Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Schuld en boete

11

1:1
Jer. 32:12
36:4
Dit is het boek van Baruch, de zoon van Neria, die de zoon was van Machseja, de zoon van Sidkia, de zoon van Chasadja, de zoon van Chilkia. Hij schreef het in Babylonië, 2in het vijfde jaar, op de zevende van de maand; dat was in de tijd dat de Chaldeeën Jeruzalem veroverden en in brand staken.

3

1:3-4
2 Kon. 24:8-17
Jer. 22:24-30
Baruch las dit boek voor aan koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, en aan iedereen die ernaar kwam luisteren: 4de edelen, de prinsen, de oudsten en alle anderen, van jong tot oud – aan iedereen die als balling leefde in Babylonië aan de rivier de Sud. 5Ze lieten een rouwklacht horen en begonnen te vasten en tot de Heer te bidden. 6Verder brachten ze geld bijeen, ieder naar vermogen, 7en stuurden het naar Jeruzalem, naar de hogepriester Jojakim, de zoon van Chilkia, de zoon van Sallum, en naar de priesters en alle anderen die daar bij hem waren. 8
1:8
2 Kon. 24:17
Inmiddels had Baruch de voorwerpen ontvangen die uit de tempel van de Heer waren geroofd; op 10 siwan zouden ze naar Juda worden teruggebracht. Het ging om het zilveren tempelgerei dat koning Sedekia van Juda, de zoon van Josia, had laten maken, 9nadat Nebukadnessar, de koning van Babylonië, Jechonja uit Jeruzalem had weggevoerd naar Babylonië, samen met de leiders, de krijgsgevangenen, de edelen en het gewone volk.

10De ballingen schreven:

‘Hierbij sturen wij u geld. Gebruik dit om op het altaar van de Heer, onze God, brandoffers, reinigingsoffers en reukoffers te brengen, en ook graanoffers. 11

1:11
Ezra 6:10
Jer. 29:7
Dan. 5:1
1 Tim. 2:1-2
Bid voor koning Nebukadnessar van Babylonië en voor zijn zoon Belsassar, opdat ze mogen leven zolang de hemel boven de aarde staat. 12Moge de Heer ons kracht geven en onze ogen doen oplichten; dan zullen wij onder de hoede van koning Nebukadnessar van Babylonië en zijn zoon Belsassar leven, hen lange tijd dienen en bij hen in de gunst staan. 13Bid ook voor ons tot de Heer, onze God, want wij hebben tegen hem gezondigd en tot op de dag van vandaag laat hij ons zijn hevige toorn voelen. 14Lees het boek dat we u sturen in de tempel voor, als schuldbelijdenis, op de komende feestdag en op hoogtijdagen, 15
1:15
Dan. 9:7-8
Bar. 2:6
en spreek dan als volgt:

“De Heer, onze God, staat in zijn recht – ons staat deze dag de schaamte op het gezicht, ons, de Judeeërs, de inwoners van Jeruzalem, 16

1:16
Ezra 9:6-7
onze koningen en leiders, onze priesters, profeten en voorouders. 17
1:17
Dan. 9:5-6
Want wij hebben gezondigd tegen de Heer: 18
1:18
Tob. 3:3-4
Bar. 2:10
we zijn hem ongehoorzaam geweest en hebben niet geluisterd naar de opdracht van de Heer, onze God, om te leven naar de geboden die hij ons voorhield. 19
1:19
Jer. 7:25-26
Vanaf de dag waarop de Heer onze voorouders uit Egypte wegleidde tot op de dag van vandaag zijn we de Heer, onze God, ongehoorzaam geweest. Al die tijd hebben we lichtzinnig geleefd, omdat we niet naar hem luisterden. 20
1:20
Ex. 3:8
Lev. 26:14-39
Deut. 28:15-68
Dan. 9:11
Daarom gaan we tot op heden gebukt onder tegenspoed, beladen met de vloek die de Heer zijn dienaar Mozes liet uitspreken toen hij onze voorouders uit Egypte wegleidde om ons een land te geven dat overvloeide van melk en honing. 21Evenmin hebben we naar de Heer, onze God, geluisterd toen hij sprak bij monde van de profeten die hij naar ons stuurde. 22
1:22
Jes. 53:6
Jer. 7:24
Ieder van ons deed maar wat zijn hart hem ingaf: we vereerden andere goden en deden wat slecht is in de ogen van de Heer, onze God.

2

21

2:1-2
Dan. 9:12-13
Daarom heeft de Heer gedaan wat hij ons – de rechters die Israël geleid hebben, onze koningen, onze leiders en heel de bevolking van Israël en Juda – had aangekondigd. 2Op de hele wereld was nog nooit voorgekomen wat hij, zoals in de wet van Mozes staat, nu in Jeruzalem liet gebeuren: 3
2:3
Deut. 28:53-57
dat ieder van ons zijn eigen zonen en dochters opat. 4
2:4
Deut. 28:37
Jer. 29:18
De Heer leverde hen uit aan alle koninkrijken om ons heen, hij maakte hen te schande, zij werden een schrikbeeld voor alle naburige volken waaronder hij hen had verstrooid; 5
2:5
Deut. 28:43
ze waren niet langer in tel, integendeel. Want wij hebben gezondigd tegen de Heer, onze God, we hebben niet naar hem geluisterd.

6

2:6
Dan. 9:7-8
Bar. 1:15
De Heer, onze God, staat in zijn recht – ons en onze voorouders staat deze dag de schaamte op het gezicht. 7Al het onheil dat de Heer ons had aangezegd, is over ons gekomen, 8maar wij deden niets om hem gunstig te stemmen: we toonden geen enkel berouw over wat ons hart ons ingaf. 9
2:9
Dan. 9:14
De Heer stond klaar om ons met onheil te treffen, en hij liet het over ons komen. Immers, ook in alles wat de Heer tégen ons onderneemt is hij rechtvaardig. 10
2:10
Bar. 1:18
Maar wij hebben niet geluisterd naar de opdracht van de Heer om te leven naar de geboden die hij ons voorhield.

11

2:11
Deut. 6:21-22
Jer. 32:20-21
Dan. 9:15-16
Nu dan, Heer, God van Israël, u die uw volk met uw grote macht uit Egypte hebt weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm en met tekenen en wonderen, waarmee u zich roem hebt verworven tot op de dag van vandaag – 12
2:12
Ps. 106:6
ach Heer, onze God, wij hebben onrecht bedreven, wij hebben goddeloos gehandeld, wij hebben al uw voorschriften overtreden. 13Maar laat ons toch niet langer zuchten onder uw woede, want we zijn nog maar met een handvol mensen over te midden van de volken waarover u ons hebt verspreid. 14Heer, hoor ons smeekgebed, red ons omwille van uzelf; laat aan hen die ons in ballingschap hebben gevoerd zien dat u ons gunstig gezind bent. 15
2:15
Dan. 9:19
Dan zal heel de wereld weten dat u de Heer bent, onze God: uw naam is verbonden met Israël en zijn nageslacht. 16
2:16
Deut. 26:15
Heer, zie vanuit uw heilige woning neer en merk ons op. Bied ons een luisterend oor, Heer, en hoor ons, 17
2:17
Ps. 6:6
Jes. 38:18
open uw ogen en zie: het zijn niet de doden in het dodenrijk die u eer brengen en van uw rechtvaardigheid getuigen; hun geest is immers uit hun binnenste weggenomen. 18
2:18
Deut. 28:65
Ps. 74:21
Nee, zwakke en diepbedroefde mensen, kwijnend en met een doffe blik, die onder het leven gebukt gaan, die zullen u eren, Heer, en uw rechtvaardigheid bezingen.

19

2:19
Dan. 9:18
Nu wij ons in gebed voor u neerbuigen, Heer, onze God, kunnen wij ons niet beroemen op de verdiensten van ons voorgeslacht en onze koningen. 20Want u hebt u in hevige toorn tegen ons gekeerd, zoals u door uw dienaren, de profeten, had aangekondigd met de volgende woorden: 21
2:21
Jer. 27:12
‘Dit zegt de Heer: Onderwerp je aan de koning van Babylonië en dien hem; dan blijven jullie wonen in het land dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. 22Maar als jullie niet luisteren naar het bevel van de Heer om de koning van Babylonië te dienen, 23
2:23
Jer. 7:34
16:9
dan zal ik in de steden van Juda en in Jeruzalem2:23 in Jeruzalem – Ook mogelijk is de vertaling: ‘buiten Jeruzalem’. de vreugdezangen laten verstommen en het feestgedruis rond bruid en bruidegom beëindigen; het hele land zal een woestenij worden, waar niemand meer zal wonen.’ 24
2:24
Jer. 8:1-2
Heer, wij hebben niet geluisterd naar uw bevel om de koning van Babylonië te dienen. Daarom hebt u laten gebeuren wat u uw dienaren, de profeten, al had laten aankondigen: de beenderen van onze koningen en van onze voorouders werden uit hun graf gehaald. 25
2:25
Jer. 14:12
36:30
En zo lag daar dat gebeente, blootgesteld aan de hitte van de dag en de kou van de nacht. Bitter was het einde van velen: ze kwamen om door honger, door het zwaard of in ballingschap. 26En de tempel, waaraan uw naam verbonden is, hebt u gemaakt tot wat hij nu is, vanwege het slechte gedrag van Israël en Juda.

27Ook tegenover ons hebt u zich een rechtvaardige en genadige God betoond, Heer. 28Want zo had u dat al bij monde van uw dienaar Mozes aangekondigd toen u hem opdroeg uw wet op te schrijven in aanwezigheid van de Israëlieten. U sprak: 29

2:29
Lev. 26:39
Deut. 4:27
28:62
‘Als jullie niet naar mij luisteren, dan zal – wees daar maar zeker van – heel deze bruisende menigte worden teruggebracht tot een handvol mensen te midden van de volken waaronder ik ze zal verstrooien. 30
2:30-35
Lev. 26:44-45
2:30
Deut. 30:1-2
31:27
Zach. 10:9
Ik weet nu al dat ze zeker niet naar mij zullen luisteren, omdat het een onhandelbaar volk is. Maar in hun ballingsoord zullen ze berouw krijgen 31
2:31
Deut. 29:3
30:6
Ezech. 36:26
en inzien dat ik, de Heer, hun God ben. Ik zal ze verstand geven en oren die goed kunnen horen. 32Dan zullen ze mij daar in hun ballingsoord gaan vereren en mijn naam eerbiedigen. 33
2:33
Deut. 30:9-10
Ze zullen niet langer koppig volharden in hun slechte gedrag, want het lot van hun voorouders, die tegen de Heer zondigden, zal hun voor de geest staan. 34Dan zal ik hen terugbrengen naar het land dat ik hun voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd, en zij zullen het weer in bezit nemen. Ik zal hen talrijk maken; hun aantal zal in geen geval afnemen. 35
2:35
Jer. 31:31
Ezech. 37:26
Ik zal een verbond met hen sluiten dat voor altijd zal gelden: ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En ik zal Israël, mijn volk, nooit meer verdrijven uit het land dat ik hun gegeven heb.’