Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

231

23:1
Hand. 24:16
2 Tim. 1:3
1 Petr. 3:16
Paulus vestigde zijn blik op de leden van het Sanhedrin en zei: ‘Broeders, ik heb een volstrekt zuiver geweten, want tot op de dag van vandaag heb ik mijn leven altijd in dienst gesteld van God.’ 2Ananias, de hogepriester, gaf degenen die naast hem stonden opdracht hem op zijn mond te slaan. 3
23:3
Mat. 23:27-28
Daarop zei Paulus tegen hem: ‘God zal ú slaan, huichelaar! U zit daar om volgens de wet recht over mij te spreken, en toch overtreedt u zelf de wet door bevel te geven mij te slaan?’ 4De omstanders zeiden: ‘Scheld je de hogepriester van God uit?’ 5
23:5
Ex. 22:27
Toen zei Paulus: ‘Ik wist niet, broeders, dat hij de hogepriester is. Er staat inderdaad geschreven: “Een leider van je volk mag je niet verwensen.”’

6

23:6
Hand. 22:3
24:15,21
26:4-8
Filip. 3:5
Paulus wist dat het Sanhedrin deels uit sadduceeën bestond en deels uit farizeeën, en daarom riep hij hun toe: ‘Broeders, ik ben een farizeeër uit een geslacht van farizeeën, en ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’ 7Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de farizeeën en de sadduceeën en raakte de vergadering verdeeld. 8
23:8
Luc. 20:27
Hand. 4:1-2
De sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de farizeeën geloven zowel het een als het ander. 9Er ontstond groot tumult, en enkele schriftgeleerden uit de kring van de farizeeën stonden op en betoogden heftig: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan! Het kan toch dat een geest of een engel met hem gesproken heeft?’

10Toen de onenigheid nog toenam, vreesde de tribuun dat Paulus door de leden van het Sanhedrin verscheurd zou worden. Hij liet een afdeling soldaten komen om hem te ontzetten en hem terug te brengen naar de kazerne. 11

23:11
Hand. 18:9-10
19:21
27:23-24
Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van mij getuigen.’

Samenzwering tegen Paulus

12Toen de dag aanbrak, verzamelde zich een groep Joden, die zwoeren dat ze niet zouden eten of drinken voor ze Paulus hadden gedood. 13Meer dan veertig mannen namen aan deze samenzwering deel. 14Ze gingen naar de hogepriesters en de oudsten en zeiden: ‘We hebben een heilige eed gezworen om niets meer te eten voor we Paulus hebben gedood. 15Dient u daarom nu, onder het voorwendsel dat u de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht nader wilt onderzoeken, namens het hele Sanhedrin een verzoek in bij de tribuun om hem naar u toe te laten brengen. Dan staan wij klaar om hem nog vóór zijn aankomst te doden.’

16De zoon van Paulus’ zuster hoorde echter van dit plan. Hij ging naar de kazerne, en nadat hij daar was binnengelaten, stelde hij Paulus van de samenzwering op de hoogte. 17Paulus liet een van de centurio’s bij zich komen en zei: ‘Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets mee te delen.’ 18De centurio ging met hem naar de tribuun en zei: ‘De gevangene Paulus heeft me bij zich laten komen en me verzocht deze jongeman naar u toe te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.’ 19De tribuun nam hem mee naar een plek waar niemand hen kon horen, en vroeg: ‘Wat heb je me te melden?’ 20De jongeman antwoordde: ‘De Joden hebben afgesproken u te verzoeken Paulus morgen naar hun raad te laten brengen, onder het voorwendsel dat ze zijn zaak nader willen onderzoeken. 21Maar u moet hen niet geloven: meer dan veertig van hen willen hem in een hinderlaag lokken. Ze hebben een eed gezworen dat ze pas weer zullen eten en drinken als ze hem vermoord hebben; ze staan al klaar en wachten alleen nog tot u hun verzoek hebt ingewilligd.’ 22De tribuun liet de jongeman vertrekken, maar beval hem: ‘Vertel aan niemand dat je me hiervan op de hoogte hebt gesteld.’ 23Daarna liet hij twee centurio’s komen en zei: ‘Zorg dat er vanavond, drie uur na zonsondergang, tweehonderd soldaten klaarstaan om naar Caesarea te gaan, samen met zeventig ruiters en tweehonderd lichtbewapende mannen; 24zorg ook voor een stel rijdieren om Paulus veilig naar procurator Felix te brengen.’ 25Ook schreef hij een brief met de volgende inhoud:

26

23:26
Hand. 24:22
‘Claudius Lysias aan zijne excellentie procurator Felix: gegroet! 27
23:27
Hand. 21:30-36
22:22-29
Toen deze man werd opgepakt door de Joden en ze op het punt stonden hem te vermoorden, heb ik hem met behulp van mijn soldaten ontzet, daar ik vernam dat hij een Romeins burger is. 28
23:28
Hand. 22:30-23:10
Omdat ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden, bracht ik hem naar hun raad, 29
23:29
Hand. 18:14-15
25:18-19,25
26:31
en stelde toen vast dat de beschuldigingen betrekking hadden op geschilpunten inzake hun wet; er werd hem niets ten laste gelegd dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft. 30
23:30
Hand. 23:16-22
Ik werd er vervolgens van op de hoogte gesteld dat er een aanslag tegen hem werd beraamd, waarna ik hem onmiddellijk naar u heb gezonden. Ook heb ik degenen die hem beschuldigen gelast dat ze hun grieven jegens hem aan u moeten voorleggen.’

31De soldaten namen Paulus mee, zoals hun opgedragen was, en brachten hem ’s nachts naar Antipatris. 32De volgende ochtend lieten ze de ruiters met hem verder reizen en keerden ze zelf terug naar de kazerne. 33Na aankomst in Caesarea overhandigden Paulus’ begeleiders de brief aan de procurator en droegen Paulus over aan zijn gezag. 34

23:34
Hand. 21:39
22:3
Nadat Felix de brief had gelezen vroeg hij uit welke provincie Paulus afkomstig was, en toen hij had gehoord dat Paulus uit Cilicië kwam, 35zei hij: ‘Ik zal u verhoren zodra ook uw aanklagers aangekomen zijn.’ Hij gaf bevel hem gevangen te houden in het pretorium van Herodes.

24

De aanklacht tegen Paulus en zijn verdediging voor Felix

241

24:1
Hand. 23:2
Vijf dagen later arriveerde Ananias, de hogepriester, samen met enkele oudsten en met Tertullus, een advocaat. Ze dienden hun klacht tegen Paulus in bij de procurator. 2Toen deze voor het gerecht geroepen was, begon Tertullus zijn requisitoir als volgt: ‘Excellentie, dat wij dankzij u in duurzame vrede leven en dat door uw vooruitziend beleid hervormingen ten gunste van het Joodse volk tot stand komen, 3erkennen we van ganser harte, en we zijn u daarvoor veel dank verschuldigd. 4Ik wil u echter niet langer ophouden dan nodig is, en daarom doe ik een beroep op uw welwillendheid om een ogenblik naar ons te luisteren. 5
24:5
Luc. 23:2
Hand. 16:20
17:6
28:22
Het is ons gebleken dat deze man een ware pest is en dat hij overal ter wereld onlusten onder de Joden veroorzaakt. Als een van de voornaamste leiders van de sekte van de Nazoreeërs 6
24:6
Hand. 21:28
heeft hij zelfs een poging ondernomen om de tempel te ontwijden, waarna we hem hebben overmeesterd.24:6 Andere handschriften hebben na ‘overmeesterd’ en voor ‘Dat al onze beschuldigingen’ nog de volgende tekst: ‘om hem volgens onze wet te berechten. [7] Toen greep Lysias, de tribuun, echter in. Hij haalde hem met grof geweld bij ons weg [8] en beval zijn aanklagers voor u te verschijnen.’ 8Dat al onze beschuldigingen juist zijn, kunt u uit zijn eigen mond vernemen als u hem ondervraagt.’ 9De Joden steunden de aanklacht en bevestigden de juistheid ervan.

10Toen de procurator Paulus toeknikte ten teken dat hij het woord mocht voeren, sprak hij als volgt: ‘Ik weet dat u al vele jaren rechtspreekt over het Joodse volk, en daarom verdedig ik mijn zaak in goed vertrouwen. 11U kunt u ervan vergewissen dat ik pas twaalf dagen geleden naar Jeruzalem ben gegaan om daar God te aanbidden. 12Ik heb in al die tijd nooit een debat uitgelokt of een volksoploop veroorzaakt, niet in de tempel, niet in de synagogen en ook niet elders in de stad. 13Mijn aanklagers beschikken over geen enkel bewijs voor hun beschuldigingen. 14Maar wel wil ik hier verklaren dat ik overeenkomstig de Weg, die zij een sekte noemen, de God van onze voorouders dien en dat ik geloof in alles wat in de Wet en de Profeten geschreven staat; 15

24:15
Joh. 5:29
Hand. 23:6
en evenals mijn aanklagers hoop en verwacht ik dat God zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen uit de dood zal doen opstaan. 16
24:16
Hand. 23:1
Daarom tracht ook ik steeds mijn geweten zuiver te houden tegenover God en de mensen. 17Na verscheidene jaren ben ik naar Jeruzalem gekomen om giften te brengen voor mijn volk en offers op te dragen. 18
24:18
Hand. 21:27
Ik was daarmee bezig en had me al gereinigd, toen enkele Joden uit Asia me in de tempel aantroffen – er had zich geen menigte verzameld, en er was ook geen sprake van tumult. 19Zij zijn het die voor u hadden moeten verschijnen om me aan te klagen, aangenomen dat ze iets tegen me hadden kunnen inbrengen. 20En anders moeten deze mensen hier maar eens zeggen van welk misdrijf ze me konden betichten toen ik voor het Sanhedrin verscheen, 21
24:21
Hand. 23:6
of het moest zijn dat ik heb uitgeroepen, toen ik voor hen stond: “Omwille van de opstanding van de doden sta ik vandaag voor u terecht.”’

22

24:22
Hand. 9:2
23:26
Felix, die goed bekend was met alles wat op de Weg betrekking had, verdaagde daarop de zitting en zei: ‘Zodra Lysias, de tribuun, is aangekomen zal ik in uw zaak uitspraak doen.’ 23Hij gaf de centurio opdracht Paulus in hechtenis te houden, maar onder een mild regime, en gelastte dat niemand uit zijn kring verhinderd mocht worden voor hem te zorgen.

Felix en Paulus

24Enkele dagen later ging Felix samen met zijn vrouw Drusilla, die een Jodin was, naar de gevangenis. Hij liet Paulus halen om te horen wat hij over het geloof in Christus Jezus te zeggen had. 25Maar toen Paulus sprak over gerechtigheid en zelfbeheersing en over het komende oordeel van God werd Felix bang en zei: ‘Voorlopig kunt u gaan. Wanneer ik in de gelegenheid ben, zal ik u weer laten roepen.’ 26Maar intussen hoopte hij dat Paulus hem geld zou aanbieden; daarom liet hij hem telkens weer komen voor een gesprek. 27Toen er twee jaren verstreken waren, werd Felix opgevolgd door Porcius Festus. Om de Joden ter wille te zijn, liet hij Paulus in gevangenschap achter.

25

Het beroep op de keizer

251Drie dagen nadat Festus zijn intrede in de provincie had gedaan, ging hij van Caesarea naar Jeruzalem. 2Daar dienden de hogepriesters en de andere Joodse leiders een klacht tegen Paulus bij hem in. Bovendien vroegen ze hem 3

25:3
Hand. 23:12-15
of hij hun een gunst wilde bewijzen door Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen, want ze hadden het plan opgevat hem onderweg te vermoorden. 4Festus antwoordde dat Paulus in Caesarea in hechtenis zou blijven, maar dat hijzelf daar binnenkort weer heen zou gaan. 5‘Laten degenen onder u die bevoegd zijn meegaan,’ zei hij, ‘en laten ze deze man aanklagen als hij iets heeft gedaan dat ontoelaatbaar is.’

6Hij bleef niet langer dan acht tot tien dagen bij hen, en vertrok toen naar Caesarea. De volgende dag al opende hij de rechtszitting en gaf bevel om Paulus voor te leiden. 7

25:7
Hand. 24:13
Toen Paulus verscheen, gingen de Joden uit Jeruzalem om hem heen staan en brachten allerlei zware beschuldigingen tegen hem in, die ze niet konden bewijzen. 8
25:8
Hand. 24:10-21
Paulus voerde tot zijn verdediging aan: ‘Ik heb geen enkel misdrijf gepleegd, niet tegen de Joodse wet, niet tegen de tempel en niet tegen de keizer!’ 9
25:9
Hand. 24:27
Maar Festus wilde de Joden ter wille zijn, en daarom vroeg hij Paulus: ‘Wilt u naar Jeruzalem gaan om daar in mijn aanwezigheid voor deze zaak terecht te staan?’ 10Paulus antwoordde echter: ‘Ik sta hier voor de keizerlijke rechtbank, en hier moet ik terechtstaan. Ik heb de Joden geen enkel onrecht aangedaan, zoals ook u heel goed weet. 11
25:11-12
Hand. 26:32
28:19
Mocht ik toch schuldig zijn en iets hebben gedaan waarop de doodstraf staat, dan zal ik me niet aan deze straf onttrekken, maar als de beschuldigingen die deze mensen tegen me inbrengen op niets berusten, kan niemand me aan hen uitleveren. Ik beroep me op de keizer!’ 12Na overleg met zijn raadgevers verklaarde Festus toen: ‘U hebt u beroepen op de keizer, dan zult u ook naar de keizer gaan!’

Festus overlegt met Agrippa

13Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. 14

25:14-15
Hand. 24:1
25:2
Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus. Hij zei: ‘Er is hier een man die door Felix als gevangene is achtergelaten. 15Toen ik in Jeruzalem was hebben de hogepriesters en de oudsten van de Joden een klacht tegen hem ingediend en om zijn veroordeling verzocht. 16Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet gebruikelijk is iemand uit te leveren zonder dat hij tegenover zijn aanklagers heeft gestaan en de kans heeft gekregen zich tegen de aanklacht te verdedigen. 17
25:17
Hand. 25:7-8
Toen ze hier bijeen waren gekomen, heb ik de zaak niet langer uitgesteld, maar heb ik al de volgende dag de rechtszitting geopend en bevel gegeven hem voor te leiden. 18
25:18-19
Hand. 18:14-15
23:29
De aanklagers gingen om hem heen staan, maar beschuldigden hem niet van het soort misdrijven dat ik had verwacht. 19Wel bleken er geschilpunten te bestaan met betrekking tot hun godsdienst en een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat hij leeft. 20Omdat ik niet goed wist hoe ik deze kwesties moest onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar terecht te staan. 21
25:21
Hand. 25:11-12
Maar toen beriep hij zich op de keizer en verkoos om in gevangenschap te blijven tot zijne keizerlijke hoogheid een uitspraak heeft gedaan. Ik heb opdracht gegeven om hem in hechtenis te houden tot ik hem naar de keizer kan zenden.’ 22Agrippa zei tegen Festus: ‘Ik zou die man zelf wel eens willen horen.’ ‘Morgen,’ zei Festus, ‘zult u hem horen.’

Verdedigingsrede van Paulus voor Agrippa

23De volgende dag verschenen Agrippa en Bernice in vol ornaat. Samen met de legeraanvoerders en de voornaamste inwoners van de stad betraden ze de ontvangstzaal, waarna Paulus op bevel van Festus werd voorgeleid. 24

25:24
Hand. 21:36
22:22
Festus zei: ‘Koning Agrippa, en u allen die hier aanwezig bent, dit is de man om wie de hele Joodse bevolking zich tot mij heeft gewend, zowel hier als in Jeruzalem, terwijl ze luidkeels te kennen gaven dat hij niet langer het recht had om te leven. 25
25:25
Hand. 23:29
Voor zover ik weet heeft hij niets misdreven waarop de doodstraf staat, maar aangezien hij zich op zijne keizerlijke hoogheid heeft beroepen, heb ik besloten hem naar Rome te zenden. 26Ik kan mijn heer echter niets concreets over hem schrijven, en daarom heb ik hem hier laten voorleiden, in het bijzonder voor u, koning Agrippa, om na afloop van dit verhoor iets op schrift te kunnen stellen. 27Het lijkt me namelijk zinloos om een gevangene naar Rome te sturen zonder melding te maken van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen.’