Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
20

201

20:1
1 Kon. 12:16
2 Kron. 10:16
Nu was er onder de Israëlieten ook een echte onruststoker, een zekere Seba, de zoon van Bichri, uit de stam Benjamin. Hij blies op de ramshoorn en zei: ‘Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël!’ 2Alle Israëlieten keerden David de rug toe en volgden de Benjaminiet Seba, maar de Judeeërs bleven hun koning vergezellen van de Jordaan tot aan Jeruzalem.

3

20:3
2 Sam. 15:16
16:20-22
Toen koning David in zijn paleis in Jeruzalem kwam, stelde hij de tien bijvrouwen die hij als huisbewaarsters had achtergelaten, in bewaring in een eigen huis. Hij bleef hen onderhouden, maar hij zocht hen niet meer op. Zo bleven zij tot aan de dag van hun dood opgesloten als onbestorven weduwen.

4

20:4
2 Sam. 19:14
De koning zei tegen Amasa: ‘Roep alle mannen van Juda bijeen en meld u binnen drie dagen weer bij mij.’ 5Amasa ging op weg om de Judeeërs bijeen te roepen, maar op de afgesproken tijd was hij nog niet terug. 6Toen zei David tegen Abisai: ‘Seba, de zoon van Bichri, vormt een nog grotere bedreiging voor ons dan Absalom! Abisai, neemt u dan mijn leger onder uw bevel en ga achter hem aan voordat hij onze versterkte steden voor zich wint, want dan staan wij met lege handen.’ 7De mannen van Joab, de Keretieten en Peletieten en al Davids helden sloten zich bij Abisai aan en zetten vanuit Jeruzalem de achtervolging van Seba in. 8Bij de grote steen in Gibeon kwamen ze Amasa achterop. Joab droeg gevechtskleding, met daarop een koppelriem waarin zijn zwaard gestoken was. Toen hij een stap naar voren deed, gleed het zwaard uit de schede. 9‘Is alles goed met je, Amasa?’ vroeg hij, en hij greep hem met zijn rechterhand bij zijn baard om hem te kussen. 10
20:10
1 Kon. 2:5
Amasa was niet verdacht op het zwaard dat Joab in zijn andere hand hield. Joab stak Amasa in de buik, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. Hij hoefde geen tweede maal te steken: de verwonding was dodelijk. Joab en zijn broer Abisai zetten de achtervolging van Seba voort. 11Een van Joabs wapendragers bleef bij Amasa staan en riep: ‘Wie het goed meent met Joab, wie vóór David is, hij volge Joab!’ 12Amasa lag op de weg, stuiptrekkend in zijn bloed. Toen de wapendrager merkte dat de soldaten stil bleven staan, rolde hij Amasa van de weg af, het veld in, en wierp een kleed over hem heen omdat iedereen die langs hem kwam stilhield. 13Toen Amasa van de weg was verwijderd, volgden allen Joab, Seba achterna.

14Seba was dwars door Israël naar Abel-Bet-Maächa getrokken. Alle Bichrieten20:14 Bichrieten – Voorgestelde lezing. MT: ‘Berieten’. hadden zich bij hem aangesloten. 15Toen kwam ook Joab met zijn leger bij Abel-Bet-Maächa en sloot hem daar in. Ze wierpen een wal op tegen de muur van de vesting en bestookten van daar af met man en macht de stadsmuur. 16Toen riep een wijze vrouw vanuit de stad: ‘Luister, luister! Vraag of Joab dichterbij komt, zodat ik met hem praten kan.’ 17Joab kwam naderbij en de vrouw vroeg: ‘Bent u Joab?’ ‘Jazeker,’ antwoordde hij. ‘Luister naar wat ik u te zeggen heb,’ zei de vrouw, en Joab antwoordde: ‘Ik luister.’ 18Toen zei de vrouw: ‘Vroeger bestond er een zegswijze: Wie in Abel om raad vraagt, komt nooit bedrogen uit. 19Wij zijn vredelievende en getrouwe Israëlieten. Maar u, u wilt een stad van de aardbodem wegvagen die als een wijze moeder is in Israël. Waarom vergrijpt u zich aan Gods eigen land?’ 20‘Geen sprake van!’ antwoordde Joab. ‘Ik ben er beslist niet op uit om me aan uw stad te vergrijpen of haar van de aardbodem weg te vagen. 21Daar is het me niet om te doen. Maar iemand uit het bergland van Efraïm – een zekere Seba, een zoon van Bichri – is in opstand gekomen tegen de koning, tegen David. Lever hem aan mij uit, dan zal ik de stad verder ongemoeid laten.’ Toen zei de vrouw tegen Joab: ‘Goed, zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen.’ 22De vrouw legde haar wijze raad voor aan de bevolking van de stad, en zij hakten Seba’s hoofd af en wierpen het Joab toe. Joab blies op de ramshoorn en het beleg van de stad werd opgebroken. De soldaten gingen terug naar hun eigen woonplaats, en Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.

Davids ambtenaren

23

20:23-26
2 Sam. 8:15-18
1 Kron. 18:14-17
Joab was opperbevelhebber van het leger van Israël en Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten; 24Adoram was opzichter van de herendienst; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier 25en Seja was hofschrijver; Sadok en Abjatar waren priester, 26en ook de Jaïriet Ira was priester bij David.

21

Het lot van de nakomelingen van Saul

211Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt door Saul en zijn moordenaarsbende, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.’ 2

21:2
Joz. 9:3-15
De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen 3en vroeg hun: ‘Wat kan ik doen om het onrecht goed te maken dat u is aangedaan, zodat de vloek die er wegens u op Gods eigen land rust ongedaan wordt gemaakt?’ 4De Gibeonieten antwoordden: ‘Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht niet om iemand uit Israël te doden.’ De koning zei: ‘Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan.’ 5‘De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!’ antwoordden ze. 6‘Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.’ ‘Goed,’ zei de koning. 7
21:7
1 Sam. 20:15-17
2 Sam. 9:1-7
Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. 8
21:8
1 Sam. 18:19
2 Sam. 3:7
Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab21:8 Merab – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Michal’. had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. 9Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. 10Rispa, de bijvrouw van Saul, spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen om overdag de aasvogels van de lijken te verjagen en ’s nachts de wilde dieren. 11Toen David hoorde wat Rispa had gedaan, 12
21:12
1 Sam. 31:8-13
liet hij het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden immers heimelijk de lijken geborgen van Saul en Jonatan, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. 13-14Hij liet hun gebeente overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lijken van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

15Tijdens een van de veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. 16Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een speer die wel driehonderd sjekel koper woog, dreigde dat hij David zou doden. 17

21:17
2 Sam. 14:7
1 Kon. 11:36
15:4
2 Kon. 8:19
Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.’ 18
21:18-22
1 Kron. 20:4-8
Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. 19
21:19
1 Sam. 17:4-50
Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari,21:19 Jari – Voorgestelde lezing. MT: ‘Jaäre-Oregim’. uit Betlehem. De schacht van Goliats speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 20Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 21Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 22Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

22

Het overwinningslied van David

221

22:1-51
Ps. 18:1-51
Dit zijn de woorden van het lied dat David voor de HEER aanhief toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei:

HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,

3

22:3
1 Sam. 2:2
God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen,

mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht,

mijn toevlucht, mijn redder, u redt mij van het geweld.

4Ik roep: “Geloofd zij de HEER,”

want ik ben van mijn vijanden verlost.

5Mij omsloten de golven van de dood,

de kolkende afgrond joeg mij angst aan,

6de banden van het dodenrijk omklemden mij,

op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

7In mijn nood riep ik tot de HEER,

ik riep mijn God om hulp,

en in zijn paleis hoorde hij mijn stem,

mijn geroep klonk in zijn oren.

8

22:8
Ex. 19:16
Toen schudde en schokte de aarde,

de hemel trilde op zijn grondvesten,

ze beefden omdat hij vlamde van woede,

9rook steeg op uit zijn neus,

verterend vuur kwam uit zijn mond,

hij spuwde hete as.

10

22:10
Ps. 144:5
Hij schoof de hemel open en daalde af,

duisternis onder zijn voeten,

11hij besteeg de cherub en vloog –

daar verscheen hij op vleugels van de wind.

12Hij maakte van het donker een tent om zich heen,

een waaier van water, dichte wolken.

13Een vuurgloed ging voor hem uit

en verbrandde alles tot gloeiende as.

14De donder van de HEER klonk uit de hemel,

de Allerhoogste verhief zijn stem.

15

22:15
Ps. 144:6
Hij schoot pijlen en sloeg de vijanden uiteen,

met zijn bliksem verdreef hij hen.

16De beddingen van de zee werden zichtbaar,

de grondvesten van de wereld kwamen bloot

onder de dreigende blik van de HEER,

door de briesende adem uit zijn neus.

17

22:17
Ps. 144:7
Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast

en trok mij op uit de woeste wateren,

18ontrukte mij aan mijn machtige vijand,

aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

19Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,

maar de HEER was mijn steun.

20Hij leidde mij uit de nood en gaf mij ruimte,

bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.

21De HEER heeft mijn onschuld vergolden,

mij beloond voor mijn reine handen:

22ik volgde de wegen die de HEER had gewezen,

en werd mijn God niet ontrouw,

23zijn voorschriften hield ik voor ogen,

van zijn wetten week ik nooit af.

24Ik was hem volkomen toegewijd

en hoedde mij steeds voor het kwaad,

25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,

hij zag mijn reinheid.

26U bent trouw voor de trouwe,

volmaakt voor de volmaakte,

27zuiver voor de zuivere,

maar voor de sluwe ongrijpbaar.

28U redt het vertrapte volk,

maar ziet op de hoogmoedigen neer.

29U bent mijn lamp, HEER,

u, HEER, verlicht mijn duisternis,

30met u storm ik af op een legerbende,

met mijn God beklim ik de hoogste muur.

31Gods weg is volmaakt,

het woord van de HEER is zuiver,

een schild is hij

voor allen die bij hem schuilen.

32Wie anders is God dan de HEER,

wie anders een rots dan onze God?

33De God die mijn sterke vesting is

baant een volmaakte weg voor mij,

34

22:34
Hab. 3:19
hij geeft mij voeten, snel als hinden,

doet mij op toppen van bergen staan,

35oefent mijn handen voor de strijd –

mijn armen spannen de bronzen boog.

36U was het schild dat mij redde,

uw antwoord maakte mij sterk,

37u baande de weg voor mijn voeten,

ik wankelde niet.

38Ik achtervolgde mijn vijanden en verdelgde hen,

ik keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,

39ik vernietigde, verpletterde hen, ze stonden niet meer op,

dood lagen ze onder mijn voeten.

40U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,

mijn tegenstanders voor mij doen buigen,

41u liet mij de rug van mijn vijanden zien,

mijn haters, ik roeide ze uit.

42Ze zagen om naar hulp, maar er was geen redder,

zij riepen de HEER, maar hij antwoordde niet.

43Ik verpulverde hen tot fijn stof,

ik vertrad ze, veegde hen weg als vuil van de straat.

44U bevrijdde mij van een opstandig volk,

onder uw hoede bleef ik het hoofd van naties,

een volk dat ik niet kende, onderwierp zich.

45Vreemdelingen toonden zich onderdanig,

ze gehoorzaamden mij zodra ze van mij hoorden,

46vreemde volken verloren hun kracht,

wankelend kwamen zij uit hun burchten.

47De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,

hoogverheven is God, de rots die mij redt.

48De God die mij wraak liet nemen,

bracht volken onder mijn gezag,

49schudde mijn vijanden van mij af,

verhief mij boven mijn tegenstanders,

ontrukte mij aan mannen van geweld.

50

22:50
Rom. 15:9
Daarom wil ik u prijzen, HEER, te midden van de volken,

een loflied zingen tot eer van uw naam.

51Hij schenkt zijn koning overwinningen,

betoont zich trouw aan zijn gezalfde,

aan David en zijn nageslacht, voor altijd.’