Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

141Het ontging Joab, de zoon van Seruja, niet dat de koning Absalom vijandig gezind was. 2Hij liet uit Tekoa een wijze vrouw komen en zei tegen haar: ‘Doe alsof u in de rouw bent: trek een rouwkleed aan, wrijf u niet in met olie en gedraag u als een vrouw die al vele jaren om een dode treurt. 3Ga dan naar de koning en zeg hem wat ik u nu vertel.’ En hij legde haar woordelijk in de mond wat ze moest zeggen.

4De vrouw uit Tekoa wendde zich tot de koning. Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Mijn heer en koning, help me alstublieft.’ 5De koning vroeg wat er aan de hand was, en ze vertelde: ‘Ach heer, ik ben een weduwe; mijn man is gestorven. 6Op een keer kregen mijn twee zonen ruzie buiten op het veld, en er was niemand die tussenbeide kwam. Toen heeft de een de ander doodgeslagen. 7Nu is mijn hele familie tegen mij in het geweer gekomen. Ze zeggen: “Lever die broedermoordenaar aan ons uit, dan zullen we hem ter dood brengen om het leven te vergelden van de broer die hij heeft doodgeslagen. Ook al is hij de stamhouder, we zullen hem doden.” Zo zullen ze het laatste kooltje dat mij rest uitdoven, en dan zal er op aarde niets meer zijn dat nog aan mijn man en zijn naam herinnert.’ 8‘Ga gerust naar huis,’ zei de koning, ‘ik zal zorgen dat het in orde komt.’ 9Maar de vrouw uit Tekoa hield aan: ‘Jawel, maar ik en mijn familie krijgen de schuld, mijn heer en koning; u en uw troon zal men niets verwijten.’ 10Toen zei de koning: ‘Als iemand het er niet mee eens is, verwijst u die maar naar mij; ik zal zorgen dat ze u niet langer lastigvallen.’ 11Maar de vrouw smeekte: ‘Mijn heer en koning, wilt u niet de HEER, uw God, als getuige aanroepen dat er niet door bloedwraak nog meer kwaad wordt aangericht en dat ze mijn zoon niet van het leven beroven?’ En hij zei: ‘Zo waar de HEER leeft, uw zoon zal geen haar worden gekrenkt.’

12Toen zei de vrouw: ‘Als mijn heer en koning mij toestaat, zou ik graag nog iets zeggen.’ ‘Spreek vrijuit,’ antwoordde hij, 13en de vrouw zei: ‘Waarom wilt u dan wel zoiets doen tegen Gods eigen volk? Wanneer u uw balling niet terugroept, beschuldigt u met deze uitspraak uzelf. 14

14:14
Job 7:9
Sterven zullen we immers allemaal; we zijn als water dat in de aarde wegvloeit wanneer het niet wordt opgevangen. Zou God niet op middelen zinnen en alles in het werk stellen om zijn balling terug te roepen? 15Dat ik gekomen ben om u, mijn heer en koning, deze zaak voor te leggen, is omdat de mensen me bang hebben gemaakt. Ik dacht bij mezelf: Laat ik mijn zaak aan de koning voorleggen, wellicht voldoet hij aan mijn verzoek. 16De koning zal me beslist gehoor geven en zorgen dat niemand mij en mijn zoon uit Gods eigen land verdrijft. 17Ik zei bij mezelf: De koning zal het verlossende woord spreken. U bent immers als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u het voor en tegen van een zaak tegen elkaar afweegt. Moge de HEER, uw God, u terzijde staan.’

18Hierop zei de koning tegen de vrouw: ‘Nu wil ik u iets vragen, en ik verwacht een eerlijk antwoord.’ ‘Wat wilt u weten, mijn heer?’ vroeg ze, 19en de koning zei: ‘Heeft Joab hier soms de hand in?’ De vrouw antwoordde: ‘Zo waar u leeft, mijn heer en koning, u hebt het bij het rechte eind. Het is inderdaad uw dienaar Joab die me dit heeft opgedragen. Hij heeft me deze woorden in de mond gelegd. 20Dat heeft hij gedaan om u de zaak op een verhulde manier voor te leggen. U bent werkelijk zo wijs als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u alles doorziet.’

21De koning zei tegen Joab: ‘Goed dan, ik zal doen waar u op aanstuurt. U kunt mijn zoon Absalom terughalen.’ 22Joab knielde, boog diep voorover en zei: ‘Ik dank u, mijn heer en koning, dat u mij goedgezind bent en mijn verzoek inwilligt.’ 23Daarop vertrok hij naar Gesur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. 24Toen zei de koning: ‘Laat hij rechtstreeks naar zijn huis gaan, want ontvangen zal ik hem niet.’ Zo keerde Absalom naar huis terug, maar door de koning werd hij niet ontvangen.

25Nu was er in heel Israël geen man die zo om zijn uiterlijk bewonderd werd als Absalom; van voetzool tot kruin was er niets dat hem ontsierde. 26Wanneer hij zijn hoofdhaar knipte – hij moest het elk jaar afknippen, anders werd het te zwaar – woog dat wel tweehonderd sjekel volgens het koninklijk ijkgewicht. 27Absalom had drie zonen, en ook een dochter, die Tamar heette; zij groeide op tot een mooie vrouw.

28Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde zonder dat hij door de koning was ontvangen, 29riep hij Joab bij zich om hem te vragen of hij bij de koning wilde bemiddelen. Maar Joab wilde niet komen. Opnieuw liet hij Joab roepen, en opnieuw weigerde deze. 30Daarop zei hij tegen zijn knechten: ‘Zien jullie die akker van Joab, hiernaast, waar hij gerst heeft staan? Ga erheen en steek de akker in brand.’ De knechten van Absalom deden wat hun was opgedragen. 31Toen kwam Joab naar het huis van Absalom en vroeg hem: ‘Waarom hebben uw knechten mijn akker in brand gestoken?’ 32Absalom antwoordde: ‘Ik heb u laten roepen om u te vragen naar de koning te gaan en hem uit mijn naam te zeggen: “Waarom ben ik eigenlijk uit Gesur teruggekomen? Het was beter geweest als ik daar was gebleven. Ik wil nu dat u mij ontvangt. Als mij iets te verwijten valt, laat me dan ter dood brengen.”’ 33Joab ging naar de koning en vertelde het hem. Toen liet de koning Absalom komen. Hij knielde voor de koning en boog diep voorover, en de koning kuste Absalom.

15

Absalom grijpt naar de macht

151

15:1
1 Kon. 1:5
Enige tijd later liet Absalom een wagen maken, schafte zich paarden aan en nam een escorte van vijftig man in dienst. 2Elke ochtend vroeg stelde hij zich op bij de stadspoort. Hij sprak iedereen aan die op weg was naar de koning om een uitspraak te vragen in een rechtsgeschil. ‘Waar komt u vandaan?’ vroeg hij dan, en wanneer het antwoord luidde: ‘Uit dat en dat stamgebied van Israël,’ 3dan zei Absalom: ‘Hoor eens, ook al hebt u volkomen gelijk, bij de koning zult u geen gehoor vinden.’ 4En hij vervolgde: ‘Waarom word ik niet aangesteld tot rechter van dit land? Ik zou iedereen in het gelijk stellen die een geschil of een rechtsvordering aan me kwam voorleggen.’ 5Wanneer zo iemand dan voor Absalom wilde neerknielen, breidde Absalom zijn armen uit en omhelsde hem. 6Zo trad hij iedereen uit Israël tegemoet die een uitspraak kwam vragen bij de koning, en op die manier palmde hij het volk van Israël in.

7Toen er vier jaar15:7 vier jaar – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘veertig jaar’. verstreken waren zei Absalom tegen de koning: ‘Ik vraag u toestemming om naar Hebron te gaan en de gelofte in te lossen die ik de HEER heb gedaan. 8

15:8
2 Sam. 13:37
Ik heb tijdens mijn verblijf te Gesur in Aram namelijk aan de HEER beloofd dat ik hem eer zou bewijzen wanneer hij ervoor zorgde dat ik in Jeruzalem terugkeerde.’ 9De koning antwoordde: ‘Ga gerust.’ Absalom ging op weg naar Hebron. 10Eerst stuurde hij echter handlangers naar alle stamgebieden van Israël met de boodschap: ‘Zodra het geluid van de ramshoorn klinkt, moeten jullie dit bekendmaken: “Absalom is in Hebron tot koning uitgeroepen!”’ 11Tweehonderd genodigden uit Jeruzalem vergezelden Absalom op weg naar Hebron. Ze gingen nietsvermoedend en volkomen te goeder trouw met hem mee. 12
15:12
2 Sam. 16:23
Ook Achitofel, de raadsheer van David, liet hij voor het offermaal overkomen uit diens woonplaats Gilo. Steeds meer mensen sloten zich bij Absalom aan. Zo ontstond een wijdvertakte samenzwering.

David vlucht uit Jeruzalem

13Toen David bericht kreeg dat het volk van Israël de kant van Absalom had gekozen, 14zei hij tegen zijn hovelingen: ‘Kom, we moeten vluchten, willen we aan Absalom ontkomen. Snel, we moeten hem vóór blijven, want als hij ons hier in Jeruzalem overvalt, zal hij een bloedbad aanrichten en is het met ons gedaan.’ 15‘Zoals u wilt, mijn heer en koning,’ antwoordden de hovelingen. ‘Wij staan tot uw beschikking.’ 16

15:16
2 Sam. 16:21-22
20:3
De koning vertrok, en zijn hele hofhouding volgde hem. Hij liet echter tien van zijn bijvrouwen achter om voor het huis te zorgen.

17De koning vertrok, en al zijn soldaten volgden hem. In Bet-Hammerchak hielden ze halt. 18

15:18
2 Sam. 8:18
Nadat de lijfwacht van Keretieten en Peletieten aan de koning voorbijgetrokken was, kwamen ook zeshonderd Gatieten voorbij, die zich bij hem hadden aangesloten. 19De koning zei tegen hun leider Ittai: ‘Maar ú hoeft toch niet met ons mee te gaan? Keer terug en voeg u bij de nieuwe koning. U bent immers een vreemdeling, verbannen uit uw eigen woonplaats. 20U bent pas onlangs aangekomen, dan kan ik toch niet van u verlangen dat u nu weer met ons meegaat? Ik weet zelf niet eens waar ik terecht zal komen. Keer terug en neem uw mensen met u mee. Moge de HEER u goed en welwillend behandelen.’15:20 Moge de HEER u goed en welwillend behandelen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Genade en waarheid’. 21Maar Ittai antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, mijn heer en koning, ik zal u volgen waar u ook gaat, in leven of dood.’ 22‘Goed,’ zei David tegen Ittai, ‘u kunt meegaan.’ Daarop ging Ittai weer verder, met iedereen die bij hem was, mannen, vrouwen en kinderen.

23Het volk jammerde luidkeels terwijl het leger voorbijtrok. Toen de koning de Kidron overstak en het leger de weg naar de woestijn insloeg, 24

15:24
1 Kon. 2:26
zag hij Sadok, die samen met de Levieten de ark van het verbond met God droeg. Ze zetten de ark van God neer en Abjatar bracht brandoffers tot iedereen vanuit de stad voorbijgetrokken was. 25De koning zei tegen Sadok: ‘Breng de ark van God terug naar de stad. Als de HEER me gunstig gezind is, zal hij zorgen dat ik terugkeer en de ark terugzie op zijn eigen plaats. 26Maar als de HEER mij afwijst, dan zal ik me daar bij neerleggen. Hij mag met me doen wat hij het beste vindt.’ 27En hij vervolgde: ‘U en Abjatar kunnen gerust teruggaan naar de stad en dan uw zonen Achimaäs en Jonatan met u meenemen. 28Ikzelf zal wachten in de woestijn, waar men de Jordaan kan oversteken, tot ik bericht van u krijg.’ 29Sadok en Abjatar brachten de ark van God dus terug naar Jeruzalem en bleven in de stad.

30David ging de helling van de Olijfberg op. Jammerend klom hij naar boven, zijn hoofd bedekt en barrevoets. Allen die met hem meegingen, hadden hun hoofd bedekt en klommen jammerend naar boven. 31

15:31
2 Sam. 16:23
17:14,23
Toen kreeg David bericht15:31 Toen kreeg David bericht – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘En David vertelde’. dat Achitofel zich bij de samenzwering van Absalom had gevoegd, en hij riep uit: ‘Ach HEER, verijdel toch de plannen van Achitofel!’

32Toen David de gebedsplaats op de top van de berg had bereikt, kwam de Arkiet Chusai hem tegemoet. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. 33David zei tegen hem: ‘Als u met me meegaat, bent u me alleen maar tot last. 34Gaat u liever terug naar de stad en zeg tegen Absalom: “Mijn koning, uw dienaar zal ik zijn; zoals ik vroeger uw vader heb gediend, zo zal ik nu u dienen.” Op die manier kunt u voor mij de plannen van Achitofel doorkruisen. 35De priesters Sadok en Abjatar zijn daar namelijk ook. Alles wat u in het paleis ter ore komt, moet u aan hen beiden doorvertellen. 36Ze hebben hun twee zonen bij zich, Achimaäs en Jonatan. Laat hen alles aan mij doorgeven wat u ter ore komt.’ 37Chusai, de vertrouwensman van David, kwam in Jeruzalem aan juist toen Absalom de stad binnentrok.

16

161

16:1-4
2 Sam. 9:9-12
Nauwelijks was David de top van de berg over, of daar kwam Siba, de dienaar van Mefiboset, hem met een span ezels tegemoet. Deze waren bepakt met tweehonderd broden, honderd plakken rozijnen, honderd verse vruchten en een zak wijn. 2‘Wat hebt u daar?’ vroeg de koning, en Siba zei: ‘De ezels zijn voor de koninklijke familie om erop te rijden, het brood en de vruchten zijn voor de soldaten om te eten en de wijn is om te drinken voor wie uitgeput raakt in de woestijn.’ 3
16:3
2 Sam. 19:25-31
De koning vroeg: ‘En waar is de kleinzoon van uw meester Saul?’ Siba antwoordde: ‘Die is in Jeruzalem gebleven omdat, zoals hij zei, het volk van Israël hem vandaag het koningschap van zijn grootvader teruggeeft.’ 4Toen zei de koning tegen Siba: ‘Dan is alles wat Mefiboset bezit voortaan van u.’ En Siba zei: ‘Ik dank mijn heer en koning nederig, dat hij mij zo gunstig gezind is.’

5Zodra David bij Bachurim was aangekomen, kwam er iemand aanlopen uit de familie van Saul, een zekere Simi, de zoon van Gera. Vloekend en tierend kwam hij aanlopen, 6en hoewel David door zijn lijfwacht van heldhaftige soldaten was omringd, bekogelde hij de koning en zijn gevolg met stenen. 7Hij vloekte en schreeuwde: ‘Maak dat je wegkomt, moordenaar! Stuk ongeluk! 8Je hebt je de troon van Saul toegeëigend. Nu wreekt de HEER het bloed van Saul en zijn familie aan jou en geeft hij het koningschap aan Absalom, je zoon. Dat is je verdiende loon, moordenaar die je bent!’ 9Joabs broer Abisai zei tegen de koning: ‘Hoe waagt dat hondsvot het mijn heer en koning te vervloeken? Uit de weg jullie, ik sla zijn kop eraf!’ 10

16:10
2 Sam. 19:23
Maar de koning zei: ‘Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Seruja? Hij vervloekt mij; en wat dan nog? Dat heeft de HEER hem natuurlijk ingegeven. Wat vraag je dan: Hoe waagt hij het?’ 11En tot het hele gezelschap vervolgde David: ‘Luister, mijn bloedeigen zoon staat me naar het leven. Zou deze afstammeling van Benjamin me dan met rust laten? Laat hem maar vloeken, de HEER heeft het hem immers ingegeven. 12Misschien merkt de HEER mijn ellende op en vergoedt hij me later de vervloeking van vandaag.’ 13
16:13
2 Sam. 19:17-24
1 Kon. 2:8-9
Toen zetten David en zijn gevolg zich weer in beweging. Simi bleef op een iets hoger gelegen bergrichel vloekend en tierend met hem meelopen, gooide met stenen en joeg stofwolken op. 14Ten slotte kwamen de koning en zijn soldaten aan in Ajefim. Daar konden ze uitrusten.

Krijgsraad bij Absalom

15Intussen kwamen Absalom en zijn manschappen, het leger van Israël, in Jeruzalem aan. Ook Achitofel was bij hem. 16

16:16
2 Sam. 15:32-37
Toen kwam Chusai, de vertrouwensman van David, naar Absalom toe. ‘Leve de koning! Leve de koning!’ riep hij uit. 17Absalom vroeg hem: ‘Is dat nu vriendentrouw? Had u niet met uw vriend mee moeten gaan?’ 18‘Nee,’ antwoordde Chusai. ‘Wiens zijde de HEER en het volk en het leger van Israël kiezen, aan diens zijde sta ik en aan diens zijde blijf ik. 19Bovendien, u bent toch zijn zoon; wie zou ik anders dienen? Zoals ik vroeger in dienst stond van uw vader, zo zal ik ook u van dienst zijn.’

20Daarna wendde Absalom zich tot Achitofel: ‘Geeft u ons raad. Hoe moet het nu verder?’ 21

16:21
2 Sam. 15:16
Achitofel sprak: ‘Ga naar de bijvrouwen die uw vader heeft achtergelaten om voor het huis te zorgen. Dan zal heel Israël vernemen dat u uw vader hebt vernederd en zullen al uw aanhangers moed vatten.’ 22
16:22
2 Sam. 12:11-12
Dus werd er voor Absalom een tent neergezet op het dak van het paleis, en voor de ogen van heel Israël nam Absalom bezit van de bijvrouwen van zijn vader.

23In die dagen nam men een raadgeving van Achitofel evenzeer ter harte als wanneer men God zelf om een uitspraak vroeg; dat gold voor elke raad van Achitofel, zowel voor David als voor Absalom.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]