Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
24

Verbondssluiting

241

24:1
Ex. 19:20
28:1
Num. 11:16
Mozes kreeg van de HEER deze opdracht: ‘Kom naar mij toe, de berg op, samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van Israëls oudsten, en kniel op eerbiedige afstand neer. 2Alleen jij, Mozes, mag in de nabijheid van de HEER komen, de anderen niet. Het volk mag jou niet volgen als je de berg op gaat.’

3

24:3
Joz. 24:16-24
Mozes maakte het volk bekend met alle geboden en regels die de HEER had gegeven, en het volk verklaarde eenstemmig dat het zich zou houden aan alles wat de HEER geboden had. 4
24:4
Ex. 34:27-28
Joz. 4:3-9,20-24
24:26-27
1 Kon. 18:31
Hierna schreef Mozes alles op wat de HEER had gezegd. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en richtte hij twaalf gedenkstenen op, voor elk van de twaalf stammen van Israël één. 5Hij droeg een aantal jonge Israëlieten op om de HEER brandoffers te brengen en stieren te slachten voor een vredeoffer. 6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, de andere helft goot hij tegen het altaar. 7Vervolgens nam hij het boek van het verbond en las dit aan het volk voor, en zij zeiden: ‘Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.’ 8
24:8
Mat. 26:28
Marc. 14:24
Luc. 22:20
1 Kor. 11:25
Hebr. 9:18-20
1 Petr. 1:2
Toen nam Mozes het bloed en besprenkelde daarmee het volk. ‘Met dit bloed,’ zei hij, ‘wordt het verbond bekrachtigd dat de HEER met u heeft gesloten door u al deze geboden te geven.’

9Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van het volk, 10en zij zagen de God van Israël. Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. 11Deze vooraanstaande Israëlieten werden niet door God gedood: zij zagen hem, en zij aten en dronken.

De stenen platen beloofd

12

24:12
Ex. 31:18
32:15
34:1,28
Deut. 4:13
5:22
9:9,15
10:1-5
De HEER zei tegen Mozes: ‘Kom naar mij toe, de berg op, en wacht daar; dan zal ik je de stenen platen geven waarop ik de wetten en geboden heb geschreven om het volk te onderrichten.’ 13
24:13
Num. 27:18
Samen met zijn dienaar Jozua ging Mozes de berg van God op. 14Tegen de oudsten zei hij: ‘Wacht hier tot wij terugkomen, Aäron en Chur blijven bij u. Mocht iemand een uitspraak in een geschil willen, dan kan hij zich tot hen wenden.’

15Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: 16

24:16
Ex. 19:9
de majesteit van de HEER rustte op de Sinai. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. 17
24:17
Deut. 4:33,36
En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, 18ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg.

25

Opdracht tot het maken van een heiligdom

251

25:1-9
Ex. 35:4-9
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst. 3Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper, 4blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar, 5rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, 6lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, 7onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas. 8De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen. 9
25:9
Ex. 26:30
27:8
Num. 8:4
Hebr. 9:1-10
Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan.

De ark

10

25:10-22
Ex. 37:1-9
Laat van acaciahout een ark maken, een kist van twee-en-een-halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. 11Overtrek die met zuiver goud, zowel vanbinnen als vanbuiten; aan de bovenkant moet je rondom een gouden sierlijst aanbrengen. 12Giet vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier poten: twee ringen aan elke kant van de ark. 13Maak draagbomen van acaciahout, verguld ze 14en steek ze door de ringen aan weerszijden; zo kan de ark gedragen worden. 15De draagbomen moeten in de ringen blijven, ze mogen er niet uit gehaald worden.

16

25:16
Ex. 24:12
Deut. 10:1-2
In de ark moet je de verbondstekst leggen die ik je zal geven. 17Je moet ook een verzoeningsplaat maken van zuiver goud, twee-en-een-halve el lang en anderhalve el breed. 18-19Maak aan de beide uiteinden daarvan een cherub, eveneens van goud, één aan het ene uiteinde en één aan het andere uiteinde. Het moet drijfwerk zijn, de twee cherubs moeten één geheel met de plaat vormen. 20Ze moeten tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels moeten gespreid zijn zodat ze zich daar beschermend over uitstrekken. 21
25:21
Ex. 26:34
Leg de verzoeningsplaat op de ark; leg de verbondstekst die ik je zal geven in de ark. 22
25:22
2 Kon. 19:15
Daar zal ik je ontmoeten, en vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de ark met de verbondstekst, zal ik met je spreken en je alles zeggen wat ik van de Israëlieten verlang.

De tafel

23

25:23-30
Ex. 37:10-16
Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, één el breed en anderhalve el hoog. 24Overtrek hem met zuiver goud en breng rondom een gouden sierlijst aan: 25een rand van een hand breed, in een gouden lijst gevat. 26Maak vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier hoeken, bij de poten. 27De ringen moeten vlak onder de rand zitten; ze zijn bestemd voor de draagbomen waarmee de tafel gedragen wordt. 28De draagbomen voor de tafel moet je van acaciahout maken en je moet ze vergulden. 29Maak ook de bijbehorende schotels, schalen en kannen, en kommen voor de wijnoffers, allemaal van zuiver goud. 30
25:30
Lev. 24:5-8
Leg op de tafel het toonbrood; dat moet daar altijd voor mij liggen.

De lampenstandaard

31

25:31-40
Ex. 37:17-24
Lev. 24:2-4
Maak een lampenstandaard van zuiver goud. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moeten uit één stuk worden gedreven. 32De schacht moet zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. 33Deze armen moeten versierd worden met amandelbloesem; breng op elke arm drie kelken aan met een knop en bloemblaadjes, telkens op dezelfde manier. 34Ook de schacht moet versierd worden met amandelbloesem: vier kelken, elk met een knop en bloemblaadjes. 35Waar de armen uit de schacht komen, moeten eveneens knoppen worden aangebracht: één onder het eerste paar armen, één onder het tweede paar en één onder het derde paar. 36De hele standaard, met de zes armen en de knoppen, moet uit één stuk zuiver goud gedreven worden. 37
25:37
Num. 8:2-4
Maak er zeven lampen voor en zet die er zo op dat het licht naar voren valt. 38De snuiters en bakjes moeten ook van zuiver goud zijn. 39Gebruik voor de lampenstandaard en voor de bijbehorende voorwerpen een talent zuiver goud. 40
25:40
Hand. 7:44
Hebr. 8:5
Houd je bij het maken ervan aan het ontwerp dat je hier op de berg getoond is.

26

De tabernakel

261

26:1-37
Ex. 36:8-38
De tabernakel moet je maken van tien geweven banen. Deze moeten vakkundig worden geweven van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs. 2Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben: de lengte van iedere baan moet achtentwintig el zijn, de breedte vier el. 3Zet vijf van deze banen aan elkaar, en doe hetzelfde met de andere vijf. 4Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, moet je lussen van blauwpurperen wol zetten: 5vijftig lussen aan elk van beide kleden, zo dat ze precies tegenover elkaar komen te zitten. 6Maak vijftig gouden haken en bevestig de kleden met deze haken aan elkaar, zodat de tabernakel één geheel is.

7Maak banen van geitenhaar voor een tent die over de tabernakel heen komt. Het moeten er elf zijn, 8allemaal van dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan moet dertig el zijn, de breedte vier el. 9Zet vijf van deze banen aan elkaar, en de zes andere eveneens; de zesde moet, dubbelgeslagen, aan de voorkant van de tent komen. 10Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, zet je vijftig lussen. 11Maak vijftig koperen haken en steek ze in de lussen om de delen te verbinden en van de tent één geheel te maken. 12Wat het overschietende gedeelte van het tentkleed betreft: de extra halve baan moet aan de achterkant van de tabernakel afhangen, 13en de el die in de lengte aan weerszijden overschiet, moet langs de zijkanten van de tabernakel afhangen om deze te bedekken. 14Maak voor deze tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen en dek dat weer af met een kleed van zeekoevellen.

15Voor de wanden van de tabernakel moet je planken van acaciahout maken. Ze moeten rechtop komen te staan 16en tien el lang zijn en anderhalve el breed. 17Voorzie elke plank van twee pinnen, en wel zo dat de pinnen van alle planken van de tabernakel een rechte lijn vormen. 18Maak twintig planken voor de zuidwand van de tabernakel 19en breng daaronder veertig zilveren voetstukken aan, telkens twee per plank, waar de beide pinnen in passen. 20Voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, eveneens twintig planken 21met daaronder veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. 22Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maak je zes planken. 23Voor de hoeken van de achterwand moet je twee extra planken maken. 24Op de beide hoeken moeten de planken van onderen precies op elkaar aansluiten en tot bovenaan, bij de ring, moeten ze volkomen gelijklopen. 25Bij elkaar dus acht planken, met daaronder zestien zilveren voetstukken, telkens twee per plank.

26Maak dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de ene zijwand van de tabernakel, 27vijf voor de andere zijwand en vijf voor de achterwand aan de westkant. 28De middelste dwarsbalk komt halverwege de wand en verbindt de planken van het ene einde tot het andere met elkaar. 29Overtrek de planken met goud, verguld ook de dwarsbalken en maak voor de dwarsbalken gouden ringen. 30Houd je bij het vervaardigen van de tabernakel aan het voorbeeld dat je hier op de berg getoond is.

31Maak een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het moet vakkundig geweven worden, met een patroon van cherubs. 32Maak het met vergulde krammen vast aan vier palen van acaciahout, die overtrokken zijn met goud en op vier zilveren voetstukken rusten. 33Bevestig het voorhangsel zo dat het onder de vijftig gouden haken komt, en zet de ark met de verbondstekst erachter: het voorhangsel vormt de scheiding tussen het heilige en het allerheiligste. 34

26:34
Ex. 25:21
Op de ark met de verbondstekst in het allerheiligste moet je de verzoeningsplaat leggen. 35Zet de tafel en de lampenstandaard voor het voorhangsel in de tabernakel, tegenover elkaar: de lampenstandaard aan de zuidkant, de tafel aan de noordkant.

36Maak ter afscherming van de ingang van de tent een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. 37Maak voor dit gordijn vijf palen van acaciahout, verguld ze, voorzie ze van vergulde krammen en giet er vijf bronzen voetstukken voor.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]