Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

Israël getroffen door het zwaard

61De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen. 3

6:3
Lev. 26:30-31
Zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en de heuvels, tegen de rivierdalen en de valleien: Ik zal jullie treffen met het zwaard en jullie offerhoogten vernietigen. 4Jullie altaren zullen worden verwoest, je wierookaltaren verbrijzeld. Je bewoners zal ik voor de ogen van hun afgoden dood laten neervallen; 5
6:5
Jer. 8:1-2
ik zal hun lijken voor ze neergooien en hun beenderen rond de altaren verstrooien. 6
6:6
Jer. 10:14-15
Micha 1:7
Volk van Israël, overal waar jullie wonen zullen de steden tot ruïnes vervallen en de offerhoogten verlaten worden, zodat je altaren in puin komen te liggen en niet meer worden bezocht. Je afgodsbeelden zullen worden verbrijzeld en vernietigd, je wierookaltaren in stukken geslagen, alles wat je ooit maakte zal worden weggevaagd. 7Velen van jullie zullen omkomen, en je zult beseffen dat ik de HEER ben. 8Maar een aantal van jullie zal ik sparen, ze zullen ontkomen aan het zwaard wanneer jullie verstrooid worden onder vreemde volken in andere landen. 9
6:9
Lev. 26:40-41
Degenen die ontkomen, zullen aan mij denken wanneer ze wonen bij de volken waar ze in gevangenschap naartoe worden gevoerd. Ze zullen zich herinneren hoe diep ze mij krenkten toen hun overspelig hart mij verliet en hun ogen naar hun afgoden lonkten. Dan zullen ze van zichzelf walgen omdat ze zich zo gruwelijk hebben misdragen, 10en beseffen dat ik, de HEER, niet zonder reden heb gezegd dat ik hun deze rampspoed zou aandoen.

11

6:11
Ezech. 25:6
Dit zegt God, de HEER: Sla in woede je handen op elkaar, stamp met je voeten en roep ach en wee over het gruwelijke wangedrag van de Israëlieten; zij zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest. 12Wie ver weg is zal sterven aan de pest, wie dichtbij is zal sterven door het zwaard, en wie daaraan weet te ontkomen, zal sterven van de honger: zo zal ik mijn woede op hen koelen. 13Wanneer de doden rondom de altaren liggen, midden tussen de afgodsbeelden, op alle hoge heuvels en op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke schaduwrijke terebint, op elke plaats waar ze offers hebben gebracht om hun afgoden te behagen – dan zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben. 14Ik zal mijn hand tegen hen opheffen, ik zal van het land en van de plaatsen waar ze wonen een kale wildernis maken, nog verlatener dan de woestijn van Dibla. Dan zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.”’

7

Het einde komt

71De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, dit is wat God, de HEER, zegt over het land van Israël:

Het einde komt, het komt van alle kanten over je.

3Nu is voor jou het einde aangebroken,

ik zal mijn woede op je koelen, je straffen voor je daden,

je laten boeten voor je wangedrag.

4

7:4
Ezech. 5:11
Ik zal geen medelijden tonen, geen medelijden kennen,

je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je –

en jullie zullen weten dat ik de HEER ben.

5Dit zegt God, de HEER:

Er komt een ramp, een ramp als nooit tevoren,

6-7het einde komt, het nadert, het is daar,

het einde komt, de ondergang voor jullie die dit land bewonen.

De dag dat er paniek heerst is nabij,

de tijd dat de vreugdekreet verstomt op de bergen.

8Over jou stort ik mijn toorn uit, op jou koel ik mijn woede,

ik zal je straffen voor je daden, je laten boeten voor je wangedrag.

9Ik zal geen medelijden tonen, geen medelijden kennen,

je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je.

Jullie zullen weten dat ik, de HEER, het ben die jullie geselt.

10De dag is nabij, de ondergang nadert,

er bloeit een staf, zijn bloem heet hoogmoed.

11Het geweld groeit, het kwaad regeert.

Niets blijft er over van het volk,

niets van hun pracht, hun opschik7:11 hun pracht, hun opschik – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘hun getier, hun geraas’. of hun praal.

12Die tijd komt dichterbij, die dag nadert.

Laat de koper niet blij zijn, de handelaar niet treuren:

alle rijkdom in dit land wordt door mijn toorn getroffen.

13Al zouden beiden overleven,

de koopman ziet zijn koopwaar niet terug.

De profetie over dit land wordt niet herroepen,

wie schuldig is wordt niet gespaard!

14De krijgstrompet weerklinkt, de strijd wordt voorbereid,

maar niemand trekt ten strijde: mijn toorn verlamt dit rijke land.

15Buiten regeert het zwaard, binnen heersen pest en honger,

wie op het veld is zal sterven door het zwaard,

wie in de stad is wordt getroffen door de honger en de pest.

16Wie toch ontkomen, zijn als duiven uit het dal –

verdreven naar de bergen, kermend in hun schuld.

17

7:17
Ezech. 21:12
Het water loopt hun langs de benen, hun armen worden slap,

18

7:18
Amos 8:10
ze gaan gehuld in het zwart, ze sidderen en beven,

hun ogen zijn beschaamd, hun schedels kaalgeschoren.

19Hun zilver gooien ze op straat, hun goud ligt in het slijk,

als de toorn van de HEER hen treft, kan goud noch zilver hen redden.

Hun maag blijft leeg, de honger blijft hen kwellen,

goud en zilver brachten hen ten val.

20Ik laat hen gruwen van hun rijke schatten,

gruwen van de schatten die hun trots uitmaakten.

Ze hebben er afschuwelijke beelden van gemaakt!

21Barbaren zullen ze ontvreemden,

misdadigers ze roven en ontwijden.

22Ik keer mijn gelaat af van mijn volk,

en de plaats die mij het liefst is

wordt door rovers platgetreden en ontwijd.

23Leg de ketenen klaar!

Vol bloed is het land, de stad vol geweld!

24Wrede volken vallen aan,

ze dringen de huizen binnen.

Aan de hoogmoed van de machtigen maak ik een einde,

al wat hun heilig is, wordt ontwijd.

25Doodsangst overvalt hen, vrede is onvindbaar,

26

7:26
Klaagl. 2:9
Micha 3:6
slag volgt op slag, onheilstijding op onheilstijding.

Vergeefs vragen ze profeten om een openbaring,

priesters om onderricht, oudsten om raad.

27De koning gaat in rouw gekleed, de vorst toont zich ontzet,

en het volk staat verlamd van schrik.

Ze zullen boeten voor hun daden, ik zal hen straffen zoals ze verdienen.

Ze zullen weten dat ik de HEER ben!’

8

Visioen in de tempel van Jeruzalem

81

8:1
Ezech. 14:1
20:1
In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2
8:2
Ezech. 1:27
Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3
8:3
Ezech. 7:20
Toev.Dan. 3:36
Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afschuwelijke godenbeeld staat dat de woede van de HEER wekt. 4
8:4
Ezech. 1:28
Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang.8:5 en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang – Voorgestelde lezing. MT: ‘en zag daar buiten de altaarpoort bij de toegang het godenbeeld staan dat de woede van de HEER wekt’. 6‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’

7Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei hij. 10Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12

8:12
Ps. 10:11
Jes. 29:15
Ezech. 9:9
Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’

13‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei hij, 14en hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En nog gruwelijker dingen zal ik je laten zien!’

16Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen mij steeds opnieuw, zie hoe schaamteloos ze mij bespotten! 18Ik zal mijn woede op hen koelen: ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen, en al roepen ze nog zo hard om mij, ik zal niet naar hen luisteren.’