Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

321

32:1
Deut. 4:26
30:19
Jes. 34:1
‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,

luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.

2

32:2
Job 29:22-23
Ps. 72:6
Hos. 6:3
Moge mijn onderricht neerdalen als regen,

mogen mijn woorden zijn als milde dauw,

als regen die de grond doordrenkt,

lenteregen die het groen in bloei zet.

3Want de naam van de HEER roep ik uit:

de HEER is onze God, laat iedereen hem prijzen!

4

32:4
Jes. 44:8
Hij is een rots, hij staat voor recht;

alles wat hij doet is volmaakt.

Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,

in hem is geen spoor van kwaad.

5

32:5-6
Jes. 1:2
32:5
Hos. 11:1-2
Maar zijn kinderen werden hem ontrouw:

tot hun schande gaven zij hun kindschap op.

Vals en trouweloos is dit volk.

6

32:6
Jes. 64:7
Is dit uw antwoord aan de HEER?

Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand?

Is hij niet uw vader, uw schepper?

Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven.

7Denk aan de tijden van weleer,

verdiep u in het verre verleden.

Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen;

vraag de oudsten en zij zullen verhalen.

8

32:8
Hand. 17:26
Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk

en de mensen ieder hun deel gaf,

bepaalde hij de grenzen voor alle volken

naar het aantal nazaten van Israël,32:8 naar het aantal nazaten van Israël – Een Qumran-handschrift en de Septuaginta lezen: ‘naar het aantal van de zonen van God’.

9

32:9
Deut. 7:6
want voor de HEER gold dat volk als het zijne,

Jakob was het deel dat hij zichzelf toemat.

10

32:10
Deut. 1:31
Jer. 2:6
Hos. 13:5
Hij vond het in een dorre woestijn,

in een niemandsland vol van gevaar.

Hij omringde het met zorg en met liefde,

koesterde het als zijn oogappel.

11

32:11
Ex. 19:4
Ps. 17:8
Zoals een arend over zijn jongen waakt

en voortdurend erboven blijft zweven,

zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,

12zo heeft de HEER zijn volk geleid,

hij alleen: geen andere god stond hem bij.

13

32:13
Ps. 81:17
Hij legde het bergland voor hen open,

de oogst van het land viel hun in de schoot.

Hij laafde hen met honing uit de rotsen,

met olijfolie uit steenharde rots,

14

32:14
Deut. 8:7-9
11:11-15
met melk van koeien en geiten,

met vlees van Basans rammen,

met vet van lammeren en bokken,

met de fijnste bloem van tarwe

en met wijn, het bloed van druiven.

15

32:15
Deut. 31:20
33:5,26
Jes. 44:2
Hos. 13:6
Toen werd Jesurun32:15 Jesurun – Jesurun is een andere naam voor Israël. vadsig en vet,

het raakte verzadigd, werd dik en rond.

Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper,

versmaadde zijn stut en steun, zijn rots.

16

32:16
Ex. 20:4
Deut. 4:23
Ze tergden hem met vreemde goden,

met gruwelijke beelden krenkten ze hem.

17Ze brachten offers aan demonen,

aan goden die geen goden zijn,

goden die zij eerst niet kenden,

nieuwkomers, nog maar net in zwang,

die voor hun voorouders niet eens bestonden.

18

32:18
Jes. 1:2
17:10
U vergat de God die u gebaard heeft,

u verwierp de rots die u ter wereld bracht.

19Toen de HEER zag wat u deed,

bemerkte hoe zijn kinderen hem krenkten,

ontstak hij in hevige toorn en zei:

20

32:20
Deut. 31:17
“Ik zal me van hen afkeren

en dan eens zien hoe het hun vergaat.

Want dit is een verdorven geslacht,

niemand van hen is te vertrouwen.

21

32:21
Jer. 2:11
Rom. 10:19
Ze tergden mij met wat geen god is

en daagden mij uit met hun nietige afgoden.

Daarom terg ik hen met wat geen volk is,

ik daag hen uit met een volk zonder verstand.

22Als het vuur van mijn toorn is ontstoken

zal het branden tot in het diepste dodenrijk;

het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit,

het zal de grondvesten van de bergen verteren.

23

32:23-24
Ezech. 5:16-17
32:23
Job 6:4
Ps. 38:3
Ramp na ramp breng ik over hen,

al mijn pijlen schiet ik op hen af.

24

32:24
Jer. 8:17
Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren,

ziekten zullen hen te gronde richten.

Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren,

giftige slangen laat ik hen bijten.

25

32:25
Klaagl. 1:20
2:21
Ezech. 7:15
Buiten eist de oorlog zijn tol,

binnen heerst de angst voor de dood.

Niemand wordt ontzien,

man noch vrouw, jong noch oud.

26

32:26
Ex. 32:10-12
Num. 14:13-16
Deut. 9:28
Ik zou hen wel willen wegvagen,

elke herinnering aan hen willen uitwissen,

27maar ik vrees de hoon van hun vijanden.

Die zullen immers de feiten verdraaien,

de overwinning voor zichzelf opeisen

en de hand van de HEER daarin ontkennen.

28Zo kortzichtig zijn die vijanden,

het ontbreekt hun aan elk begrip.

29Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht

en begrepen ze hoe het hunzelf zal vergaan.

30

32:30
Recht. 2:14
Want hoe zouden zij met één man

duizend van jullie kunnen achtervolgen,

met twee er tienduizend verjagen,

als de HEER, jullie rots, je niet uitleverde?

31Jullie vijanden zullen het erkennen:

de rots waarop zij steunen is niets naast jullie rots.

32De wijn die ik hun te drinken geef

is afkomstig van Sodoms wijnstok,

hij komt uit Gomorra’s wijngaarden;

bittere, giftige druiven brengen die voort,

33de wijn ervan is vol venijn,

dodelijk als het gif van slangen.

34Ik heb dat allemaal bewaard,

het opgeborgen in mijn schatkamers

35

32:35
Rom. 12:19
Hebr. 10:30
voor de dag dat ik wraak ga nemen,32:35 voor de dag dat ik wraak ga nemen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘mij komt de wraak toe’.

het tijdstip waarop ik hun kwaad vergeld,

wanneer aan hun voorspoed een einde komt.

Want de dag van hun ongeluk is nabij,

hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.”

36

32:36
Ps. 135:14
Want de HEER zal zijn volk recht doen,

hij ontfermt zich weer over zijn dienaren.

Als hij ziet dat alle krachten hun begeven

en weldra iedereen bezwijkt,

37

32:37
Jer. 2:28
zal hij zeggen: “Waar zijn je goden nu?

Waar is de rots waarop je steunde?

38Hebben ze niet het vet van je offers gegeten,

niet gedronken van de wijn die je ze aanbood?

Laten die goden je dan te hulp schieten,

laten zij een schuilplaats voor je zijn!

39

32:39
Jes. 19:22
42:8
43:10-11
44:6-8
Zie het toch in: ik ben de enige,

naast mij is er geen andere god.

Ik laat sterven, ik geef leven,

ik sla wonden en ik genees.

Wanneer ik mijn macht laat gelden

is er niemand die redding bieden kan.

40Ik hef mijn hand op naar de hemel

en zweer: ‘Zo waar ik eeuwig leef:

41

32:41
Ezech. 21:14-16
Ik wet mijn bliksemend zwaard,

ik ga het vonnis voltrekken.

Ik zal mij wreken op mijn vijanden,

ik reken af met wie mij haatten.

42

32:42
Ps. 68:22-24
Jer. 46:10
Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed

van vijanden, gevallen en gevangen;

mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen

die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen.’”

43Laat alle volken zijn volk toejuichen,

omdat hij het bloed van zijn dienaren wreekt;

hij neemt wraak op zijn vijanden

en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit.’

44Heel dit lied heeft Mozes samen met Jozua, de zoon van Nun, gezongen en het volk was er getuige van.

45Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had, 46besloot hij: ‘Neem mijn waarschuwingen ter harte, en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. 47Want het gaat hier niet om iets onbeduidends, het is een zaak van levensbelang! Als u er gehoor aan geeft, zult u lang mogen leven in het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen.’

Mozes’ zegen en zijn dood

48Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes: 49

32:49-51
Num. 27:12-14
32:49-50
Deut. 34:1-5
32:49
Deut. 3:27-29
‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. 50Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 51
32:51
Num. 20:12
Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. 52Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’

33

331

33:1-29
Gen. 49:1-27
Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. 2
33:2
Recht. 5:4
Hab. 3:3
Hij zei:

‘De HEER verscheen vanaf de Sinai,

zijn licht bescheen hen vanuit Seïr,

met luister kwam hij van de bergen van Paran.

Talloze engelen vergezelden hem,33:2 Talloze engelen vergezelden hem – Voorgestelde lezing. MT: ‘En hij kwam van tienduizenden van heiligheid’.

bliksem flitste uit zijn rechterhand.

3

33:3
Deut. 4:37
Hij kreeg Israëls stammen lief,

hij hield al de zijnen in zijn hand.

Ze waren gezeten aan zijn voeten

en ontvingen zijn onderwijzing.

4Mozes gaf ons zijn onderricht

als een kostbaar bezit voor Jakobs volk.

5Zo werd de HEER koning van Jesurun,

terwijl de oudsten van het volk bijeen waren

en de stammen van Israël zich verzameld hadden.

6Ruben, hij moge leven, en niet sterven,

hoe gering zijn aantal ook is.’

7Dit zei hij over Juda:

‘O HEER, hoor Juda’s hulpgeroep,

laat zijn strijders behouden huiswaarts keren,

want ze voeren een eenzame strijd.

Sta hun terzijde tegen hun vijanden.’

8
33:8
Ex. 17:7
28:30
Num. 20:1-13
Over Levi zei hij:

HEER, u vertrouwt uw orakelstenen toe

aan Levi, uw vertrouweling.

U stelde hem op de proef bij Massa,

daagde hem uit bij het water van Meriba.

9

33:9
Ex. 32:25-29
Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder,

zijn eigen broers ontzag hij niet,

zijn kinderen waren als vreemden voor hem.

Want de Levieten hielden zich aan wat u gebood,

het verbond dat u sloot bleven ze trouw.

10Laat hen uw regels onderwijzen aan Jakob,

uw voorschriften doorgeven aan Israël.

Laat hun geurige gave u behagen,

laat hen brandoffers brengen op uw altaar.

11HEER, zegen hen met voorspoed

en zie welwillend op hun verrichtingen neer.

Maar breek hun tegenstanders de heup,

verlam hun vijanden voor altijd.’

12Over Benjamin zei hij:

‘De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen.

Zijn kind omarmt hem van vroeg tot laat,

het nestelt zich veilig op zijn rug.’

13Over Jozef zei hij:

‘Moge de HEER zijn land rijk zegenen

met de gaven van hemelwater, met dauw,

en met de oervloed die onderaards woont;

14met al wat de zon laat groeien,

met de zegening van de jaargetijden;

15met de weelde van oeroude bergen,

met de gaven van eeuwige heuvels;

16

33:16
Ex. 3:1-6
met al wat de aarde te bieden heeft.

Moge de gunst van hem die in de doornstruik was

rusten op Jozef, de uitverkorene onder zijn broers.

17Machtig als een eerstgeboren stier33:17 als een eerstgeboren stier – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘zijn eerstgeboren stier’. is hij;

hij heeft twee horens als een oeros,

waarmee hij vijandige volken wegstoot

tot voorbij de einden der aarde:

het zijn Efraïms tienduizenden

en de duizenden van Manasse.’

18Over Zebulon zei hij:

‘Een voorspoedige vaart, Zebulon!

En moge Issachar geluk vinden in zijn tenten!

19Zij nodigen de anderen naar de berg

waar ze waardige offers brengen.

Zij halen overvloed van overzee,

graven rijkdom op van onder het zand.’

20Over Gad zei hij:

‘Geloofd is hij die ruimte gaf aan Gad.

Gad waakt over zijn deel als een leeuwin,

die alles verslindt wat in haar klauwen valt.

21Het beste land koos hij voor zichzelf:

dat land was een aanvoerder waardig,

daar verzamelden zich de oudsten van het volk.33:21 dat land was een aanvoerder waardig,/ daar verzamelden zich de oudsten van het volk – Voorgestelde lezing. MT: ‘want daar was het stuk land van de wetgever verborgen en de hoofden van het volk kwamen’.

Hij volbracht de wil van de HEER,

hij volvoerde zijn bevrijding van Israël.’

22Over Dan zei hij:

‘Dan is als een jonge leeuw

die uit Basans bossen tevoorschijn springt.’

23Over Naftali zei hij:

‘Naftali is door de HEER ruim bedeeld,

rijk gezegend door zijn gunst.

Laat hij het westen en zuiden veroveren.’

24En over Aser zei hij:

‘Gezegend is Aser, nog meer dan zijn broeders,

moge hij bij hen allen geliefd zijn.

Hij zal waden door de olijfolie,

25en al zijn steden zijn versterkt

met grendels van ijzer en brons.

Niets zal hem deren zolang hij leeft.’

26

33:26
Ex. 15:11
Ps. 68:5
‘Wie, Jesurun, wie evenaart uw God?

Als een vorst rijdt hij langs de hemel

en over de wolken, om u te hulp te komen.

27Van oudsher is God een schuilplaats,

zijn armen dragen u voor eeuwig.

Hij dreef uw vijand op de vlucht

en droeg u op: “Vernietig hem!”

28Israël mocht in vrede leven,

Jakob woonde ongestoord

in een land van koren en most,

waarop dauw van de hemel neerdaalt.

29

33:29
Ps. 33:12
115:9-11
144:15
Wie is zo gelukkig als u, Israël?

Geen ander volk liet de HEER de overwinning.

Hij is het schild dat u beschermt,

het zwaard dat u triomfen brengt.

De vijand moet uw macht erkennen,

hij zal het stof van uw voeten likken.’

34

341

34:1
Num. 27:12
Deut. 3:27
32:49
Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo, een van de toppen van de Pisga, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, 2Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, 3de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar. 4
34:4
Gen. 12:7
26:3
28:13
De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.’

5Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEER, daar in Moab, zoals de HEER gezegd had. 6

34:6
Judas 9
En de HEER begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. 7Honderdtwintig jaar oud was Mozes toen hij stierf. Tot het laatst toe waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt. 8
34:8
Num. 20:29
De Israëlieten, die in de vlakte van Moab bijeen waren, treurden om Mozes’ dood tot de dertig dagen van rouw voorbij waren. 9
34:9
Num. 27:18-23
Ze luisterden naar Jozua, de zoon van Nun, omdat hij vervuld was van de geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de HEER tegen Mozes had gezegd.

10

34:10
Ex. 33:11
Num. 12:7-8
Jer. 15:1
Sir. 45:1-5
Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de HEER zo vertrouwelijk omging. 11Door zijn toedoen heeft de HEER in Egypte tekenen en wonderen laten zien aan de farao en zijn onderdanen, aan heel zijn land. 12Van alles wat Mozes’ krachtige hand verrichtte en van de daden waarmee hij alom ontzag inboezemde, is heel Israël getuige geweest.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]