem en Juda, in hun eigen steden.

De aantallen:

Israëlitische mannen:

32172 afstammelingen van Paros

4372 afstammelingen van Sefatja

5775 afstammelingen van Arach

62812 afstammelingen van Pachat-Moab, en wel de nakomelingen van Jesua en Joab2:6 Jesua en Joab – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Jesua Joab’.

71254 afstammelingen van Elam

8945 afstammelingen van Zattu

9760 afstammelingen van Zakkai

10642 afstammelingen van Bani

11623 afstammelingen van Bebai

121222 afstammelingen van Azgad

13666 afstammelingen van Adonikam

142056 afstammelingen van Bigwai

15454 afstammelingen van Adin

1698 afstammelingen van Ater, en wel de nakomelingen van Chizkia

17323 afstammelingen van Besai

18112 afstammelingen van Jora

19223 afstammelingen van Chasum

2095 afstammelingen van Gibbar

21123 inwoners van Betlehem

2256 inwoners van Netofa

23128 inwoners van Anatot

2442 inwoners van Azmawet

25743 inwoners van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot

26621 inwoners van Rama en Geba

27122 inwoners van Michmas

28223 inwoners van Betel en Ai

2952 inwoners van Nebo

30156 afstammelingen van Magbis

311254 afstammelingen van een andere Elam

32320 afstammelingen van Charim

33725 inwoners van Lod, Chadid en Ono

34345 inwoners van Jericho

353630 inwoners van Senaä.

36Priesters:

973 afstammelingen van Jedaja, en wel het geslacht van Jesua

371052 afstammelingen van Immer

381247 afstammelingen van Paschur

391017 afstammelingen van Charim.

40Levieten:

74 afstammelingen van Jesua en Kadmiël, en wel de nakomelingen van Hodawja.

41Tempelzangers:

128 afstammelingen van Asaf.

42Poortwachters:

in totaal 139 afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai.

43Tempelknechten:

afstammelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot,

44Keros, Siaha, Padon,

45Lebana, Chagaba, Akkub,

46Chagab, Salmai, Chanan,

47Giddel, Gachar, Reaja,

48Resin, Nekoda, Gazzam,

49Uzza, Paseach, Besai,

50Asna, Meünim, Nefusim,

51Bakbuk, Chakufa, Charchur,

52Baslut, Mechida, Charsa,

53Barkos, Sisera, Temach,

54Nesiach en Chatifa.

55Afstammelingen van de slaven van Salomo:

afstammelingen van Sotai, Soferet, Peruda,

56Jaäla, Darkon, Giddel,

57Sefatja, Chattil, Pocheret-Hassebaïm en Ami,

58in totaal 392 tempelknechten en afstammelingen van de slaven van Salomo.

59-60Verder nog zij die kwamen uit Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addan en Immer, 652 afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. Zij konden echter niet aantonen dat de families waartoe zij behoorden Israëlitisch waren. 61Dat gold ook voor de priesterfamilies Chobaja, Hakkos en Barzillai (zij heetten zo sinds hun stamvader een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had). 62Zij zochten naar het schriftelijke bewijs dat ze in de geslachtsregisters waren ingeschreven, maar ze vonden het niet. Op grond daarvan werden ze onrein verklaard en van het priesterschap uitgesloten. 63
2:63
Ex. 28:30
Num. 27:21
Deut. 33:8
De landvoogd liet hun weten dat ze niet van de allerheiligste offergaven mochten eten totdat er een priester was die met behulp van de orakelstenen uitspraak kon doen.

64De hele gemeenschap telde in totaal 42.360 personen. 65Daarbij kwamen nog 7337 slaven en slavinnen, 200 zangers en zangeressen, 66736 paarden, 245 muildieren, 67435 kamelen en 6720 ezels.

68Toen zij aankwamen bij de tempel van de HEER in Jeruzalem, droeg een aantal familiehoofden een vrijwillige bijdrage af voor de herbouw ervan op de vroegere plaats. 69Zij brachten naar vermogen het volgende kapitaal bijeen: 61.000 gouden drachmen, 5000 zilveren minen en 100 priestergewaden.

70

2:70-3:1
Neh. 7:72-8:1
2:70
1 Kron. 9:2
Neh. 11:3
De priesters, de Levieten en een deel van het volk, de tempelzangers, de poortwachters en de tempelknechten vestigden zich in hun eigen steden, en alle andere Israëlieten in de overige steden.

3

Begin van de herbouw van de tempel

31Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. 2

3:2
Ex. 27:1-8
Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman. 3
3:3-5
Num. 28:1-29:39
Ondanks hun angst voor de bevolking van het land richtten ze het altaar op zijn oude fundamenten op en offerden aan de HEER. Ze droegen de brandoffers voor de morgen en de avond op, 4en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zo veel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. 5Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER. 6Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al waren de fundamenten van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd.

7

3:7
1 Kron. 22:4
De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren.

8In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun broeders – priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd – met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. 9Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten.

10

3:10
1 Kron. 25:1
Ezra 2:41
Terwijl de bouwers de fundamenten van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. 11
3:11
1 Kron. 16:34
Ps. 136:1
Jer. 33:11
Zij dankten en prezen de HEER, en ze zongen in beurtzang: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël.’ Heel het volk begon daarop luid te juichen en de HEER te prijzen omdat de fundamenten van de tempel van de HEER werden gelegd. 12
3:12
Hag. 2:3
Veel priesters, Levieten en familiehoofden, de ouderen die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid toen voor hun ogen de fundamenten van de tempel werden gelegd, maar vele anderen juichten en jubelden. 13Juichen en huilen waren niet meer te onderscheiden, het gejubel was zo sterk dat het tot op grote afstand te horen was.