Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

Toezeggingen over de voortzetting van Davids koningshuis

71

7:1-17
1 Kron. 17:1-15
Toen de koning zijn intrek had genomen in het paleis en de HEER hem rust had gegeven door hem van al zijn vijanden te verlossen, 2
7:2
Ps. 132:3-5
zei de koning tegen de profeet Natan: ‘Kijk nu toch! Ik woon in een paleis van cederhout, terwijl de ark van God in een tent staat.’ 3‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde Natan, ‘de HEER staat u immers terzijde.’ 4Maar diezelfde nacht richtte de HEER zich tot Natan: 5
7:5
Jes. 66:1
‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? 6
7:6
Ex. 40:34-38
1 Kon. 8:16
Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. 7Overal heb ik met de Israëlieten rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de herders van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?” 8
7:8-16
Ps. 89:20-38
7:8
1 Sam. 16:11
17:15
Ps. 78:70-71
Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk Israël te leiden. 9Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. 10Ik heb aan mijn volk Israël een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde 11
7:11
2 Sam. 23:5
en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Jou heb ik rust gegeven door je van je vijanden te verlossen. De HEER zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen: 12
7:12
Ps. 132:11-12
Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. 13
7:13-14
1 Kron. 22:10
28:6
7:13
1 Kon. 5:19
8:19
Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. 14Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon: als hij zondigt, zal ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, 15
7:15
1 Sam. 13:14
15:28
maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die ik verstootte omwille van jou. 16
7:16
2 Sam. 23:5
Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’

17Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. 18

7:18-29
1 Kron. 17:16-27
7:18
1 Sam. 18:18
Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: ‘Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? 19En alsof dat nog niet genoeg was, HEER, mijn God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. Moge dit de mensheid tot wet worden gesteld, HEER, mijn God. 20Wat kan ik verder nog zeggen? U kent uw dienaar, HEER, mijn God. 21U hebt al deze grootse dingen gedaan en ze aan mij bekendgemaakt omdat u handelt naar uw woord en u houdt aan wat u zich hebt voorgenomen. 22
7:22
Ex. 15:11
Daarom bent u groot, HEER, mijn God. Het is zoals ons altijd is voorgehouden: zoals u is er geen, er bestaat geen andere god dan u. 23
7:23
Deut. 4:7,34
Ps. 44:2-3
En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor een God zich heeft ingezet om het vrij te kopen en tot zijn volk te maken, om zo voor zichzelf een naam te vestigen door middel van grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat u uit Egypte hebt bevrijd, hebt u vreemde volken en hun goden op de vlucht gedreven.7:23 hebt u [...] op de vlucht gedreven – Voorgestelde lezing. MT: ‘voor uw land’. 24
7:24
Ex. 6:7
Deut. 29:12
U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en u, HEER, bent hun tot God. 25Welnu, HEER, mijn God, houd u dan ook aan de belofte die u aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan en doe uw woord voor altijd gestand. 26Dan zal uw naam voor altijd in ere worden gehouden en zal men zeggen: “De HEER van de hemelse machten is God over Israël,” en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. 27U, HEER van de hemelse machten, God van Israël, hebt aan uw dienaar onthuld dat u voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot u te richten. 28
7:28
Num. 23:19
U, HEER, mijn God, hebt me zo’n grootse toekomst beloofd. U alleen bent God, uw woorden zullen zeker in vervulling gaan. 29Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. Dat hebt u, HEER, mijn God, immers beloofd. Moge het koningshuis van uw dienaar voor altijd door u gezegend zijn.’

8

Davids overwinningen

81

8:1-14
1 Kron. 18:1-13
Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en ontnam hun het bestuur over hun hoofdstad. 2Ook de Moabieten versloeg hij. Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen. 3Later versloeg hij Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht over het gebied langs de Eufraat te herstellen. 4
8:4
Joz. 11:9
David nam zeventienhonderd wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden. 5Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Soba te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. 6Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

7David nam de gouden schilden van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. 8Uit Betach en Berotai, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee. 9Toen koning Toï van Hamat hoorde dat David het leger van Hadadezer had verslagen, 10liet hij zijn zoon Joram zijn opwachting maken bij koning David en hem gelukwensen met zijn overwinning. Toï was namelijk in oorlog met Hadadezer. Joram had geschenken bij zich van goud, zilver en koper. 11Koning David wijdde deze geschenken aan de HEER, samen met het goud en zilver van de volken die hij had onderworpen: 12de Arameeërs, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten, en van Hadadezer, de koning van Soba.

13

8:13
2 Kon. 14:7
Ps. 60:2
Toen David na zijn overwinning op de Arameeërs terugkeerde, breidde hij zijn roem nog uit door de Edomieten in de Zoutvallei te verslaan,8:13 door de Edomieten [...] te verslaan – Voorgestelde lezing. Ontbreekt in MT. achttienduizend man. 14Overal in Edom bezette hij strategische punten, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

Davids ambtenaren

15

8:15-18
2 Sam. 20:23-26
1 Kron. 18:14-17
David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. 16
8:16
1 Kon. 4:3
Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 17Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Achimelech,8:17 Abjatar, de zoon van Achimelech – Voorgestelde lezing ondersteund door de Pesjitta. MT: ‘Achimelech, de zoon van Abjatar’. waren priester; Seraja was hofschrijver; 18Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten.8:18 Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘Benaja, de zoon van Jojada, en de Keretieten en Peletieten’. Davids zonen waren ook priester.

9

David en de zoon van Jonatan

91

9:1
1 Sam. 18:1
20:15-17
David vroeg: ‘Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen, dat ben ik aan Jonatan verplicht.’ 2
9:2
2 Sam. 16:1
Nu was er bij de familie van Saul een zekere Siba in dienst. Hij werd bij David geroepen, en de koning zei tegen hem: ‘Bent u Siba?’ ‘Uw dienaar, heer,’ antwoordde hij. 3
9:3
2 Sam. 4:4
De koning vroeg hem: ‘Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik goed behandelen, zoals God dat voorschrijft.’ Siba antwoordde: ‘Er is nog een zoon van Jonatan, een kreupele.’ 4
9:4
2 Sam. 17:27
‘Waar is hij?’ vroeg de koning hem, en Siba antwoordde: ‘Hij woont bij Machir, de zoon van Ammiël, in Lo-Debar.’

5Koning David liet de zoon van Jonatan, de kleinzoon van Saul, ophalen uit het huis van Machir in Lo-Debar. 6Toen hij bij David kwam, liet hij zich op zijn knieën vallen en boog diep voorover. ‘Mefiboset?’ vroeg David, en hij antwoordde: ‘Ik ben uw dienaar, heer.’ 7Daarop zei David tegen hem: ‘Wees niet bang, ik verzeker u dat ik u goed zal behandelen, dat ben ik aan uw vader Jonatan verplicht. Ik zal u het land van uw grootvader Saul teruggeven, en voortaan bent u aan mijn tafel te gast.’ 8Opnieuw boog Mefiboset, en hij zei: ‘Wie ben ik, heer, dat u zich bekommert om een dode hond als ik?’

9Toen liet de koning Siba komen, de dienaar van Saul, en zei tegen hem: ‘Alles wat aan Saul en zijn familie behoorde, geef ik aan de kleinzoon van uw meester. 10-12

9:10-12
2 Sam. 16:1-4
19:25-31
U zult voor hem de grond bewerken, samen met uw zonen en knechten, en de opbrengst afdragen aan de kleinzoon van uw meester, zodat hij ervan leven kan. En Mefiboset, de kleinzoon van uw meester, is voortaan aan mijn tafel te gast.’ Siba antwoordde de koning: ‘Zoals u beveelt, mijn heer en koning. Het zal gebeuren.’ Zo werd Mefiboset aan het hof opgenomen en behandeld als een van de koningszonen. Hij had een zoontje, dat Micha heette. Siba, die zelf vijftien zonen en twintig knechten had, was met alle leden van zijn huishouding in dienst bij Mefiboset. 13Mefiboset woonde in Jeruzalem en was opgenomen aan het hof. Hij had een gebrek aan beide benen.