Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

41

4:1
Pred. 3:16
Ik vestigde mijn aandacht op alle onderdrukking die er is onder de zon en zag de tranen van de onderdrukten. Er is niemand die hen bijstaat. De onderdrukkers onderdrukken hen met harde hand, en er is niemand die hen bijstaat. 2
4:2
Job 3:11-23
10:18-22
De doden, meende ik, zijn gelukkiger te prijzen dan de levenden. Zij die al gestorven zijn, zijn beter af dan zij die nog in leven zijn. 3Maar beter af dan beiden is degene die nog niet geboren is en nog geen weet heeft van het onrecht dat er wordt begaan onder de zon. 4Ik heb al het gezwoeg gezien, en vastgesteld dat alles wat een mens bereikt het resultaat is van zijn afgunst op een ander. Ook dat is enkel lucht en najagen van wind. 5Het is waar, een dwaas zit met zijn handen in zijn schoot en kwijnt zo langzaam weg. 6Maar beter is één hand gevuld met rust dan beide vuisten vol gezwoeg en najagen van wind.

Beter met zijn tweeën dan alleen

7Ik vestigde mijn aandacht op nog iets anders onder de zon, en ook dat is leegte. 8Iemand is helemaal alleen. Hij heeft zelfs geen zoon of broer, maar toch zwoegt hij almaar door en wordt zijn dorst naar rijkdom nooit gelest. Voor wie beult hij zich zo af en ontzegt hij zich de genoegens van het leven? Ook dat is enkel leegte en een trieste zaak. 9Je kunt beter met zijn tweeën dan alleen zijn, want – dat is zeker – samen zwoegen loont. 10Wanneer twee vrienden samen zijn en een van beiden valt, helpt de ander hem weer overeind, maar wie alleen is en ten val komt is beklagenswaardig, want hij heeft niemand die hem op de been helpt. 11Wanneer je bij elkaar slaapt, geef je warmte aan elkaar, maar hoe krijgt iemand die alleen slaapt het ooit warm? 12En iemand die alleen is kan zich niet verdedigen wanneer hij aangevallen wordt, maar met zijn tweeën houd je stand. Een koord dat uit drie strengen is gevlochten, is niet snel stuk te trekken.

Beter jong en wijs dan oud en dwaas

13Beter een wijze jongen die van lage afkomst is dan een oude dwaze koning die zijn oren sluit voor goede raad. 14Er was een jongen die gevangenzat, maar vrijkwam om een oude koning op te volgen. En dat terwijl hij in diens rijk als een onbeduidend iemand was geboren. 15Ik zag dat iedereen hem volgde. Al het volk onder de zon liep die jongen achterna die in opstand kwam tegen de oude koning. 16Er kwam geen einde aan de stoet van zijn bewonderaars. Maar later zal er niemand zijn die nog een goed woord voor hem overheeft. Je ziet, ook dit is niets dan lucht en najagen van wind.

Los je geloften in

17Betreed Gods tempel met bescheiden tred. Je kunt er beter heen gaan om te luisteren dan om er het offer van een dwaas te brengen. Zo iemand weet niet eens dat hij een slechte daad verricht.

5

51

5:1
Spr. 10:19
Jak. 1:19
Wees niet te haastig met je woorden en doe God niet overijld met heel je hart geloften. Want God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn. 2Drukte leidt tot dromerij en veel praten tot gebazel. 3
5:3-5
Spr. 20:25
5:3
Num. 30:3
Deut. 23:22
Wanneer je God toch een gelofte doet, los die dan ook spoedig in. God is niet gesteld op dwazen. Los dus je geloften in. 4Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen. 5Sta je mond geen loze, zondige geloften toe en zeg niet naderhand tegen de priester dat ze een vergissing waren. Wil je soms dat God zich kwaad maakt over dergelijk gepraat en moet hij wat je hebt bereikt te gronde richten? 6
5:6
Pred. 12:13
Dromerij en lege woorden zijn er al genoeg. Dus heb ontzag voor God.

Ambtenaren beschermen elkaar

7

5:7
Pred. 3:16
4:1
Wanneer je ziet dat in het land de armen worden onderdrukt en het recht en de rechtvaardigheid geschonden, wees dan niet verbaasd. Want een hoge ambtenaar wordt door een hogere beschermd, en zij beiden weer door ambtenaren die nog hoger zijn. 8Het is hierbij nog een geluk wanneer de koning zorg draagt voor de oogst.

Rijkdom is leegte

9Wie van geld houdt, kan er niet genoeg van krijgen. Wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Ook dat is enkel leegte. 10

5:10
Spr. 19:6
Maar hoe groter iemands kapitaal is, des te groter ook het aantal mensen dat het komt verbrassen. Wat heeft de eigenaar hierbij te winnen? Hij kan alleen maar toekijken. 11Een arbeider slaapt goed, of hij nu veel of weinig te verteren heeft, maar wie zwelgt in rijkdom, kan de slaap niet vatten.

12Ik heb een trieste zaak onder de zon gezien die tot veel ellende leidt. Iemand waakt over zijn rijkdom, maar het loopt rampzalig af, 13want één tegenslag vaagt al die rijkdom weg. De zoon die hij verwekt heeft, blijft met lege handen achter. 14

5:14
Job 1:21
Ps. 49:18
1 Tim. 6:7
Naakt is zo iemand uit de moederschoot gekomen, even naakt keert hij terug. Niets van wat hij heeft verworven en in handen dacht te hebben, neemt hij mee. 15Het is, ook dit, triest en ellendig, maar zoals hij is gekomen, zo keert hij terug. Wat is het voordeel voor de mens dat hij zwoegt voor wind? 16Alle dagen van zijn leven brengt hij door in duisternis, heel zijn bestaan is vol ellende en verdriet, en vol ontevredenheid. 17Het is daarom, zo heb ik ingezien, goed en weldadig voor een mens wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet, en geniet van alles wat hij heeft verworven. Daar zwoegt hij voor onder de zon gedurende het luttel aantal levensdagen dat hij van God gekregen heeft; dat is wat hem is toebedeeld. 18Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, wanneer hem dat door God wordt toegestaan als zijn rechtmatig deel en hij zich verheugt in alles wat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God. 19Dan piekert hij tenminste niet zo veel over het luttel aantal dagen van zijn leven, maar gaat hij van ganser harte op in de vreugde die God hem toebedeelt.

6

61Het is, dat heb ik ingezien, een trieste zaak onder de zon en voor de mens een zware last: 2

6:2
Luc. 12:19-20
God geeft iemand rijkdom, bezittingen en aanzien; er ontbreekt hem in zijn leven niets van wat hij zich gewenst heeft, maar God staat niet toe dat hij ervan geniet. Dat laat hij een vreemde doen. Leegte is het, een ellendige en trieste zaak. 3
6:3
Job 3:11,16
Zo iemand zou wel honderd kinderen kunnen krijgen en wel jaren kunnen leven, vele jaren lang, maar als zijn dorst naar rijkdom nooit gelest wordt en hem nog niet eens een graf rest, dan – zeg ik – is een doodgeboren kind beter af. 4Het wordt in leegte geboren en verdwijnt in het duister, even naamloos als het is gekomen. 5Het heeft nooit de zon gezien en geen weet gehad van het bestaan. Het heeft rust, veel meer dan die ander 6die, ook al leeft hij duizend jaar en nog eens duizend jaar, niet genieten kan van al het goede dat hij heeft. Zijn zij niet beiden op weg naar dezelfde plaats?

7

6:7
Spr. 16:26
Al het gezwoeg dient ertoe dat de mens zijn buik vult, maar zijn verlangens blijven onvervuld. 8Welk voordeel heeft de wijze vergeleken met de dwaas, wat is het voordeel voor de arme dat hij inzicht in het leven heeft? 9Het is beter te genieten van iets tastbaars dan te grijpen naar iets onbereikbaars. Ook dat is niets dan lucht en najagen van wind. 10
6:10
Job 9:2-3
Wie en wat de mens is, werd al lang geleden vastgesteld: zijn naam is Mens en hij is niet in staat het op te nemen tegen hem die meer macht bezit dan hij. 11Alles wat er meer over gezegd wordt, vermeerdert slechts de leegte. Wat is hiervan het voordeel voor de mens? 12
6:12
Job 8:9
14:2
Ps. 39:7
90:10
102:12
109:23
Wie weet wat goed is voor de mens gedurende het luttel aantal dagen van zijn leeg bestaan? Ze zijn voor hem zo vluchtig als een schaduw. Wie kan hem vertellen wat er na hem komen zal onder de zon?