Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Gedenk je schepper in je jeugd

111Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug. 2Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal. 3Wanneer de wolken vol zijn, gieten ze hun regen uit over de aarde. Naar welke kant een boom ook valt, naar het noorden of het zuiden, hij blijft liggen op de plaats waar hij valt. 4Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. 5

11:5
Ps. 139:14-16
Joh. 3:8
Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. 6Zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.

7Het licht is een genot. Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien! 8Wanneer een mens lang leeft, laat hij dan van elke dag genieten en bedenken dat de dagen van de duisternis ontelbaar zullen zijn. De toekomst is niets dan leegte. 9Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. 10Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij.

12

121Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer.

2Voordat de zon verduistert,

de sterren en de maan niet langer stralen,

de lucht ook na de regen grauw van wolken wordt.

3De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat,

de soldaten kromgebogen voortgaan,

de maalsters langzaamaan verdwijnen,

de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken.

4Wanneer de deuren naar de straat worden gesloten,

de molen geen geluid meer maakt,

het fluiten van de vogels ijl van toon wordt,

wanneer hun lied versterft.

5Je durft geen heuvel te beklimmen,

de weg is vol gevaar.

De amandelboom behoudt zijn wintertooi,

de sprinkhaan sleept zich voort,

de kapperbes droogt uit.

Een mens gaat naar zijn eeuwig huis,

een klaagzang vult de straat.

6Voordat het zilverkoord wordt weggenomen,

de gouden lamp gebroken,

de waterkruik in stukken valt,

het scheprad bij de put wordt stukgebroken.

7

12:7
Pred. 3:20
Wanneer het stof terugkeert naar de aarde,

weer wordt zoals het was,

wanneer de adem van het leven weer naar God gaat,

die het leven heeft gegeven.

8

12:8
Pred. 1:2
Lucht en leegte, zegt Prediker,

alles is leegte.

Heb ontzag voor God

9Prediker was een wijs man en heeft het volk veel kennis bijgebracht. Hij heeft gewikt en gewogen en veel spreuken opgesteld. 10In treffende spreuken probeerde Prediker de waarheid getrouw onder woorden te brengen. 11De woorden van de wijzen zijn zo scherp en puntig als een ossenprik, al hun spreuken zijn ons door één herder ingeprent.

12En tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. 13

12:13
Pred. 3:14
5:6
8:12-13
Sir. 1:13
Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, 14
12:14
Rom. 2:16
1 Kor. 4:5
want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte.