Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Jeruzalem door Jason overvallen

51Rond die tijd, toen Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte ondernam, 2waren er gedurende ongeveer veertig dagen overal in Jeruzalem verschijningen te zien. Er reden eenheden ruiters door de lucht, gekleed in met gouddraad bestikte mantels, bewapend met lansen 3en met getrokken zwaarden. Men zag ze van weerskanten op elkaar in rijden, met zwaaiende schilden, een woud van speren en een regen van pijlen, hun harnassen fonkelend van de gouden versieringen. 4Iedereen bad dat deze verschijningen iets goeds mochten voorspellen.

5Nadat zich het valse gerucht had verspreid dat Antiochus gesneuveld was, bracht Jason niet minder dan duizend man op de been en voerde hij een verrassingsaanval uit op de stad. Toen de verdediging was teruggedreven en de stad werd ingenomen, zocht Menelaüs zijn toevlucht in de citadel. 6Jason richtte een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen stadsgenoten. Hij realiseerde zich niet dat een overwinning op volksgenoten gelijkstaat aan de zwaarste nederlaag, maar ging tekeer alsof hij niet op zijn eigen volk, maar op zijn ergste vijand de zege moest behalen. 7Toch slaagde hij er niet in om de macht in handen te krijgen; het resultaat van zijn poging was dat hij met schande overladen opnieuw moest uitwijken naar Ammon. 8Uiteindelijk liep het slecht met hem af. Nadat hij gevangen had gezeten bij de Arabische koning Aretas, vluchtte hij van stad tot stad. Door iedereen als afvallige veracht en als beul van volk en vaderland gehaat, werd hij telkens voortgejaagd, tot hij als banneling in Egypte terechtkwam. 9Daar scheepte hij zich in naar Lakedemonië, waar hij op grond van verwantschap asiel hoopte te krijgen. Zo stierf de man die zo velen uit hun vaderland verdreven had, zelf in den vreemde, 10waar niemand hem, die zo veel lijken onbegraven had laten liggen, beweende of hem de laatste eer bewees. Hij werd niet bijgezet in het graf van zijn voorouders.

Jeruzalem door Antiochus gestraft

11

5:11-16
1 Mak. 1:20-24
Toen de koning over de gebeurtenissen in Jeruzalem hoorde, meende hij dat Judea in opstand was gekomen. Hij werd razend als een wild dier, brak zijn veldtocht in Egypte af en nam Jeruzalem stormenderhand in. 12Hij beval zijn soldaten om iedereen die hun in handen viel genadeloos neer te maaien en ook de mensen die hun huizen in vluchtten zonder omhaal te doden. 13Jong en oud werden gedood, vrouwen en kinderen werden vermoord, meisjes en zuigelingen afgeslacht. 14In drie dagen tijd verloor Jeruzalem tachtigduizend inwoners: veertigduizend sneuvelden bij de gewelddadigheden en nog eens veertigduizend werden als slaaf verkocht. 15En nog was de koning niet tevreden. Onder geleide van Menelaüs, die zelf een verrader van wet en vaderland was geworden, waagde hij zich in de heiligste tempel van de hele wereld. 16Hij nam het tempelgerei in zijn onreine, met bloed besmeurde handen mee en sleepte de voorwerpen weg die door andere koningen tot meerdere eer en glorie van de tempel waren geschonken. 17
5:17-20
2 Mak. 6:12-16
7:16-19,32-38
Antiochus zag in zijn hoogmoed niet in dat de Heer de heilige plaats voor korte tijd aan zijn lot had overgelaten omdat hij woedend was om wat de inwoners van de stad hadden misdreven. 18
5:18
2 Mak. 3:23-29
Als zij zich niet in zonden verstrikt hadden, zou Antiochus meteen na zijn binnenkomst zijn gegeseld en zo van zijn overmoedige voornemen zijn weerhouden, net als Heliodorus toen die in opdracht van koning Seleukus de schatkamer kwam inspecteren. 19De Heer heeft echter niet het volk uitverkozen omwille van de plaats, maar de plaats omwille van het volk. 20Daarom deelde ook de heilige plaats in de rampspoed van het volk, zoals hij later deelde in de voorspoed: toen de machtige Heer zich weer met zijn volk had verzoend, werd de tempel die overgeleverd was geweest aan de toorn van de Almachtige, weer in volle luister hersteld.

21Antiochus, die zich in zijn hoogmoed en arrogantie verbeeldde dat hij het land bevaarbaar kon maken en de zee begaanbaar, reisde al spoedig door naar Antiochië, met medeneming van achttienhonderd talent uit de tempel. 22Hij liet gouverneurs achter om het volk te kwellen: in Jeruzalem de Frygiër Filippus, nog barbaarser in zijn optreden dan de man die hem had aangesteld, 23en in Sichem Andronikus. En dan was er nog Menelaüs, die als geen ander het volk onderdrukte. Antiochus’ vijandige gevoelens jegens het Joodse volk liepen zelfs zo hoog op 24

5:24-26
1 Mak. 1:29-37
dat hij Apollonius, de bevelhebber van de Mysische huurlingen, met een leger van tweeëntwintigduizend man naar Jeruzalem stuurde met de opdracht om alle volwassen mannen te doden en de vrouwen en kinderen als slaven te verkopen. 25Bij zijn aankomst in Jeruzalem deed Apollonius zich heel vredelievend voor. Hij wachtte tot de heilige sabbatsdag, waarop de Joden rust hielden, en beval toen zijn manschappen zich buiten de stad in volle wapenrusting op te stellen. 26Iedereen die op dit schouwspel afkwam liet hij neersteken, en daarna stormde hij met zijn soldaten de stad binnen, waar ze een groot aantal mensen neermaaiden. 27
5:27
1 Mak. 2:28
Judas Makkabeüs trok zich met ongeveer tien man terug in de bergen, waar hij en zijn kameraden leefden als dieren in het wild. Om te voorkomen dat ze onrein werden, aten ze uitsluitend plantaardig voedsel.

6

De Joodse godsdienst verboden

61

6:1-7
1 Mak. 1:45-51
Niet lang daarna stuurde de koning de Athener Geron6:1 de Athener Geron – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een oude Athener’. om de Joden te dwingen de tradities van hun voorouders af te zweren en niet langer naar Gods voorschriften te leven. 2Door zijn toedoen werd de tempel in Jeruzalem ontwijd en genoemd naar Zeus Olympius, terwijl de tempel op de Gerizim op verzoek van de bevolking van Sichem aan Zeus Xenius werd gewijd. 3Deze provocatie trof het volk als een slag in het gezicht. 4Vreemdelingen namen de tempel in bezit en hielden er liederlijke braspartijen. Ze vermaakten zich met prostituees, hadden binnen de heilige muren gemeenschap met andermans vrouwen en namen allerlei ongepaste zaken mee naar binnen. 5Het altaar werd vol gezet met goddeloze offergaven die strijdig waren met de voorschriften. 6Het was niet langer geoorloofd om de sabbat in acht te nemen, de traditionele feesten te vieren of er zelfs maar voor uit te komen dat men Jood was. 7Onder harde dwang werden de Joden verplicht om elke maand op het geboortefeest van de koning deel te nemen aan heidense offermaaltijden, en tijdens het feest ter ere van Dionysus moesten ze met klimop omkranst meelopen in de optocht voor Dionysus. 8Op voorstel van Ptolemeüs werd in de omringende Griekse steden een decreet uitgevaardigd van soortgelijke strekking, waarin stond dat de Joden moesten deelnemen aan de heidense offermaaltijden 9en dat wie niet bereid was om zich aan de Griekse zeden aan te passen, ter dood moest worden gebracht. Hoe moeilijk de tijden voor de Joden waren geworden, bleek wel 10
6:10
1 Mak. 1:60-61
toen twee vrouwen werden opgebracht omdat ze hun zonen hadden laten besnijden: met hun zuigelingen aan hun borsten gehangen werden ze publiekelijk door de stad gevoerd en ten slotte van de muur naar beneden gegooid. 11
6:11
1 Mak. 2:29-38
Een andere keer waren mensen vlak buiten de stad in grotten bij elkaar gekomen om heimelijk de zevende dag te vieren. Zij werden aan Filippus verraden en op de brandstapel terechtgesteld, want uit eerbied voor de zo heilige dag hadden ze zich niet willen verdedigen.

12

6:12-17
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
2 Mak. 7:16-19,32-38
Ik roep mijn lezers op om zich door deze tragische gebeurtenissen niet te laten afschrikken, maar te bedenken dat deze straffen niet de ondergang, maar de opvoeding van ons volk ten doel hadden. 13
6:13
Wijsh. 11:9-10
12:2,22
Het is immers een teken van grote goedheid wanneer zondaars niet te lang hun gang kunnen gaan, maar onmiddellijk worden gestraft. 14
6:14
1 Tes. 2:16
De Heer heeft namelijk besloten ons anders te behandelen dan de andere volken: bij hen wacht hij rustig met straffen tot ze de maat van hun zonden vol hebben gemaakt, 15maar ons straft hij al voordat we dat punt bereikt hebben. 16Ons ontzegt hij dus nooit zijn barmhartigheid; hij laat zijn volk nooit alleen, maar hij voedt ons op door ons met rampen te treffen. 17Maar laten we, na dit in enkele woorden in herinnering te hebben gebracht, weer verdergaan met ons verhaal.

De marteldood van Eleazar

18

6:18-7:42
Hebr. 11:35
6:18
Lev. 11:7-8
Eleazar, een van de belangrijkste schriftgeleerden, een man van hoge leeftijd met een voornaam uiterlijk, kreeg met geweld varkensvlees in zijn mond gestopt. 19-20
6:19-20
1 Mak. 1:62-64
Hij spuwde het uit, zoals iedereen zou moeten doen die consequent weigert voedsel te eten waarvan men zelfs niet mag nemen wanneer zijn leven op het spel staat. Hij verkoos een eervolle dood boven een onrein leven en ging vrijwillig naar het schavot. 21De mannen die erop moesten toezien dat hij het onreine vlees at, kenden hem nog van vroeger. Daarom namen ze hem apart en raadden hem in vertrouwen aan om vlees te halen dat hij wel mocht gebruiken, het zelf te bereiden en net te doen alsof hij het door de koning verordende offervlees at. 22Als hij dat deed, zou hij gevrijwaard zijn van de doodstraf en vanwege zijn oude vriendschap met hen lankmoedig behandeld worden. 23Maar Eleazar nam een nobel besluit, passend bij zijn hoge ouderdom en zijn eerbiedwaardige grijze haren en geheel in de lijn van zijn van jongs af aan onberispelijke gedrag, en vooral ook in overeenstemming met de heilige, goddelijke wetgeving. Hij verklaarde dat men hem maar meteen naar het dodenrijk moest sturen en zei: 24‘Het zou mijn leeftijd onwaardig zijn wanneer ik huichelde en bij de jongeren de veronderstelling zou wekken dat ik op mijn negentigste jaar nog uitheemse gebruiken had overgenomen. 25Daarmee zou ik hen, omwille van het kleine beetje leven dat mij nog te wachten staat, op een dwaalspoor brengen en zelf een onreine smet op mijn ouderdom werpen. 26Zelfs als ik voor het moment mijn menselijke straf zou ontlopen, zou ik nooit aan de greep van de Almachtige ontkomen, noch bij mijn leven, noch bij mijn dood. 27Maar door nu met opgeheven hoofd het leven te verlaten, zal ik me mijn ouderdom waardig betonen 28en de jongeren het edele voorbeeld stellen dat men omwille van de eerbiedwaardige, heilige voorschriften bereid moet zijn onverschrokken een nobele dood te sterven.’ Meteen na deze woorden betrad Eleazar het schavot. 29Degenen die hem even tevoren nog zo welwillend tegemoet waren getreden, behandelden hem nu vijandig, omdat ze het waanzin vonden wat hij had gezegd. 30Vlak voor hij onder de slagen bezweek, verzuchtte hij: ‘De Heer, die beschikt over heilig inzicht, weet dat ik, die de doodstraf had kunnen ontlopen, nu weliswaar zo gegeseld word dat mijn lichaam ondraaglijke pijnen lijdt, maar dat mijn geest dit alles uit ontzag voor hem blijmoedig ondergaat.’ 31Zo stierf hij, en zijn dood was niet alleen voor de jongeren, maar voor bijna iedereen van ons volk een onvergetelijk voorbeeld van edelmoedigheid en deugd.

7

De marteldood van zeven broers en hun moeder

71

7:1
Jer. 15:9
Een andere keer werden zeven broers en hun moeder gearresteerd en op bevel van de koning met gesels en riemen gemarteld om hen te dwingen verboden varkensvlees te eten. 2Een van hen vroeg namens hen allen: ‘Waarom ondervraagt u ons? Wat wilt u van ons te weten komen? We zijn eerder bereid te sterven dan te breken met de tradities van onze voorouders.’ 3De koning ontstak in woede en gaf opdracht om grote ketels en pannen op het vuur te zetten. 4Zodra die goed heet waren geworden, liet hij bij degene die gesproken had zijn tong uitsnijden, de huid van zijn hoofd stropen, zoals dat bij de Skythen gebruikelijk is, en zijn handen en voeten afhakken – dit alles voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. 5Daarna werd hij, of wat er van hem over was, op bevel van de koning in een pan op het vuur gezet en levend gebraden. Terwijl uit de braadpan een dikke walm opsteeg, spoorden de broers en hun moeder elkaar aan om de dood moedig onder ogen te zien: 6
7:6
Deut. 32:36
‘God, de Heer, ziet ons en zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mozes verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk tegen Israël getuigt: “Over zijn dienaren zal hij zich ontfermen.”’

7Nadat de eerste broer op deze wijze om het leven was gekomen, werd de tweede voorgeleid om te worden vernederd. Ze stroopten zijn huid met haar en al van zijn hoofd en vroegen: ‘Zou je niet liever eten wat je wordt voorgezet, in plaats van je lichaamsdelen een voor een te laten pijnigen?’ 8‘Nee!’ antwoordde hij in zijn moedertaal, en daarom onderging hij dezelfde folteringen als zijn broer. 9

7:9
Dan. 12:2
Joh. 5:29
Zijn laatste woorden luidden: ‘Ellendeling! U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.’

10Daarna was de derde broer aan de beurt. Hij stak desgevraagd onmiddellijk zijn tong naar buiten, bood onverschrokken ook zijn handen aan 11en zei fier: ‘Uit de hemel heb ik ze gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van hem hoop ik ze weer terug te krijgen.’ 12De koning en zijn gevolg stonden versteld van de geestkracht van deze jongeman, die zich van de pijn niets leek aan te trekken.

13Toen ook hij dood was, lieten ze de vierde dezelfde gruwelijke martelingen ondergaan. 14

7:14
Dan. 12:2
Toen hij op het punt stond te bezwijken, zei hij: ‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken. Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’

15Daarna werd de vijfde voorgeleid en gemarteld. 16

7:16-19
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
Hij keek de koning aan en zei: ‘U kunt doen wat u wilt, omdat u macht hebt onder de mensen, ook al bent u sterfelijk. Maar denk niet dat ons volk door God verlaten is. 17
7:17
2 Mak. 9:5-6
Wacht maar, u zult zijn geweldige kracht nog wel ervaren wanneer hij u en uw nageslacht foltert!’

18Na hem was de zesde aan de beurt. Die zei vlak voor hij de geest gaf: ‘Maak u geen illusies. Wij hebben het aan onszelf te wijten dat we deze straf moeten ondergaan, omdat we tegen onze God gezondigd hebben. Daarom zijn deze verbijsterende dingen gebeurd. 19

7:19
2 Kron. 13:12
Hand. 5:39
Maar denk niet dat u vrijuit zult gaan, nu u het gewaagd hebt het op te nemen tegen God.’

20Nog bewonderenswaardiger was de moeder. Als iemand het verdient dat haar nagedachtenis in ere wordt gehouden, is zij het wel. In één dag tijd zag ze haar zeven zonen omkomen, maar ze doorstond het heldhaftig, omdat ze haar hoop op de Heer gevestigd hield. 21Vastberaden sprak ze ieder van hen bemoedigend toe, in hun moedertaal, haar vrouwelijke overwegingen kracht bijzettend met mannelijke koelbloedigheid: 22

7:22
Job 10:8-11
Ps. 139:13-15
Pred. 11:5
‘Hoe jullie in mijn buik ontstaan zijn, weet ik niet. Niet ik heb jullie de levensadem geschonken of de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat tot een harmonisch geheel geordend. 23De schepper van de wereld, die aan de oorsprong staat van het ontstaan van de mens en die van alles het ontstaan heeft uitgedacht, zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie jezelf nu opofferen omwille van zijn voorschriften.’ 24Antiochus, in de veronderstelling dat zij zich minachtend over hem uitliet, dacht in haar stem een belediging aan zijn adres te beluisteren. Daarom deed hij, toen alleen de jongste nog was overgebleven, niet alleen met woorden een beroep op hem, maar verzekerde hem ook met plechtige eden dat hij hem rijk en gelukkig zou maken als hij de tradities van zijn voorouders zou afzweren. Hij zou hem dan in de kring van zijn vertrouwelingen opnemen en hem belangrijke functies toevertrouwen. 25Maar de jongeman ging hier niet op in. Daarop riep de koning de moeder erbij en spoorde haar aan de jongen aan zijn verstand te brengen dat hij door dit aanbod aan te nemen zijn leven kon redden. 26Hij drong zo lang aan dat ze zich ten slotte bereid verklaarde om met de jongen te spreken. 27Daarmee hield ze de wrede tiran echter voor de gek, want toen ze zich naar haar zoon overboog zei ze in hun moedertaal tegen hem: ‘Mijn jongen, heb medelijden met mij. Negen maanden heb ik je in mijn buik gedragen en drie jaar heb ik je gezoogd. Ik heb je opgevoed en grootgebracht tot wat je nu bent, en al die jaren heb ik je gekoesterd. 28Nu vraag ik je, mijn kind, kijk naar de hemel en de aarde en alles wat ze bevatten, en besef dat God dit alles niet gemaakt heeft uit iets dat al bestond, en weet dat ook de mensheid op dezelfde wijze ontstaan is. 29Wees niet bang voor die beul, maar laat zien dat je je broers waardig bent en aanvaard de dood, dan zal ik door Gods barmhartigheid jou en je broers terugkrijgen.’ 30Nauwelijks had ze dit gezegd, of de jongen riep uit: ‘Waar wacht u op? Ik gehoorzaam het bevel van de koning niet, ik gehoorzaam het bevel van de wet die Mozes onze voorouders heeft gegeven. 31En u, aanstichter van alle rampspoed die de Hebreeën treft, denk maar niet dat u aan de greep van God zult ontkomen. 32
7:32-38
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
Wij lijden vanwege onze eigen zonden. 33De levende Heer is nu weliswaar woedend op ons en straft ons opdat we ons leven zullen beteren, maar hij zal zich ook weer met zijn dienaren verzoenen. 34Maar u, goddeloze en door en door verdorven schurk, u hebt geen enkele reden om trots te zijn en u te vleien met ijdele hoop, want u hebt uw hand opgeheven tegen de kinderen van de hemel 35en zult het oordeel van de almachtige, alziende God niet ontlopen. 36Mijn broers is krachtens het verbond met God na een kortstondig lijden het eeuwige leven ten deel gevallen, maar u zult voor uw hoogmoed door God worden veroordeeld tot een rechtvaardige straf. 37Net als mijn broers geef ik mijn lichaam en ziel prijs omwille van de tradities van onze voorouders. Ik smeek God dat hij zijn volk snel genadig mag zijn en dat hij u met kwellingen en plagen zal dwingen te erkennen dat alleen hij God is, 38zodat door toedoen van mij en mijn broers de toorn van de Almachtige, die ons volk terecht getroffen heeft, tot bedaren komt.’ 39Geprikkeld door deze beledigingen raakte de koning buiten zinnen van woede, en hij liet hem nog wreder folteren dan de anderen. 40Zo stierf ook hij zonder zich aan onreinheid schuldig gemaakt te hebben en in volkomen vertrouwen op de Heer. 41Als laatste, na haar zonen, stierf de moeder.

42Tot zover over de verplichte deelname aan heidense offermaaltijden en over de buitensporig wrede martelingen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]