Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

Het lot van de nakomelingen van Saul

211Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt door Saul en zijn moordenaarsbende, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.’ 2

21:2
Joz. 9:3-15
De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen 3en vroeg hun: ‘Wat kan ik doen om het onrecht goed te maken dat u is aangedaan, zodat de vloek die er wegens u op Gods eigen land rust ongedaan wordt gemaakt?’ 4De Gibeonieten antwoordden: ‘Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht niet om iemand uit Israël te doden.’ De koning zei: ‘Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan.’ 5‘De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!’ antwoordden ze. 6‘Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.’ ‘Goed,’ zei de koning. 7
21:7
1 Sam. 20:15-17
2 Sam. 9:1-7
Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. 8
21:8
1 Sam. 18:19
2 Sam. 3:7
Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab21:8 Merab – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Michal’. had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. 9Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. 10Rispa, de bijvrouw van Saul, spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen om overdag de aasvogels van de lijken te verjagen en ’s nachts de wilde dieren. 11Toen David hoorde wat Rispa had gedaan, 12
21:12
1 Sam. 31:8-13
liet hij het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden immers heimelijk de lijken geborgen van Saul en Jonatan, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. 13-14Hij liet hun gebeente overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lijken van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

15Tijdens een van de veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. 16Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een speer die wel driehonderd sjekel koper woog, dreigde dat hij David zou doden. 17

21:17
2 Sam. 14:7
1 Kon. 11:36
15:4
2 Kon. 8:19
Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.’ 18
21:18-22
1 Kron. 20:4-8
Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. 19
21:19
1 Sam. 17:4-50
Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari,21:19 Jari – Voorgestelde lezing. MT: ‘Jaäre-Oregim’. uit Betlehem. De schacht van Goliats speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 20Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 21Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 22Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

22

Het overwinningslied van David

221

22:1-51
Ps. 18:1-51
Dit zijn de woorden van het lied dat David voor de HEER aanhief toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei:

HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,

3

22:3
1 Sam. 2:2
God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen,

mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht,

mijn toevlucht, mijn redder, u redt mij van het geweld.

4Ik roep: “Geloofd zij de HEER,”

want ik ben van mijn vijanden verlost.

5Mij omsloten de golven van de dood,

de kolkende afgrond joeg mij angst aan,

6de banden van het dodenrijk omklemden mij,

op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

7In mijn nood riep ik tot de HEER,

ik riep mijn God om hulp,

en in zijn paleis hoorde hij mijn stem,

mijn geroep klonk in zijn oren.

8

22:8
Ex. 19:16
Toen schudde en schokte de aarde,

de hemel trilde op zijn grondvesten,

ze beefden omdat hij vlamde van woede,

9rook steeg op uit zijn neus,

verterend vuur kwam uit zijn mond,

hij spuwde hete as.

10

22:10
Ps. 144:5
Hij schoof de hemel open en daalde af,

duisternis onder zijn voeten,

11hij besteeg de cherub en vloog –

daar verscheen hij op vleugels van de wind.

12Hij maakte van het donker een tent om zich heen,

een waaier van water, dichte wolken.

13Een vuurgloed ging voor hem uit

en verbrandde alles tot gloeiende as.

14De donder van de HEER klonk uit de hemel,

de Allerhoogste verhief zijn stem.

15

22:15
Ps. 144:6
Hij schoot pijlen en sloeg de vijanden uiteen,

met zijn bliksem verdreef hij hen.

16De beddingen van de zee werden zichtbaar,

de grondvesten van de wereld kwamen bloot

onder de dreigende blik van de HEER,

door de briesende adem uit zijn neus.

17

22:17
Ps. 144:7
Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast

en trok mij op uit de woeste wateren,

18ontrukte mij aan mijn machtige vijand,

aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

19Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,

maar de HEER was mijn steun.

20Hij leidde mij uit de nood en gaf mij ruimte,

bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.

21De HEER heeft mijn onschuld vergolden,

mij beloond voor mijn reine handen:

22ik volgde de wegen die de HEER had gewezen,

en werd mijn God niet ontrouw,

23zijn voorschriften hield ik voor ogen,

van zijn wetten week ik nooit af.

24Ik was hem volkomen toegewijd

en hoedde mij steeds voor het kwaad,

25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,

hij zag mijn reinheid.

26U bent trouw voor de trouwe,

volmaakt voor de volmaakte,

27zuiver voor de zuivere,

maar voor de sluwe ongrijpbaar.

28U redt het vertrapte volk,

maar ziet op de hoogmoedigen neer.

29U bent mijn lamp, HEER,

u, HEER, verlicht mijn duisternis,

30met u storm ik af op een legerbende,

met mijn God beklim ik de hoogste muur.

31Gods weg is volmaakt,

het woord van de HEER is zuiver,

een schild is hij

voor allen die bij hem schuilen.

32Wie anders is God dan de HEER,

wie anders een rots dan onze God?

33De God die mijn sterke vesting is

baant een volmaakte weg voor mij,

34

22:34
Hab. 3:19
hij geeft mij voeten, snel als hinden,

doet mij op toppen van bergen staan,

35oefent mijn handen voor de strijd –

mijn armen spannen de bronzen boog.

36U was het schild dat mij redde,

uw antwoord maakte mij sterk,

37u baande de weg voor mijn voeten,

ik wankelde niet.

38Ik achtervolgde mijn vijanden en verdelgde hen,

ik keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,

39ik vernietigde, verpletterde hen, ze stonden niet meer op,

dood lagen ze onder mijn voeten.

40U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,

mijn tegenstanders voor mij doen buigen,

41u liet mij de rug van mijn vijanden zien,

mijn haters, ik roeide ze uit.

42Ze zagen om naar hulp, maar er was geen redder,

zij riepen de HEER, maar hij antwoordde niet.

43Ik verpulverde hen tot fijn stof,

ik vertrad ze, veegde hen weg als vuil van de straat.

44U bevrijdde mij van een opstandig volk,

onder uw hoede bleef ik het hoofd van naties,

een volk dat ik niet kende, onderwierp zich.

45Vreemdelingen toonden zich onderdanig,

ze gehoorzaamden mij zodra ze van mij hoorden,

46vreemde volken verloren hun kracht,

wankelend kwamen zij uit hun burchten.

47De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,

hoogverheven is God, de rots die mij redt.

48De God die mij wraak liet nemen,

bracht volken onder mijn gezag,

49schudde mijn vijanden van mij af,

verhief mij boven mijn tegenstanders,

ontrukte mij aan mannen van geweld.

50

22:50
Rom. 15:9
Daarom wil ik u prijzen, HEER, te midden van de volken,

een loflied zingen tot eer van uw naam.

51Hij schenkt zijn koning overwinningen,

betoont zich trouw aan zijn gezalfde,

aan David en zijn nageslacht, voor altijd.’

23

Davids laatste woorden

231Dit zijn de laatste woorden van David:

‘Zo spreekt David, de zoon van Isaï,

zo spreekt hij, tot hoge macht verheven,

de gezalfde van de God van Jakob,

de geliefde zanger van Israël:

2

23:2
Jes. 59:21
Jer. 1:9
De geest van de HEER sprak in mij,

zijn woorden zijn op mijn tong.

3De God van Israël heeft gesproken,

de rots van Israël heeft over mij gezegd:

“Wie rechtvaardig heerst over de mensen,

heerst in diep ontzag voor God.

4Hij is als een stralende morgenzon

die na de regens opkomt aan een wolkeloze hemel

en met zijn warmte het jonge groen laat opschieten.”

5

23:5
2 Sam. 7:11-16
Jes. 55:3
Zo, met Gods hulp, is ook mijn koningshuis,

want een eeuwig verbond heeft hij me toegezegd,

nauwkeurig opgesteld en onverbrekelijk.

Op zijn hulp kan ik me verlaten,

wat mij dierbaar is laat hij gedijen.

6Maar de onwaardigen, zij zijn als doornstruiken,

ontworteld door de wind,

met blote handen raakt men ze niet aan.

7Wie ze wil opruimen

neemt een stok met ijzeren punt ter hand

om ze in het vuur te werpen en ter plekke te verbranden.’

Davids helden

8

23:8-39
1 Kron. 11:10-41
Dit zijn de namen van Davids helden:

Isboset uit Chachmon23:8 Isboset uit Chachmon – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Joseb Bassebet de Tachkemoniet’. was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer23:8 doorboorde met zijn speer – Voorgestelde lezing. MT: ‘Adino de Esniet’. achthonderd mannen in één gevecht. 9De tweede van de drie helden was Elazar, een zoon van Dodo uit Achoach. Hij was erbij toen David en zijn mannen de Filistijnen honend uitdaagden. Daarop trokken de Filistijnen hun troepen samen voor de strijd, en Israël moest zich terugtrekken. 10Maar Elazar hield stand en sloeg op de Filistijnen in; zelfs toen hij niet meer kon liet hij het zwaard niet los. Zo schonk de HEER Israël die dag een grote overwinning. Het leger sloot zich weer bij Elazar aan, maar alleen nog om te plunderen. 11De derde was Samma, de zoon van Age, uit Harar. De Filistijnen hadden op een keer hun troepen samengetrokken bij Lechi,23:11 hun troepen samengetrokken bij Lechi – Voorgestelde lezing. MT: ‘hun troepen samengetrokken’. waar een akker met linzen was. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, 12maar Samma stelde zich op de akker op en wist die te behouden; hij versloeg de Filistijnen, en de HEER schonk Israël een grote overwinning.

13

23:13
1 Sam. 22:1
2 Sam. 5:18
Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens voor de oogst bij David, in de grot bij Adullam. In de vallei van Refaïm waren toen Filistijnse troepen gelegerd. 14David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpost was uitgezet. 15Op een keer, toen hij smachtte van dorst, verzuchtte David: ‘Wie geeft me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem?’ 16De drie helden baanden zich een weg door het Filistijnse kamp en haalden water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de HEER 17en zei: ‘De HEER verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed dronk van de mannen die hun leven hebben gewaagd om het te halen!’ Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldendaden verrichtte dit drietal.

18Abisai, een broer van Joab en een zoon van Seruja, was de belangrijkste van de dertig helden. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het drietal. 19Hij was de aanvoerder van de dertig23:19 dertig – Volgens een Hebreeuws handschrift en sommige oude vertalingen. MT: ‘drie’. helden en stond van hen het meest in aanzien, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. 20

23:20
2 Sam. 8:18
20:23
Ook Benaja, de zoon van Jojada, uit Kabseël, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer, toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doodde daar een leeuw. 21Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van een kerel. De Egyptenaar was gewapend met een speer, maar Benaja ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en doodde hem ermee. 22Zulke heldendaden verrichtte Benaja, de zoon van Jojada, en zo maakte hij naam bij het drietal. 23Hij was een van de aanzienlijksten van de dertig helden, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht.

24

23:24
2 Sam. 2:18-23
Tot de dertig helden behoorden verder: Asaël, een broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem; 25Samma en Elika uit Charod; 26Cheles uit Pelet; Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; 27Abiëzer uit Anatot; Mebunnai uit Chusa; 28-29Salmon uit Achoach; Maharai en Cheleb, de zoon van Baäna, beiden uit Netofa; Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; 30Benaja uit Piraton; Hiddai uit de wadi’s van Gaäs; 31Abialbon uit de wadi Araba; Azmawet uit Barchum; 32Eljachba uit Saälbon; Jasen uit Gun; Jonatan,23:32-33 Jasen uit Gun; Jonatan, de zoon van Samma, en Achiam, de zoon van Sarar, beiden uit Harar – Voorgestelde lezing. MT: ‘de zonen van Jasen; Jonatan; Samma uit Harar; Achiam, de zoon van Sarar, uit Arar’. 33de zoon van Samma, en Achiam, de zoon van Sarar, beiden uit Harar; 34Elifelet, de zoon van Achasbai uit Maächa; Eliam, de zoon van Achitofel, uit Gilo; 35Chesro uit Karmel; Paärai uit Arba; 36Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad; 37Selek uit Ammon; Nachrai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; 38Ira en Gareb uit Jeter; 39
23:39
2 Sam. 11:3
en de Hethiet Uria. Bij elkaar waren het er zevenendertig.