Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

131

13:1
Deut. 4:2
U13:1-19 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 12:32-13:18. daarentegen moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af.

2

13:2-19
Deut. 17:2-7
Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, 3dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – 4
13:4
Deut. 6:5
luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel liefhebt. 5Blijf de HEER, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister naar hem; dien alleen hem en blijf hem toegedaan. 6En die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren.

7Wanneer iemand – uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend – u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, 8goden van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, 9luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. 10-11U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. 12Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen.

13Wanneer in een van de steden die u van de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen, het gerucht de ronde doet 14dat er onder uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten overlopen – goden die u onbekend zijn –, 15dan moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden, 16dan moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER worden gewijd en gedood worden, 17en alle goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER, uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit meer herbouwd worden. 18Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER bekoelen en zal hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in aantal doen toenemen, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 19Want dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn ogen.

14

Verboden rouwgebruiken; over reine en onreine dieren

141

14:1-2
Lev. 19:27-28
14:1
Lev. 21:5
Omdat u kinderen van de HEER, uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. 2
14:2
Ex. 19:5
Deut. 4:20
7:6
26:18
Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u heeft hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn.

3U mag niets eten dat door de HEER wordt verafschuwd.

4

14:4-21
Lev. 11:1-47
De volgende dieren mag u eten: runderen, schapen, geiten, 5herten, gazellen, reeën, steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, 6en alle andere dieren die gespleten hoeven hebben – dus hoeven die helemaal gedeeld zijn – en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u wel mag eten. 7Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. 8En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan.

9Alles wat in het water leeft en vinnen en schubben heeft mag u eten, 10maar dieren zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein.

11Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. 12De volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, 13de rode wouw en de verschillende soorten buizerds,14:13 de rode wouw en de verschillende soorten buizerds – De Hebreeuwse tekst heeft hier één vogelnaam meer; waarschijnlijk staan er twee namen voor een en dezelfde vogel. 14alle soorten kraaien en raven, 15de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, 16de steenuil, de ransuil, de katuil, 17de dwergooruil, de visarend, de visuil, 18de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19Ook gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag eten, 20met uitzondering van enkele reine soorten.

21

14:21
Ex. 22:30
23:19
34:26
U mag geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER, zijn God, gewijd is.

U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Over plichten op gezette tijden

22

14:22
Lev. 27:30
Ieder jaar moet u het tiende deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. 23Van de tienden van uw koren, wijn en olie en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER, uw God. 24Voor het geval u niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele afstand mee te nemen – zeker wanneer de HEER u rijk gezegend heeft – omdat de plaats die hij uitkiest te ver weg is, 25moet u uw afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de plaats van zijn keuze gaan. 26Daar mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen, schapen en geiten, wijn en andere drank en wat maar in u opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. 27En vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet, want zij bezitten geen eigen grond zoals u.

28

14:28
Deut. 26:12
Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. 29
14:29
Num. 18:21
Deut. 18:1-2
De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan dan nemen zo veel als ze nodig hebben. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt.

15

151Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. 2Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. 3Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. 4Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, 5tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; 6dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u.

7

15:7
Lev. 25:35
1 Joh. 3:17
Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, 8
15:8
Ex. 22:24
maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. 9Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan – waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. 10Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. 11Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.

12

15:12-17
Ex. 21:2-6
15:12
Jer. 34:14
Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. 13Wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. 14U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. 15
15:15
Deut. 24:18
Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 16Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, 17moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. 18Laat het u niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet.

19

15:19
Ex. 13:2,12
Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo’n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo’n lam of bokje mag u niet scheren. 20U moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. 21
15:21
Mal. 1:8
Maar als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. 22
15:22-23
Deut. 12:15-16
In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. 23
15:23
Gen. 9:4
Lev. 7:26-27
17:10-14
19:26
Deut. 12:23-24
Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]