Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

321Op de eerste dag van de twaalfde maand in het twaalfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2

32:2
Ezech. 29:3-5
‘Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zing:

“Je waande je een leeuw onder de volken,

je was als een krokodil in de zeeën.

Water spoot uit je neusgaten,32:2 Water spoot uit je neusgaten – Voorgestelde lezing. MT: ‘Je sproeide met je stromen’.

met je poten maakte je het water troebel,

de waterstromen donker.”

3Dit zegt God, de HEER: Ik zal mijn vangnet over je uitspreiden; vele volken zullen samenstromen en je ophalen in mijn sleepnet. 4
32:4
Ezech. 31:12-16
Daarna gooi ik je neer op de grond, ik laat je achter in het open veld; alle vogels van de hemel strijken op je neer en de wilde dieren van heel de aarde doen zich aan je te goed. 5Je vlees laat ik achter op de bergen, en de dalen vul ik met je botten. 6De aarde zal ik doordrenken met het bloed dat van de bergen stroomt, de beddingen van de rivieren zullen ervan overlopen. 7
32:7
Jes. 13:10
Joël 3:4
Amos 8:9
Mat. 24:29
Marc. 13:24-25
Luc. 21:25
Op. 6:12-13
8:12
Als jouw licht gedoofd wordt, zal ik de hemel bedekken en de sterren verduisteren; wolken zullen voor de zon komen en het maanlicht zal niet langer schijnen. 8Alle lichten die boven je aan de hemel stralen zal ik verduisteren, het zal donker zijn in je land – zo spreekt God, de HEER.

9Vele volken zullen ontzet zijn als ik je gebroken volk onder vreemde volken verspreid en naar landen breng die jij niet kent. 10Vele volken zullen huiveren over je lot, en als ik mijn zwaard voor hun ogen heen en weer zwaai zullen hun koningen beven van angst om wat jou overkomt. Op de dag van je val zal iedereen onophoudelijk voor zijn leven vrezen. 11Want dit zegt God, de HEER:

Het zwaard van de koning van Babylonië zal je treffen!

12Je volk zal ik treffen met het zwaard van helden,

helden uit het wreedste volk ter wereld.

Zij zullen alles verwoesten waar Egypte trots op is:

het hele volk wordt uitgeroeid

13en langs de grote rivier

zal ik al het vee vernietigen;

geen voet zal het water nog troebel maken,

geen hoef maakt het ooit nog vuil.

14Daarna zal ik het water tot rust laten komen,

het zal stromen als olie –

spreekt God, de HEER.

15Als ik van Egypte een woestenij heb gemaakt,

als het land met heel zijn rijkdom is verwoest,

als ik allen die er wonen heb gedood,

dan zullen ze weten dat ik de HEER ben.

16Dit is een klaaglied, het zal worden gezongen, vrouwen van vreemde volken zullen het zingen, ze zullen het zingen over Egypte en alle Egyptenaren – zo spreekt God, de HEER.’

17

32:17-31
Jes. 14:9-11,15
Ezech. 31:16-18
Op de vijftiende dag van die maand, in het twaalfde jaar, richtte de HEER zich tot mij. Hij zei: 18‘Mensenkind, zing over het volk van Egypte, weeklaag met de vrouwen van machtige volken, en begeleid Egypte naar de onderwereld, naar hen die al in het graf zijn afgedaald.

19“Ben jij soms beter dan anderen?

Daal af, laat je neerleggen tussen de onbesnedenen.

20Je volk zal er liggen te midden van de gesneuvelden.”

Egypte is overgeleverd aan het zwaard. Sleep het weg met al zijn vazallen! 21In het dodenrijk zeggen de dapperste helden over de farao en zijn helpers: “Ze zijn afgedaald en nu liggen ze daar, de onbesnedenen, ze zijn gesneuveld.”

22Daar ligt het volk van Assyrië, hun graven omgeven de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. 23Zijn graf is te vinden in het diepst van de onderwereld, en zijn volk ligt rondom hem begraven – ooit zaaiden zij angst in het land van de levenden, nu zijn ze allen gesneuveld, gevallen door het zwaard.

24Daar ligt Elam, met heel het volk rondom het graf van de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. Als onbesnedenen zijn ze afgedaald naar de onderwereld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald. 25Te midden van de gesneuvelden hebben zij een rustplaats gekregen, de koning en heel zijn volk: hun graven bevinden zich rondom. Het zijn allemaal onbesnedenen die zijn gesneuveld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, en nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald, te midden van de gesneuvelden.

26

32:26
Ezech. 38:2-3
39:1
Daar ligt het volk van Mesech-Tubal, hun graven omgeven de koning. Het zijn allemaal onbesnedenen die gesneuveld zijn – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden. 27Ze liggen niet bij de helden uit het verre verleden32:27 uit het verre verleden – Volgens de Septuaginta. MT: ‘uit de onbesnedenen’. die met wapenrusting en al naar het dodenrijk zijn afgedaald. Ook zij zaaiden angst in het land van de levenden, en nu ligt hun zwaard onder hun hoofd en kleven hun zonden aan hun botten.

28Ook jij zult gebroken neerliggen te midden van de onbesnedenen, bij de gesneuvelden.

29Daar ligt Edom, met zijn koningen en vorsten, die, hoe sterk ze ook waren, naast de gesneuvelden zijn neergelegd. Nu liggen ze bij de onbesnedenen, bij hen die in het graf zijn afgedaald.

30En daar liggen alle heersers van het noorden, en alle Sidoniërs: ze zijn, hoe sterk en gevreesd ze ook waren, afgedaald naar de gesneuvelden. Ze zijn onteerd, ze liggen als onbesnedenen bij de gesneuvelden, en ze moeten nu hun schande dragen met hen die in het graf zijn afgedaald.

31Wanneer de farao hen ziet, zal dat hem troost geven voor het verlies van zijn hele volk. Ook de farao en heel zijn leger zullen sneuvelen – spreekt God, de HEER. 32Het land van de levenden heb ik vervuld met angst voor de farao, maar nu komt hij met zijn volk te liggen te midden van de onbesnedenen en de gesneuvelden – zo spreekt God, de HEER.’

33

Ieder mens naar zijn daden beoordeeld

331De HEER richtte zich tot mij: 2

33:2-9
Ezech. 3:16-21
‘Spreek, mensenkind, zeg tegen je volksgenoten: “Als ik het zwaard op een land afstuur, en het volk dat daar woont heeft iemand als wachter aangesteld, 3en die wachter ziet het zwaard op het land afkomen en blaast op de ramshoorn om het volk te waarschuwen, 4en als dan iemand het geluid van de ramshoorn hoort maar er zich niets van aantrekt, en het zwaard komt en doodt hem, dan heeft hij zijn dood aan zichzelf te wijten. 5Hij heeft het geluid van de ramshoorn wel gehoord maar zich er niet door laten waarschuwen, en dus heeft hij zelf de dood over zich afgeroepen. Had hij zich laten waarschuwen, dan had hij zijn leven gered. 6Wat de wachter betreft: als hij het zwaard ziet komen maar niet op de ramshoorn blaast om het volk te waarschuwen, en als het zwaard dan komt en iemand doodt, dan sterft die mens doordat hij zelf schuld heeft, maar de wachter zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen.”

7Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël. Als je mijn woorden hoort moet je hen namens mij waarschuwen. 8Als ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven, en jij zegt hem niet dat hij een andere weg moet inslaan, dan zal hij sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 9Maar als je hem gewaarschuwd hebt dat hij een andere weg moet inslaan en hij doet dat niet, dan sterft hij door zijn eigen schuld, maar jij zult het er levend afbrengen.

10

33:10-20
Ezech. 14:12-23
18:21-30
Mensenkind, zeg tegen het volk van Israël: “Jullie zeggen: ‘Onze misdaden en onze zonden worden ons aangerekend en wij gaan eraan te gronde – hoe kunnen we dan nog blijven leven?’” 11
33:11
Ezech. 18:32
Luc. 15:7,10
Zeg tegen hen: “Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft. Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om, want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?”

12

33:12
Ezech. 3:20
Mensenkind, zeg tegen je volksgenoten: “De rechtvaardigheid van een goed mens zal hem niet redden als hij een misdaad begaat, en de slechte daden van een slecht mens zullen hem niet ten val brengen als hij zich ervan afkeert. Een goed mens zal niet door zijn goede daden in leven blijven als hij een zonde begaat. 13Als ik tegen hem zeg dat hij in leven zal blijven en hij, vertrouwend op zijn rechtvaardigheid, begaat onrecht, dan zullen al zijn goede daden niet meer tellen, maar zal hij sterven door het onrecht dat hij begaan heeft. 14En als ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven, en hij verlaat de weg van de zonde, hij is mij trouw en doet het goede 15– hij geeft terug wat hij als onderpand heeft gekregen, hij vergoedt wat hij heeft gestolen, hij houdt zich aan de wetten die naar het leven leiden door geen onrecht meer te begaan –, dan zal hij leven en niet sterven. 16De zonden die hij begaan heeft zullen hem niet meer worden aangerekend; als hij mij trouw is en het goede doet, zal hij leven!” 17Je volksgenoten mogen dan zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig,” maar het is hún weg die onrechtvaardig is! 18Als een goed mens zijn rechtvaardige weg verlaat en kwaad doet, zal hij daardoor sterven; 19als een slecht mens zijn slechte weg verlaat, mij trouw is en het goede doet, dan zal hij daardoor leven. 20Jullie zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Volk van Israël, ik zal ieder van jullie oordelen naar de weg die hij gaat!’

Ezechiël niet langer stom

21

33:21-22
Ezech. 24:26-27
33:21
2 Kon. 25:3-10
Jer. 39:2-8
52:12-14
Op de vijfde dag van de tiende maand van het twaalfde jaar van onze ballingschap kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij me die zei: ‘De stad is gevallen!’ 22
33:22
Ezech. 3:26-27
De avond voor de komst van de vluchteling werd ik gegrepen door de hand van de HEER, en hij opende mijn mond toen de vluchteling ’s morgens bij mij kwam. Toen mijn mond geopend werd, was ik niet langer stom.

Het onheil komt

23De HEER richtte zich tot mij: 24

33:24
Ezech. 11:15
‘Mensenkind, de bewoners van de ruïnes in het land van Israël zeggen: “Abraham was maar alleen en toch kreeg hij heel het land in bezit; wij zijn met velen, dus is het land zeker aan ons gegeven en is het ons eigendom.” 25
33:25
Lev. 17:10-14
Antwoord hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie eten vlees waar het bloed nog in zit, jullie vereren je afgoden, jullie vergieten bloed – en jullie willen het land bezitten? 26
33:26
Lev. 18:20
Jullie vertrouwen op je zwaard, jullie begaan gruweldaden en onteren elkaars vrouwen – en jullie willen het land bezitten?” 27Dit moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Zo waar ik leef, wie nog in de ruïnes woont zal vallen door het zwaard, wie daarbuiten leeft geef ik als prooi aan de wilde dieren, en wie zich in holen en grotten verschuilt zal sterven aan de pest. 28Van jullie land maak ik een verlaten woestenij, er komt een einde aan zijn trotse kracht, en ook de bergen van Israël zullen een wildernis zijn waar niemand meer doorheen trekt. 29Wanneer ik vanwege al hun gruweldaden van het land een huiveringwekkende woestenij heb gemaakt, zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.”

30Wat jou aangaat, mensenkind: je volksgenoten praten allemaal over jou, bij de stadsmuur en bij de deuren van hun huizen zeggen ze tegen elkaar: “Kom, laten we gaan luisteren naar wat de HEER ons te zeggen heeft!” 31Ze komen in grote groepen naar je toe en nemen tegenover je plaats, ze luisteren naar je woorden maar handelen er niet naar. Ze hebben hun mond vol van de liefde, maar ze denken alleen aan hun eigen voordeel. 32En jij bent voor hen niet meer dan een zanger van liefdesliedjes, iemand met een mooie stem, iemand die goed kan spelen: ze horen wel wat je zegt, maar ze handelen er niet naar. 33

33:33
Ezech. 2:5
Maar als het onheil komt – en het komt! – zullen ze beseffen dat er in hun midden een profeet was.’

34

De slechte herders en de goede herder

341De HEER richtte zich tot mij: 2

34:2
Jes. 56:9-12
‘Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden? 3
34:3
1 Petr. 5:2-4
Jullie eten wel van hun kaas,34:3 kaas – Volgens de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘vet’. jullie gebruiken hun wol voor je kleren en jullie slachten de vette dieren, maar de schapen weiden, dat doen jullie niet. 4Zwakke dieren hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht – jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld. 5
34:5
Num. 27:17
1 Kon. 22:17
Zach. 10:2
Mat. 9:36
Marc. 6:34
Zonder herder raakten ze verstrooid, en werden ze door wilde dieren verslonden. Mijn schapen zijn verstrooid, 6ze dwalen rond in de bergen en hoog in de heuvels; over heel het aardoppervlak raken ze verstrooid, en er is niemand die naar ze omziet, niemand die naar ze op zoek gaat.

7Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 8Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen! 9Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 10Dit zegt God, de HEER: Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen; zij zullen ze niet meer mogen weiden. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten! 11Dit zegt God, de HEER: Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. 12

34:12
Joh. 10:11-13
Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken. 13Ik zal ze uit alle volken terughalen en uit alle landen bijeenbrengen, ik zal ze naar hun eigen land laten terugkeren. Op de bergen van Israël en bij de waterstromen zal ik ze weiden, overal in het land waar mensen wonen. 14
34:14
Ps. 23:1-2
Jes. 40:11
Ik zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden; op Israëls bergen zullen ze rusten op groen grasland en in een grazige weide. 15Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten – spreekt God, de HEER. 16
34:16
Luc. 15:4-7
Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken – maar de vette en sterke dieren zal ik doden. Ik zal ze weiden zoals het moet.

17

34:17
Mat. 25:32-33
Wat jullie betreft, mijn schapen, dit zegt God, de HEER: Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken. 18Is het jullie niet genoeg dat jullie op de beste weide grazen? En dat jullie vertrappen wat er van het gras nog over is? Dat jullie het heldere water opdrinken en de rest met jullie poten troebel maken? 19Mijn schapen moeten eten van wat jullie hebben vertrapt, en drinken van wat jullie met je poten troebel hebben gemaakt. 20Daarom – dit zegt God, de HEER, over jullie: Ik zal rechtspreken tussen de vette en de magere schapen. 21Jullie dringen alle zwakke dieren met je flank en schouder weg, jullie stoten ze met je horens om ze te verjagen, 22en daarom zal ik mijn schapen te hulp komen; ze zullen niet langer worden weggeroofd. Ik zal rechtspreken tussen de schapen.

23Ik zal een andere herder34:23 een andere herder – Volgens sommige handschriften van de Septuaginta. MT: ‘één herder’. over ze aanstellen, een die ze wél zal weiden: David, mijn dienaar. Hij zal ze weiden, hij zal hun herder zijn. 24

34:24
Ezech. 37:24
Ik, de HEER, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst. Ik, de HEER, heb gesproken. 25
34:25
Jer. 23:5-6
Hos. 2:20
Ik zal een vredesverbond met ze sluiten, ik zal het land vrij van wilde dieren maken, zodat ze zelfs in de woestijn veilig kunnen wonen en in de bossen onbezorgd kunnen slapen. 26Ik zal mijn schapen en het land rondom mijn heuvel zegenen, en ik zal de regen op gezette tijden doen neerdalen. Het zal regen zijn die zegen geeft. 27De bomen zullen vrucht dragen, de akkers zullen een goede opbrengst geven en zij zullen veilig leven in hun land. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben wanneer ik het juk breek waaronder ze gebukt gaan, en ze uit handen van hun onderdrukkers red. 28Ze zullen niet meer door andere volken worden geplunderd en niet meer worden verslonden door de wilde dieren, ze zullen veilig wonen en niemand zal ze nog opschrikken. 29Ik zal akkers voor ze aanleggen die geroemd zullen worden, in het hele land zal niemand meer van honger omkomen en ze zullen niet langer door andere volken worden vernederd. 30Ze zullen beseffen dat ik, de HEER, hun God, bij hen ben en dat zij, het volk van Israël, mijn volk zijn – spreekt God, de HEER. 31Jullie zijn mijn schapen, de schapen die ik weid; jullie zijn mensen en ik ben jullie God – zo spreekt God, de HEER.”’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]