Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
30

301

30:1-10
Lev. 26:40-45
Deut. 4:29-31
Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2en samen met uw kinderen naar de HEER, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3
30:3
Neh. 1:9
Jes. 43:5-7
Jer. 29:14
31:10
Ezech. 34:13
36:24
Micha 2:12
Zach. 8:7-8
dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen. 4Zelfs al zijn sommigen verbannen naar het eind van de wereld, de HEER, uw God, zal u terughalen en weer bij elkaar brengen. 5Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit bezaten en het u weer in bezit geven. Hij zal u meer nog dan uw voorouders zegenen en in aantal doen toenemen. 6
30:6
Deut. 10:16
Jer. 4:4
De HEER, uw God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen, zodat u hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven. 7De vervloekingen zal hij bestemmen voor uw vijanden en voor iedereen die op uw ondergang uit was. 8En u zult de HEER weer gehoorzaam zijn en al zijn geboden, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, in acht nemen. 9De HEER, uw God, zal u voorspoed geven in alles wat u onderneemt, u kinderrijk maken en uw vee en uw land vruchtbaar maken. Hij zal er weer vreugde in vinden om u te zegenen, zoals voorheen bij uw voorouders. 10Want u toont de HEER, uw God, dan uw gehoorzaamheid door de geboden en bepalingen in dit wetboek in acht te nemen, en u wilt hem weer met hart en ziel toebehoren.

11De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. 12

30:12-14
Rom. 10:6-8
Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 13Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 14Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen.

15

30:15
Deut. 11:26-28
Jer. 21:8
Sir. 15:16-17
Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God,30:16 Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God – Volgens de Septuaginta. In MT ontbreken deze woorden. zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, zal dan van korte duur zijn. 19
30:19
Deut. 4:26
31:28
Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20
30:20
Gen. 12:7
26:3
28:13
door de HEER, uw God, lief te hebben, hem te gehoorzamen en hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’

31

Mozes’ opvolging

311Hierna sprak Mozes de Israëlieten opnieuw toe. Hij zei: 2

31:2
Num. 20:12
‘Ik ben nu honderdtwintig jaar oud en niet in staat om nog langer leiding te geven. Bovendien heeft de HEER me gezegd dat ik de Jordaan niet mag oversteken. 3
31:3
Deut. 3:21-28
De HEER, uw God, zal zelf voor u uit gaan en de volken aan de overkant voor u uitroeien, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal u daarbij aanvoeren, zoals de HEER heeft gezegd. 4
31:4
Num. 21:21-35
De HEER zal hen het lot laten delen van de Amoritische koningen Sichon en Og, die hij met heel hun land heeft vernietigd. 5Wanneer hij u de overwinning op die volken geschonken heeft, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb opgedragen. 6
31:6
Deut. 1:29-30
4:31
Joz. 1:6-9
Hebr. 13:5
Wees vastberaden en standvastig. Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn, want het is de HEER, uw God, die met u meegaat. Hij zal niet van uw zijde wijken en u niet verlaten.’

7

31:7
Num. 27:18-23
Toen riep Mozes Jozua bij zich en ten overstaan van alle Israëlieten zei hij tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult het volk het land binnenleiden dat de HEER onder ede aan hun voorouders had beloofd, en onder jouw leiding zullen ze het in bezit nemen. 8De HEER zelf gaat voor je uit, hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen.’

Laatste aanwijzingen; het lied van Mozes

9

31:9-14
2 Kon. 23:1-3
Neh. 8:1-3
31:9-12
Joz. 8:34-35
Mozes stelde zijn hele onderricht op schrift en gaf de boekrol aan de Levitische priesters, die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen, en aan de oudsten van Israël. 10-11
31:10-11
Deut. 15:1
16:13-15
Hij droeg hun daarbij het volgende op: ‘Lees deze voorschriften elk zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, tijdens het Loofhuttenfeest voor aan alle Israëlieten. Want dan komt heel Israël naar de plaats die de HEER uitkiest, om daar voor hem te verschijnen. 12Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzag te tonen voor de HEER, uw God, en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven. 13Ook hun kinderen, die nog van niets weten, moeten luisteren en leren om ontzag te tonen voor de HEER, uw God, al de tijd dat u aan de overkant van de Jordaan leeft in het land dat u in bezit zult nemen.’

14De HEER zei tegen Mozes: ‘Je leven loopt ten einde. Roep Jozua en kom samen naar de ontmoetingstent; dan zal ik hem als jouw opvolger aanstellen.’ Nadat Mozes en Jozua de tent waren binnengetreden, 15verscheen de HEER in een wolkkolom, die boven de ingang bleef staan. 16De HEER zei tegen Mozes: ‘Als jij bij je voorouders te ruste bent gegaan, zal het volk mij ontrouw worden en zich afgeven met de vreemde goden die zij zullen aantreffen in het land waar ze heen gaan. Ze zullen mij verlaten en het verbond dat ik met hen gesloten heb verbreken. 17Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” 18Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zo veel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.

19Daarom moet jij het volgende lied opschrijven en het de Israëlieten uit hun hoofd laten leren; ik zal het tegen hen laten getuigen. 20

31:20
Deut. 32:15
Want zo zal het gaan: Ik breng hen naar het land dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd, een land dat overvloeit van melk en honing. Ze zullen zich te goed doen aan alle overvloed en als ze helemaal verzadigd zijn, laten ze zich met andere goden in om die te dienen; maar mij wijzen ze af en het verbond dat ik met hen gesloten heb, verbreken ze. 21Wanneer ze eenmaal aan allerlei ellende en tegenspoed ten prooi zijn gevallen, zal dit lied, dat ook onder hun nakomelingen nog algemeen bekend zal zijn, tegen hen getuigen. Ik weet nu al waar hun hart naar uitgaat, nog voor ik hen in het land gebracht heb dat ik hun onder ede heb beloofd.’

22Zo schreef Mozes die dag het lied op en hij leerde het de Israëlieten. 23

31:23
Num. 27:23
Joz. 1:6
Jozua, de zoon van Nun, werd aangesteld als zijn opvolger, en de HEER zei tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult de Israëlieten naar het land brengen dat ik hun onder ede heb beloofd, en ik zal je terzijde staan.’

24Toen Mozes alle bepalingen van de wet op schrift had gesteld, 25gaf hij de Levieten die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen de volgende opdracht: 26‘Leg dit wetboek naast de ark van het verbond met de HEER, uw God; het moet daar blijven om tegen dit volk te getuigen. 27Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de HEER verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood! 28

31:28
Deut. 4:26
Roep alle oudsten van uw stammen bijeen, evenals uw schrijvers, dan zal ik hun mijn waarschuwing laten horen, en daarbij hemel en aarde als getuigen oproepen. 29Want ik weet dat u zich na mijn dood zult gaan misdragen en zult afwijken van de weg die ik u gewezen heb. Daarom zal ellende uiteindelijk uw deel zijn, want u zult doen wat slecht is in de ogen van de HEER: hem tergen met uw zelfgemaakte goden.’

30En terwijl de verzamelde Israëlieten er getuige van waren, zong Mozes dit lied, van begin tot eind:

32

321

32:1
Deut. 4:26
30:19
Jes. 34:1
‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,

luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.

2

32:2
Job 29:22-23
Ps. 72:6
Hos. 6:3
Moge mijn onderricht neerdalen als regen,

mogen mijn woorden zijn als milde dauw,

als regen die de grond doordrenkt,

lenteregen die het groen in bloei zet.

3Want de naam van de HEER roep ik uit:

de HEER is onze God, laat iedereen hem prijzen!

4

32:4
Jes. 44:8
Hij is een rots, hij staat voor recht;

alles wat hij doet is volmaakt.

Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,

in hem is geen spoor van kwaad.

5

32:5-6
Jes. 1:2
32:5
Hos. 11:1-2
Maar zijn kinderen werden hem ontrouw:

tot hun schande gaven zij hun kindschap op.

Vals en trouweloos is dit volk.

6

32:6
Jes. 64:7
Is dit uw antwoord aan de HEER?

Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand?

Is hij niet uw vader, uw schepper?

Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven.

7Denk aan de tijden van weleer,

verdiep u in het verre verleden.

Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen;

vraag de oudsten en zij zullen verhalen.

8

32:8
Hand. 17:26
Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk

en de mensen ieder hun deel gaf,

bepaalde hij de grenzen voor alle volken

naar het aantal nazaten van Israël,32:8 naar het aantal nazaten van Israël – Een Qumran-handschrift en de Septuaginta lezen: ‘naar het aantal van de zonen van God’.

9

32:9
Deut. 7:6
want voor de HEER gold dat volk als het zijne,

Jakob was het deel dat hij zichzelf toemat.

10

32:10
Deut. 1:31
Jer. 2:6
Hos. 13:5
Hij vond het in een dorre woestijn,

in een niemandsland vol van gevaar.

Hij omringde het met zorg en met liefde,

koesterde het als zijn oogappel.

11

32:11
Ex. 19:4
Ps. 17:8
Zoals een arend over zijn jongen waakt

en voortdurend erboven blijft zweven,

zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,

12zo heeft de HEER zijn volk geleid,

hij alleen: geen andere god stond hem bij.

13

32:13
Ps. 81:17
Hij legde het bergland voor hen open,

de oogst van het land viel hun in de schoot.

Hij laafde hen met honing uit de rotsen,

met olijfolie uit steenharde rots,

14

32:14
Deut. 8:7-9
11:11-15
met melk van koeien en geiten,

met vlees van Basans rammen,

met vet van lammeren en bokken,

met de fijnste bloem van tarwe

en met wijn, het bloed van druiven.

15

32:15
Deut. 31:20
33:5,26
Jes. 44:2
Hos. 13:6
Toen werd Jesurun32:15 Jesurun – Jesurun is een andere naam voor Israël. vadsig en vet,

het raakte verzadigd, werd dik en rond.

Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper,

versmaadde zijn stut en steun, zijn rots.

16

32:16
Ex. 20:4
Deut. 4:23
Ze tergden hem met vreemde goden,

met gruwelijke beelden krenkten ze hem.

17Ze brachten offers aan demonen,

aan goden die geen goden zijn,

goden die zij eerst niet kenden,

nieuwkomers, nog maar net in zwang,

die voor hun voorouders niet eens bestonden.

18

32:18
Jes. 1:2
17:10
U vergat de God die u gebaard heeft,

u verwierp de rots die u ter wereld bracht.

19Toen de HEER zag wat u deed,

bemerkte hoe zijn kinderen hem krenkten,

ontstak hij in hevige toorn en zei:

20

32:20
Deut. 31:17
“Ik zal me van hen afkeren

en dan eens zien hoe het hun vergaat.

Want dit is een verdorven geslacht,

niemand van hen is te vertrouwen.

21

32:21
Jer. 2:11
Rom. 10:19
Ze tergden mij met wat geen god is

en daagden mij uit met hun nietige afgoden.

Daarom terg ik hen met wat geen volk is,

ik daag hen uit met een volk zonder verstand.

22Als het vuur van mijn toorn is ontstoken

zal het branden tot in het diepste dodenrijk;

het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit,

het zal de grondvesten van de bergen verteren.

23

32:23-24
Ezech. 5:16-17
32:23
Job 6:4
Ps. 38:3
Ramp na ramp breng ik over hen,

al mijn pijlen schiet ik op hen af.

24

32:24
Jer. 8:17
Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren,

ziekten zullen hen te gronde richten.

Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren,

giftige slangen laat ik hen bijten.

25

32:25
Klaagl. 1:20
2:21
Ezech. 7:15
Buiten eist de oorlog zijn tol,

binnen heerst de angst voor de dood.

Niemand wordt ontzien,

man noch vrouw, jong noch oud.

26

32:26
Ex. 32:10-12
Num. 14:13-16
Deut. 9:28
Ik zou hen wel willen wegvagen,

elke herinnering aan hen willen uitwissen,

27maar ik vrees de hoon van hun vijanden.

Die zullen immers de feiten verdraaien,

de overwinning voor zichzelf opeisen

en de hand van de HEER daarin ontkennen.

28Zo kortzichtig zijn die vijanden,

het ontbreekt hun aan elk begrip.

29Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht

en begrepen ze hoe het hunzelf zal vergaan.

30

32:30
Recht. 2:14
Want hoe zouden zij met één man

duizend van jullie kunnen achtervolgen,

met twee er tienduizend verjagen,

als de HEER, jullie rots, je niet uitleverde?

31Jullie vijanden zullen het erkennen:

de rots waarop zij steunen is niets naast jullie rots.

32De wijn die ik hun te drinken geef

is afkomstig van Sodoms wijnstok,

hij komt uit Gomorra’s wijngaarden;

bittere, giftige druiven brengen die voort,

33de wijn ervan is vol venijn,

dodelijk als het gif van slangen.

34Ik heb dat allemaal bewaard,

het opgeborgen in mijn schatkamers

35

32:35
Rom. 12:19
Hebr. 10:30
voor de dag dat ik wraak ga nemen,32:35 voor de dag dat ik wraak ga nemen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘mij komt de wraak toe’.

het tijdstip waarop ik hun kwaad vergeld,

wanneer aan hun voorspoed een einde komt.

Want de dag van hun ongeluk is nabij,

hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.”

36

32:36
Ps. 135:14
Want de HEER zal zijn volk recht doen,

hij ontfermt zich weer over zijn dienaren.

Als hij ziet dat alle krachten hun begeven

en weldra iedereen bezwijkt,

37

32:37
Jer. 2:28
zal hij zeggen: “Waar zijn je goden nu?

Waar is de rots waarop je steunde?

38Hebben ze niet het vet van je offers gegeten,

niet gedronken van de wijn die je ze aanbood?

Laten die goden je dan te hulp schieten,

laten zij een schuilplaats voor je zijn!

39

32:39
Jes. 19:22
42:8
43:10-11
44:6-8
Zie het toch in: ik ben de enige,

naast mij is er geen andere god.

Ik laat sterven, ik geef leven,

ik sla wonden en ik genees.

Wanneer ik mijn macht laat gelden

is er niemand die redding bieden kan.

40Ik hef mijn hand op naar de hemel

en zweer: ‘Zo waar ik eeuwig leef:

41

32:41
Ezech. 21:14-16
Ik wet mijn bliksemend zwaard,

ik ga het vonnis voltrekken.

Ik zal mij wreken op mijn vijanden,

ik reken af met wie mij haatten.

42

32:42
Ps. 68:22-24
Jer. 46:10
Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed

van vijanden, gevallen en gevangen;

mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen

die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen.’”

43Laat alle volken zijn volk toejuichen,

omdat hij het bloed van zijn dienaren wreekt;

hij neemt wraak op zijn vijanden

en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit.’

44Heel dit lied heeft Mozes samen met Jozua, de zoon van Nun, gezongen en het volk was er getuige van.

45Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had, 46besloot hij: ‘Neem mijn waarschuwingen ter harte, en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. 47Want het gaat hier niet om iets onbeduidends, het is een zaak van levensbelang! Als u er gehoor aan geeft, zult u lang mogen leven in het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen.’

Mozes’ zegen en zijn dood

48Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes: 49

32:49-51
Num. 27:12-14
32:49-50
Deut. 34:1-5
32:49
Deut. 3:27-29
‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. 50Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 51
32:51
Num. 20:12
Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. 52Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]