Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

Ohola en Oholiba

231De HEER richtte zich tot mij: 2-4

23:2-4
Ezech. 20:7-8
‘Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. De oudste heette Ohola, haar zuster Oholiba. Al toen ze jong waren, waren ze ontrouw, in Egypte. Daar werden hun borsten betast en lieten ze zich, terwijl ze nog maagd waren, in hun tepels knijpen. Daarna werden ze de mijne, en ze baarden zonen en dochters. (Wat hun namen betreft: Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem.)

5Maar Ohola was mij ontrouw, ze hunkerde naar haar minnaars, de Assyriërs – strijders die 6zich kleedden in purper, ruiters te paard, gouverneurs en stadhouders, allemaal aantrekkelijke jongemannen. 7Ze pleegde overspel met heel de Assyrische elite, in haar verlangen naar hen maakte ze zich onrein met al hun afgoden. 8En ook haar overspel met de Egyptenaren zette ze weer voort. Die hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, haar toen ze nog maagd was in haar tepels geknepen en haar als hoer gebruikt. 9Daarom leverde ik haar uit aan haar minnaars, de Assyriërs naar wie zij had verlangd, 10en die scheurden haar de kleren van het lijf, die voerden haar zonen en dochters weg en doodden haarzelf met het zwaard. Haar straf werd een waarschuwing voor alle vrouwen.

11Haar zuster Oholiba zag dit alles en ging in haar wellust zelfs nog verder, ze dreef haar overspel nog verder dan haar zuster. 12Ook zij verlangde naar de Assyriërs, naar hun gouverneurs en stadhouders, hun schitterende krijgers, hun ruiters te paard, naar al die aantrekkelijke jongemannen. 13Ik zag hoe ook zij zich onrein maakte; de beide zusters gingen dezelfde weg. 14En Oholiba liet het niet bij dit overspel. Toen ze op een muur mannen getekend zag, in rode kleuren, Chaldeeën 15met een lendendoek om hun heupen en een wapperende tulband rond hun hoofd, mannen die er allemaal uitzagen als officieren, Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland – 16toen werd haar verlangen naar hen zo groot dat ze boden naar Chaldea zond. 17De Babyloniërs kwamen met haar de liefde bedrijven, en maakten haar onrein door haar als hoer te gebruiken. Zo werd ze onrein, en ze kreeg een afkeer van hen. 18Toen ze zich openlijk als een hoer gedroeg en zich naakt liet zien, kreeg ik een afkeer van haar, zoals ik ook van haar zuster een afkeer had gekregen. 19Ze dacht terug aan de dagen van haar jeugd, toen ze ontrouw was in Egypte, en bedreef nog meer overspel. 20Ze verlangde terug naar haar minnaars daar, die zo zwaargeschapen zijn als ezels en hun zaad lozen als hengsten.

21Jij, Oholiba, verviel weer in de schanddaden van je jeugd, toen ze in Egypte in je tepels knepen omdat je jonge borsten had. 22Daarom – dit zegt God, de HEER: Ik zet je minnaars, van wie je een afkeer hebt gekregen, tegen je op; ik laat ze overal vandaan naar je optrekken: 23de Babyloniërs en heel Chaldea, Pekod, Soa en Koa, en alle Assyriërs, al die aantrekkelijke jongemannen, gouverneurs en stadhouders, officieren en manschappen, al die mannen te paard. 24Ze komen uit alle volken, ze trekken tegen je op met hun strijdwagens, met hun grote en kleine schilden en hun helmen, ze vallen je van alle kanten aan. Ik zal hen een oordeel over je laten vellen; overeenkomstig hun recht zullen zij je vonnissen. 25Ik zal je mijn toorn laten voelen: zij zullen zich woedend op je storten en je neus en je oren afsnijden, en wat er van je over is valt ten prooi aan het zwaard. Ze zullen je zonen en dochters wegvoeren, en wat er dan nog van je over is wordt door het vuur verteerd. 26Ze zullen je de kleren van het lijf scheuren en je je prachtige sieraden afnemen. 27Dan zal ik een einde maken aan je schanddaden, en aan je ontrouw in Egypte, en je zult je minnaars niet meer naar de ogen zien en aan Egypte niet meer denken.

28Nu dan – zegt God, de HEER –, ik lever je uit aan de mannen die je haat en van wie je een afkeer hebt gekregen. 29Zij zullen jou haten, je alles afnemen wat je hebt vergaard en je helemaal naakt achterlaten; je schaamteloze naaktheid, je overspel en je schandelijk gedrag zullen voor iedereen zichtbaar zijn. 30Dit alles zal met je gebeuren omdat je met alle volken overspel bedreef, en je onrein hebt gemaakt met hun afgoden. 31Je bent de weg van je zuster gegaan; haar beker zal ik ook jou te drinken geven. 32

23:32
Jer. 25:15-18
Dit zegt God, de HEER:

De beker van je zuster zul je drinken,

de diepe en wijde beker;

een beker vol spot en hoon,

tot de rand gevuld.

33Dronkenschap en droefheid zul je drinken,

een beker van ontzetting en verbijstering –

dat is de beker van je zuster Samaria.

34Je zult hem drinken en leegslurpen,

je zult op zijn scherven bijten

en er je borsten mee openhalen.

Want zo heb ik gesproken – spreekt God, de HEER.

35Daarom – dit zegt God, de HEER –, omdat je mij vergeten bent en mij de rug hebt toegekeerd, daarom zul je nu de schande van je overspel dragen.’

36

23:36
Ezech. 20:4
22:2
De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga een oordeel vellen over Ohola en Oholiba! Laat hen beseffen welke gruweldaden ze hebben begaan. 37
23:37
Ezech. 16:20-21
Ze hebben overspel gepleegd en er kleeft bloed aan hun handen. Ze pleegden overspel met hun afgoden, ze hebben zelfs de kinderen die ze mij hadden gebaard, als voedsel aan hen aangeboden. 38Ze hebben daarmee mijn heiligdom verontreinigd, en ze hebben de sabbat niet in ere gehouden. 39
23:39
Lev. 19:30
Op de dag dat ze hun kinderen slachtten voor hun afgoden, zijn ze mijn heiligdom binnengegaan en hebben het ontwijd. Zo hebben ze zich gedragen, midden in mijn tempel. 40Ook hebben ze boden gezonden naar mannen in verre landen. En ze zijn gekomen, de mannen voor wie je je gebaad hebt, voor wie je je ogen hebt opgemaakt en voor wie je je met sieraden hebt behangen. 41Je bent gaan zitten op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor waarop mijn wierook en mijn olie stonden. 42Eromheen was het geluid te horen van een zorgeloze menigte: er waren Sabeeërs uit de woestijn en mannen van allerlei slag; jij en je zuster kregen armbanden om en een prachtige kroon op het hoofd. 43En ik dacht over deze door ontucht getekende vrouw: Nu plegen ze overspel met haar, en zij met hen. 44Ze bezochten haar zoals je een hoer bezoekt – zo gingen ze om met Ohola en ook met Oholiba, schaamteloze vrouwen. 45
23:45
Lev. 20:10
Deut. 22:21-22
Maar rechtvaardige mannen zullen hen vonnissen volgens het recht dat geldt voor echtbreeksters en vrouwen die bloed vergieten, want echtbreeksters zijn het, en er kleeft bloed aan hun handen.

46Dit zegt God, de HEER: Laat een menigte tegen hen optrekken, laat angst hen overweldigen en plundering hun deel worden. 47Die menigte zal hen stenigen, hen neerhakken met hun zwaarden, hun zonen en dochters doden en hun huizen in brand steken. 48Dan zal ik een einde maken aan de schande in het land, en alle vrouwen zullen gewaarschuwd zijn en jullie schandelijke gedrag niet navolgen. 49Jullie zullen boeten voor je schanddaden en voor je zondige afgodendienst, en dan zullen jullie beseffen dat ik God, de HEER, ben.’

24

De kookpot

241In het negende jaar, op de tiende dag van de tiende maand, richtte de HEER zich tot mij: 2

24:2
2 Kon. 25:1
Jer. 52:4
‘Mensenkind, schrijf op welke dag het is, de precieze datum, want vandaag is het de dag dat de koning van Babylonië het beleg voor Jeruzalem heeft geslagen. 3
24:3-14
Ezech. 11:3-12
Vertel dit opstandige volk een verhaal, zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Zet de kookpot op en giet er water in. 4Vul de pot met vlees, met schenkel en schouderstuk, met de mooiste stukken en de beste bouten. 5Neem het vetste dier uit de kudde, stapel hout24:5 hout – Voorgestelde lezing. MT: ‘de bouten’. op onder de pot, laat het water koken en zieden, laat de bouten sudderen.

6Daarom – dit zegt God, de HEER: Wee de bloedstad! Een pot met aangekoekt vuil is zij, een pot waar het vuil niet vanaf gaat; haal de stukken vlees er een voor een uit – er is geen lot op de stad gevallen. 7Het bloed dat ze vergoten heeft, is nog niet verdwenen. Op een kale rots blijft het liggen, ze heeft het niet laten weglopen over de aarde, waar het in de grond kan verdwijnen. 8Opdat mijn toorn kan opkomen, opdat ik het bloed kan wreken, heb ik het op de kale rots laten liggen, waar het niet kan worden toegedekt.

9Daarom – dit zegt God, de HEER: Wee de bloedstad! Ikzelf zal een groot vuur aanleggen. 10Zorg voor veel brandhout, steek het vuur aan, laat het vlees verbranden, het vocht verkoken en de botten verkolen. 11Laat de pot leeg op het vuur staan, zodat hij heet wordt en het koper gaat gloeien, om alle onreinheid in de pot te laten wegsmelten en het vuil te laten verdwijnen. 12Maar al die moeite zal vergeefs zijn: het vele vuil wil er niet af, het wordt door het vuur niet weggebrand. 13Jouw onreinheid is je schande; omdat je niet rein bent geworden toen ik je wilde reinigen, zul je van je onreinheid niet meer worden gezuiverd voordat ik mijn woede op je heb gekoeld. 14Ik, de HEER, heb gesproken, en zo zal het gebeuren, zo zal ik het doen. Ik zal je niet ontzien, ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen berouw krijgen. Naar je daden zul je worden beoordeeld. Zo spreekt God, de HEER.”’

Een plotselinge slag

15De HEER richtte zich tot mij: 16‘Door een plotselinge slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen of treuren, en je tranen niet laten vloeien. 17Klaag in stilte, rouw niet om de dode. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan; bedek je baard niet en eet niet van het brood dat de mensen je brengen.’

18Die ochtend sprak ik nog tegen het volk, en ’s avonds stierf mijn vrouw. De volgende morgen deed ik wat mij was opgedragen.

19Het volk vroeg mij: ‘Wilt u ons uitleggen waarom u zich zo gedraagt, en wat dat voor ons betekent?’ 20Ik antwoordde: ‘De HEER heeft zich tot mij gericht. Hij droeg me op 21

24:21
Klaagl. 2:7
tegen het volk van Israël te zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik ga mijn heiligdom ontwijden, de plaats waaraan jullie je trots en kracht ontlenen, jullie liefste bezit, de plaats waarnaar jullie hart verlangt. De zonen en dochters die jullie daar achtergelaten hebben, zullen vallen door het zwaard. 22Jullie zullen doen wat ik heb moeten doen: Jullie mogen je baard niet bedekken, en niet eten van het brood dat de mensen jullie brengen. 23Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan, rouw niet en treur niet. Jullie schuld wordt jullie ondergang, en jullie zullen bij elkaar je leed klagen. 24Zo zal Ezechiël voor jullie een teken zijn: zoals hij heeft gedaan, zo moeten jullie doen. Als het onheil komt, zullen jullie beseffen dat ik God, de HEER, ben.”’

25‘Mensenkind, op de dag dat ik hun vesting – hun stralende vreugde, hun liefste bezit, hun hartsverlangen – van hen wegneem, en ook hun zonen en dochters, 26op die dag zal er een overlevende bij je komen om je dat te berichten. 27

24:27
Ezech. 3:27
33:21
Op die dag zal je mond geopend worden, je zult weer kunnen spreken en niet langer stom zijn. Zo zul je voor het volk een teken zijn, en zij zullen weten dat ik de HEER ben.’

25

Profetie tegen de volken die Israël omringen

251

25:1-7
Jer. 49:1-6
Ezech. 21:33-37
Amos 1:13-15
De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de Ammonieten en profeteer tegen hen. 3Zeg tegen de Ammonieten: “Luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je vrolijk gemaakt toen mijn heiligdom werd ontwijd, toen het land van Israël werd verwoest en het volk van Juda in ballingschap ging. 4Daarom zal ik jullie land in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Zij zullen er hun tenten opslaan en er hun woonplaats van maken; zij zullen jullie vruchten eten en je melk drinken. 5Van Rabba maak ik een weideplaats voor hun kamelen, en hun schapen zullen zich op je land te ruste leggen. Zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.

6

25:6
Ezech. 6:11
Ook dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je handen op elkaar geslagen en met je voeten gestampt en vol minachting gelachen over het lot van Israël. 7Daarom zal ik mijn hand tegen jullie opheffen en je uitleveren aan vijandige volken. Ik zal jullie uit de kring van de volken verwijderen, jullie land zal niet langer bestaan. Ik zal jullie vernietigen; zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.”

8

25:8-11
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Jer. 48:1-47
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt God, de HEER: Moab – en ook Seïr – heeft gezegd dat het volk van Juda niet anders is dan alle andere volken. 9Daarom zal ik de steden op de berghellingen van Moab verwoesten, alle steden, tot de laatste toe. Ook de allermooiste zullen ten onder gaan: Bet-Hajjesimot, Baäl-Meon en Kirjataïm. 10Net als Ammon zal ik Moab in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Geen volk zal zich de Ammonieten ooit nog herinneren. 11Zo zal ik ook Moab straffen; ze zullen weten dat ik de HEER ben.

12

25:12-14
Jes. 34:5-17
63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
25:12
Ps. 137:7
Dit zegt God, de HEER: Edom heeft zich op het volk van Juda gewroken en zo een zeer zware schuld op zich geladen. 13Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen Edom opheffen. Ik zal er mens en dier uitroeien, ik zal het land verwoesten; van Teman tot Dedan zullen allen door het zwaard worden geveld. 14Door Israël, mijn volk, zal ik mij op Edom wreken: Israël zal Edom treffen met mijn woede en mijn toorn, en zo zal Edom mijn wraak leren kennen – spreekt God, de HEER.

15

25:15-17
Jes. 14:29-31
Jer. 47:1-7
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
Dit zegt God, de HEER: De Filistijnen zijn wraakzuchtig geweest, ze hebben zich vol minachting gewroken; gedreven door een eeuwigdurende haat hebben ze verwoestingen aangericht. 16Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen de Filistijnen opheffen. Ik zal die Kretenzers uitroeien, en wie er van hen in de kustvlakte nog in leven is, richt ik te gronde. 17Ik zal mij meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze weten dat ik de HEER ben.’