Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1-3
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Jer. 48:1-47
Ezech. 25:8-11
Sef. 2:8-11
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 2Ik zal Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. 3Hun vorst breng ik om, en met hem zal ik alle andere leiders van dat rijk doden – zegt de HEER.

4Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Juda begaan: ze hebben de wetten van de HEER verworpen en zich niet gehouden aan zijn geboden; de valse goden waar hun voorouders al achteraan liepen, hebben ook hen doen dwalen. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 5

2:5
Hos. 8:14
Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.

6

2:6
Amos 8:6
Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. 7
2:7
Deut. 27:20
Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn heilige naam te schande. 8
2:8
Deut. 24:12-13
Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen.

9

2:9
Deut. 3:8-11
Job 18:16
Hos. 9:16
En toch heb ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide ik ze uit. 10
2:10
Deut. 2:7
Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11
2:11
Num. 6:1-7
Deut. 18:18
Sommigen van jullie maakte ik profeet, anderen nazireeër – zo is het toch, Israëlieten? – spreekt de HEER. 12
2:12
Jes. 30:10
Jer. 11:21
Amos 7:12-13
Maar jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken, en tegen de profeten hebben jullie gezegd: ‘Jullie mogen niet profeteren.’

13

2:13-16
Amos 9:1
Daarom zal ik de grond onder jullie voeten doen kraken,

zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen.

14

2:14-16
Jer. 46:5-6
De snelste man vlucht dan tevergeefs,

de sterke heeft niets aan zijn kracht,

de krijgsheld redt zijn leven niet,

15geen boogschutter houdt stand,

geen hardloper ontkomt,

geen ruiter brengt het er levend af,

16zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag

– spreekt de HEER.

3

31Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, Israëlieten, tot heel het volk dat hij weggeleid heeft uit Egypte: 2

3:2
Deut. 7:6
Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal ik jullie voor al je wandaden straffen.

3Gaan er ooit twee samen op weg zonder bij elkaar te zijn gekomen?

4Brult ooit een leeuw in het struikgewas als hij geen prooi heeft?

Gromt ooit een leeuw in zijn hol zonder iets te hebben gevangen?

5Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt?

Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?

6Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners bang worden?

En geschiedt er ooit onheil in een stad zonder toedoen van de HEER?

7

3:7
Gen. 18:17
Zo doet God, de HEER, niets zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.

8Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen?

God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?

9Dit moeten jullie bekendmaken in de burchten van Asdod en in de burchten van Egypte: ‘Kom naar de bergen rond Samaria om te zien hoe groot de verwarring in die stad is, hoe hevig de onderdrukking! 10Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat – spreekt de HEER –, zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.’ 11

3:11
2 Kon. 17:3-6
Daarom, Samaria, zal je land door de vijand worden omsingeld, zullen je vestingwerken worden neergehaald en je burchten worden geplunderd – zegt God, de HEER.

12Dit zegt de HEER: Zoals een herder uit de muil van een leeuw niet meer dan een paar botten weet te redden of een stukje oor, zo zal er ook niemand worden gered van de Israëlieten, die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans.

13Luister naar deze woorden en waarschuw de nakomelingen van Jakob – spreekt God, de HEER, de God van de hemelse machten: 14

3:14
1 Kon. 13:1-5
2 Kon. 23:15
De dag komt dat ik Israël voor zijn misdaden zal straffen. Mijn straf zal dan de altaren van Betel treffen, de horens van de altaren zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15
3:15
1 Kon. 22:39
Dan zal ik de winterverblijven en de zomerverblijven verwoesten, de ivoren paleizen zullen verloren gaan, en vele huizen zullen worden vernietigd – spreekt de HEER.

4

41

4:1-3
Jes. 3:16-24
32:9-12
Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg van Samaria kaalgrazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: ‘Breng ons iets te drinken!’ 2God, de HEER, zweert bij zijn heiligheid: Weet dat de dagen niet ver zijn dat jullie als vissen met hengels worden opgehaald, en wie er dan nog overblijven met haken. 3Eén voor één worden jullie door de bressen in de stadsmuur naar buiten gedreven en naar Harmon weggeslingerd – spreekt de HEER.

4Kom naar Betel en zondig er maar, kom naar Gilgal en zondig daar nog meer. Breng er ’s ochtends je offerdieren, de volgende dag je tienden. 5Breng er een dankoffer met gedesemd brood, en beroem je op je vrijwillige gaven – want zo willen jullie het toch, Israëlieten? – spreekt God, de HEER. 6

4:6
Lev. 26:14-39
Ik was het die jullie in elke stad honger liet lijden en maakte dat er in geen enkel dorp brood was: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 7
4:7
Jer. 14:1-6
Ik was het die jullie de regens onthield, drie maanden voor de oogst. Op de ene stad liet ik het regenen, op de andere liet ik het niet regenen; op het ene veld regende het, en het veld waarop het niet regende verdorde. 8Twee, drie steden wankelden naar een andere stad om water te drinken, en hun dorst werd niet gelest: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 9
4:9
Deut. 28:22
1 Kon. 8:37
Ik trof jullie met korenbrand en meeldauw; sprinkhanen vraten je tuinen en wijngaarden kaal, en alle vijgen en olijven: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 10
4:10
Ex. 9:1-7
Deut. 7:15
Jes. 34:2-3
Ik stuurde de pest op jullie af, zoals ik die ooit op Egypte afstuurde; ik doodde je soldaten en je buitgemaakte paarden, zodat jullie de stank van je eigen legerkamp roken: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 11
4:11
Gen. 19:24-25
Zach. 3:2
Ik vernietigde jullie, zoals ik Sodom en Gomorra vernietigd heb; jullie werden als een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 12Daarom zal ik tegen je optreden, Israël. Maak je gereed voor de komst van je God, Israël, want ik ben het die tegen je zal optreden.

13

4:13
Jer. 32:18
Hos. 12:6
Amos 3:7
De schepper van de bergen en de wind,

hij die de mens zijn plan onthult,

hij die de dageraad verduistert,

hij die over de bergtoppen schrijdt –

zijn naam is HEER, God van de hemelse machten.