Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101

10:1-21
Ezech. 1:5-21
10:1
Op. 4:2
Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier. 2
10:2
Op. 8:5
De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4
10:4
Ex. 40:34-35
Ezech. 1:28
43:2-5
Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5
10:5
Ex. 19:19
Ps. 29:3
Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6Toen beval hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand.

9Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11Als ze bewogen, konden ze zonder te draaien alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12

10:12
Op. 4:8
De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor de wielen. 13Het waren de wielen die ik eerder ‘het raderwerk’ had horen noemen. 14
10:14
Op. 4:7
Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen.

18Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en kwam tot stilstand boven de cherubs. 19Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit.

11

111

11:1
Ezech. 8:16
De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3
11:3-14
Ezech. 24:3-14
Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4Daarom moet je tegen hen profeteren, mensenkind.’ 5Ik werd opnieuw door de geest van de HEER overweldigd, en hij droeg mij op te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, ik hoor wat jullie zeggen, ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7Daarom – zegt God, de HEER –, de mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal ik uit de stad verdrijven. 8Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal ik jullie treffen – spreekt God, de HEER. 9Ik zal jullie uit de stad verdrijven, ik zal vreemdelingen over je laten heersen, ik zal je straffen. 10Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal ik je straffen, en jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 11De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal ik je straffen. 12
11:12
Deut. 12:29-30
Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. Jullie hebben mijn geboden niet gehoorzaamd en je niet gehouden aan mijn voorschriften, maar geleefd zoals de volken om je heen.’ 13Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’

14Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15

11:15
Ezech. 33:24
‘Mensenkind, het zijn je eigen broeders en zusters, je verwanten en alle andere Israëlieten in ballingschap, tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16
11:16
Ezech. 36:19
Maar geef daarop dit antwoord: “Dit zegt God, de HEER: Al heb ik hen weggevoerd naar verre volken, al heb ik hen over vele landen verspreid en al kunnen ze mij in die landen niet in een tempel vereren, 17
11:17-19
Deut. 30:3-8
11:17
Ezech. 36:24-25
toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19
11:19-20
Ezech. 36:26-28
11:19
Ps. 51:12
Jer. 4:4
Ezech. 18:31
Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20
11:20
Lev. 26:12
Jer. 24:7
Ezech. 37:23,27
Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal ik laten boeten voor zijn wangedrag – zo spreekt God, de HEER.”’

22

11:22
Ezech. 1:28
De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23
11:23
Ezech. 43:2
De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien.

12

Een teken voor het opstandige volk

121De HEER richtte zich tot mij: 2

12:2
Jer. 5:21
Ezech. 2:5-7
Marc. 8:18
‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is. 3Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. 4Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ’s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. 5Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. 6Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’ 7Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek.

8De volgende morgen richtte de HEER zich tot mij: 9‘Mensenkind, hebben die opstandige Israëlieten je niet gevraagd wat je aan het doen was? 10Geef ze namens mij dit antwoord: “De last die ik op mijn schouders droeg, dat is de vorst in Jeruzalem, samen met alle Israëlieten die er wonen.12:10 die er wonen – Voorgestelde lezing. MT: ‘in hun midden’. 11Wat ik deed is voor jullie een teken: wat ik gedaan heb, zal ook met hen gebeuren. Dit zegt God, de HEER: Zij zullen als gevangenen in ballingschap gaan. 12Hun vorst zal ook een last op zijn schouders laden en naar buiten gaan als het helemaal donker is. Ze zullen een gat in de stadsmuur maken om hem door te laten, en hij zal zijn gezicht bedekken, want hij zal zijn land niet meer terugzien. 13

12:13
2 Kon. 25:7
Jer. 52:11
Ezech. 17:20
Ik zal mijn netten over hem uitspreiden en hem daarin vangen, en dan breng ik hem naar Babel in het land van de Chaldeeën. Daar zal hij sterven zonder dat land te kunnen zien. 14
12:14
Lev. 26:33
Zijn getrouwen, zijn lijfwacht en al zijn troepen zal ik in alle windrichtingen uiteendrijven en met getrokken zwaard achtervolgen. 15Wanneer ik hen verdrijf naar verre landen en verspreid onder vreemde volken, zullen ze beseffen dat ik de HEER ben. 16Enkelen zal ik sparen. Zij zullen aan het zwaard, de honger en de pest ontkomen, want ze moeten de volken waar ze terechtkomen vertellen over al hun gruwelijke daden. Dan zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.”’

17De HEER richtte zich tot mij: 18‘Mensenkind, als je brood eet moet je beven, als je water drinkt moet je sidderen van angst. 19Zeg dan tegen je landgenoten: “Dit zegt God, de HEER, over de inwoners van Jeruzalem die in Israël zijn achtergebleven: Ook zij zullen vol angst hun brood eten en in wanhoop hun water drinken, want door de misdaden van zijn bewoners wordt het land van zijn rijkdommen beroofd. 20De steden waar nu nog mensen wonen, zullen veranderen in ruïnes en het land wordt een woestenij. Dan zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben.”’

Ezechiël en de andere profeten

21De HEER richtte zich tot mij: 22‘Mensenkind, hoe luidt dat spreekwoord bij jullie in Israël? De dagen rijgen zich aaneen, en geen visioen komt uit? 23Zeg hun dit: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal zorgen dat dit spreekwoord verdwijnt; het zal in Israël niet meer worden gehoord. Nog even en elk visioen komt uit. 24Dan zullen er in heel Israël geen bedrieglijke visioenen meer worden gezien of valse voorspellingen worden gehoord. 25Mijn besluit staat vast! Wat ik, de HEER, zeg, zal gebeuren; het zal niet worden uitgesteld. Wat ik zeg zal ik nog tijdens jullie leven doen, opstandig volk! – zo spreekt God, de HEER.”’

26De HEER richtte zich tot mij: 27‘Je weet, mensenkind, wat het volk van Israël zegt: “De visioenen van die ziener betreffen de verre toekomst, zijn profetieën gaan over verre tijden.” 28

12:28
Jer. 1:12
Zeg daarom tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wat ik besloten heb, zal niet worden uitgesteld! Alles wat ik zeg, zal gebeuren! – zo spreekt God, de HEER.”’