Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Hogepriester Onias door Jason verdrongen

41

4:1
2 Mak. 3:23-29
Simon, van wie hierboven al is vermeld hoe hij de tempelschatten en het vaderland verried, begon nu Onias te belasteren als zou die Heliodorus tot de aanval hebben aangezet en de aanstichter van alle ellende geweest zijn. 2Hij durfde zelfs te beweren dat deze hogepriester, die zo veel goeds voor de stad had gedaan, die zijn volksgenoten steeds had beschermd en de voorschriften zo veel mogelijk had trachten te handhaven, een landverrader was. 3Ten slotte liep de vijandschap zo hoog op dat door een van Simons vertrouwelingen moordaanslagen werden gepleegd. 4
4:4
2 Mak. 3:5
Onias was zich bewust van het gevaar van deze gespannen verhoudingen, temeer omdat Apollonius, de zoon van Menesteus en gouverneur van Cele-Syrië en Fenicië, Simon in zijn vijandige houding stijfde. 5Daarom ging hij naar de koning, niet om zijn medeburgers te beschuldigen, maar uit bezorgdheid om het publieke en persoonlijke belang van al zijn stadsgenoten. 6Hij zag namelijk in dat alleen een ingrijpen van de koning een einde zou kunnen maken aan de politieke onrust en het waanzinnige gestook van Simon.

7

4:7
1 Mak. 1:10
Toen koning Seleukus na zijn dood werd opgevolgd door Antiochus, ook bekend als Epifanes, wist Onias’ broer Jason door omkoping het ambt van hogepriester te verwerven. 8In een onderhoud met de koning beloofde hij hem driehonderdzestig zilveren talenten, en uit een andere bron van inkomsten nog eens tachtig. 9
4:9-17
1 Mak. 1:11-15
Bovendien zegde hij toe dat hij honderdvijftig talent zou betalen als hij gemachtigd zou worden om een sportschool te stichten en een opleidingsinstituut voor jongemannen. Ook beloofde hij dat de inwoners van Jeruzalem voortaan Antiochenen zouden heten. 10De koning verleende zijn toestemming en Jason begon, zodra hij de macht in handen had gekregen, zijn volksgenoten een Griekse levenswijze op te leggen. 11
4:11
1 Mak. 8:17
Hij hief de privileges op die de koning aan de Joden had geschonken dankzij de bemiddeling van Johannes (wiens zoon Eupolemus later als gezant met de Romeinen zou onderhandelen over een vriendschapsverdrag), verklaarde de traditionele Joodse voorschriften ongeldig en voerde gebruiken in die daarmee in strijd waren. 12Met opzet liet hij zijn sportschool pal aan de voet van de tempelberg bouwen en hij dwong een keur van jongemannen de Griekse efebenhoed te dragen. 13Onder invloed van de schaamteloze Jason, die het ambt van hogepriester in geen enkel opzicht waardig was, namen de hellenisering en de overname van uitheemse gewoonten zo geweldig toe, 14dat de priesters hun altaardiensten begonnen te verzaken. Ze verwaarloosden de tempel en veronachtzaamden de offers; liever haastten ze zich, zodra ze de oproep van de gong hoorden, naar de worstelschool om hun diensten te verlenen bij de sportoefeningen, wat strijdig was met de Joodse voorschriften. 15Aan Griekse eerbewijzen hechtten ze meer waarde dan aan de eervolle plichten van hun voorouders. 16Door deze houding raakten ze in een moeilijke positie, want degenen van wie ze de levenswijze probeerden na te bootsen en op wie ze in alle opzichten wilden lijken, waren nu juist hun vijanden en onderdrukkers. 17Zoals uit het vervolg zal blijken, komt het mensen duur te staan wanneer ze de goddelijke voorschriften met voeten treden.

18Op een keer, toen in Tyrus in aanwezigheid van de koning de vierjaarlijkse spelen werden gehouden, 19stuurde de verdorven Jason een afvaardiging van zogenaamde Antiochenen uit Jeruzalem. Deze afgezanten hadden driehonderd zilveren drachmen meegekregen voor een offer aan Herakles, maar omdat ze dat niet passend vonden, wilden ze het bedrag liever aan iets anders besteden. 20Het geld, dat door de afzender dus voor een offer aan Herakles was bedoeld, werd door de afgezanten besteed aan de uitrusting van de oorlogsvloot.

21Een andere keer vernam Antiochus van Apollonius, de zoon van Menesteus, die namens de koning het staatsiebanket van koning Filometor van Egypte had bijgewoond, dat deze laatste zijn regering vijandig gezind was. Antiochus maakte zich zorgen om de veiligheid van zijn rijk en reisde via Joppe naar Jeruzalem. 22Jason en de inwoners van de stad bereidden de koning een grootse ontvangst en haalden hem in met een feestelijke fakkeloptocht. Meteen daarna trok hij met zijn leger naar Fenicië.

Het hogepriesterschap van Menelaüs

23

4:23
2 Mak. 3:4
Drie jaar na zijn benoeming stuurde Jason een broer van voornoemde Simon, Menelaüs, naar de koning om hem het beloofde geld te overhandigen en enkele dringende staatszaken te regelen. 24Menelaüs maakte bij de koning zijn opwachting en bewees hem de verschuldigde eer, waarbij hij zich voordeed als een zeer aanzienlijk man. Hij bood driehonderd zilveren talenten meer dan Jason en wist zo het ambt van hogepriester voor zichzelf te verwerven. 25Met het koninklijk mandaat in zijn bezit kwam hij in Jeruzalem terug, terwijl hij het ambt van hogepriester in geen enkel opzicht waardig was. Integendeel, hij bezat het karakter van een tiran en kon tekeergaan als een wild beest. 26Zo werd Jason, die zijn eigen broer door middel van omkoping had verdrongen, nu op zijn beurt door een ander van zijn plaats verdreven. Hij moest uitwijken naar Ammon. 27Maar nu Menelaüs eenmaal de macht in handen had, droeg hij het aan de koning beloofde geld niet af, 28ondanks herhaalde aanmaningen van Sostratus, de bevelhebber van de citadel, die belast was met de inning van gelden. Ten slotte werden ze samen bij de koning ontboden. 29Menelaüs stelde zijn broer Lysimachus aan als plaatsvervangend hogepriester; Sostratus droeg zijn taak over aan Krates, de bevelhebber van de Cyprioten.

30Juist in die tijd waren de inwoners van Tarsus en Mallus in opstand gekomen, omdat de koning deze steden aan Antiochis, zijn geliefde, ten geschenke had gegeven. 31De koning haastte zich erheen om orde op zaken te stellen. Hij liet Andronikus, een van zijn hoogwaardigheidsbekleders, achter als zijn plaatsvervanger. 32Menelaüs zag zijn kans schoon en roofde enkele gouden voorwerpen uit de tempel. Een aantal daarvan gaf hij aan Andronikus, andere wist hij te verkopen aan Tyrus en omliggende steden. 33Onias kwam erachter wat er gebeurd was en sprak er, nadat hij eerst zijn toevlucht had gezocht in de vrijplaats Dafne bij Antiochië, zijn afkeuring over uit. 34

4:34
Dan. 9:26
Daarop nam Menelaüs Andronikus in vertrouwen en verzocht hem Onias uit de weg te ruimen. Andronikus liet zich overhalen en ging naar Onias toe. Hij begroette hem hartelijk en bezwoer hem dat hij met goede bedoelingen gekomen was. Hoewel Onias de zaak niet helemaal vertrouwde, liet hij zich meetronen naar buiten. Zodra ze de vrijplaats hadden verlaten, sloeg Andronikus toe, zonder enig ontzag voor het recht. 35Deze laaghartige moord wekte niet alleen de woede en verontwaardiging van de Joden, maar ook die van velen uit andere bevolkingsgroepen. 36Toen de koning uit Cilicië was teruggekeerd, kwamen de Joden van Antiochië zich bij hem beklagen, en ook de Grieken spraken hun afschuw uit over de wederrechtelijke wijze waarop Onias om het leven was gebracht. 37Antiochus was pijnlijk getroffen en oprecht bedroefd; de herinnering aan de ingetogenheid en zelfbeheersing van de gestorvene bewoog hem tot tranen. 38Woedend rukte hij Andronikus zijn purperen mantel en zijn andere kleren af. Hij liet hem door de stad voeren tot aan de plaats waar hij zijn goddeloos misdrijf tegen Onias had bedreven, en maakte daar een einde aan het leven van de bloeddorstige moordenaar, die zo van de Heer zijn verdiende straf kreeg.

39Met medeweten van Menelaüs vergreep Lysimachus zich in Jeruzalem herhaaldelijk aan de tempelschat. Toen dit bekend werd, nadat reeds vele schatten waren ontvreemd, liep het volk tegen Lysimachus te hoop. 40Deze bewapende ongeveer drieduizend man en liet die onder aanvoering van een zekere Auranus, even dom als hij oud was, wreed inhakken op de woedend te hoop gelopen menigte. 41In antwoord daarop grepen de mensen stenen, dikke stukken hout en handenvol straatvuil, waarmee ze de mannen van Lysimachus in het wilde weg bekogelden. 42Ze verwondden er velen, sommigen doodden ze zelfs, en anderen joegen ze op de vlucht. De tempelrover zelf sloegen ze dood bij de schatkamer.

43Naar aanleiding hiervan werd tegen Menelaüs een proces aangespannen. 44De koning kwam naar Tyrus, waar drie afgevaardigden van de raad van oudsten bij hem hun zaak bepleitten. 45

4:45
1 Mak. 3:38
Toen Menelaüs inzag dat hij de rechtszaak ging verliezen, beloofde hij geld aan Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, als die de koning op andere gedachten kon brengen. 46Hierop nam Ptolemeüs de koning apart en leidde hem naar een zuilengalerij om, zoals hij zei, verkoeling te zoeken; daar wist hij hem te overreden. 47Menelaüs, de aanstichter van al het kwaad, werd dus vrijgesproken. Daarentegen werden de ongelukkigen die zelfs als ze hun zaak bij de Skythen hadden bepleit nog zouden zijn vrijgesproken, door de koning ter dood veroordeeld. 48Zonder uitstel ondergingen zij, die omwille van stad en volk het tempelgerei hadden verdedigd, hun onrechtvaardige straf. 49De inwoners van Tyrus, die deze misdaad afkeurden, bezorgden hun een schitterende uitvaart. 50Zo bleef Menelaüs dankzij de hebzucht van de machthebbers aan het bewind, waarbij hij van kwaad tot erger verviel en zijn medeburgers groot onrecht aandeed.

5

Jeruzalem door Jason overvallen

51Rond die tijd, toen Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte ondernam, 2waren er gedurende ongeveer veertig dagen overal in Jeruzalem verschijningen te zien. Er reden eenheden ruiters door de lucht, gekleed in met gouddraad bestikte mantels, bewapend met lansen 3en met getrokken zwaarden. Men zag ze van weerskanten op elkaar in rijden, met zwaaiende schilden, een woud van speren en een regen van pijlen, hun harnassen fonkelend van de gouden versieringen. 4Iedereen bad dat deze verschijningen iets goeds mochten voorspellen.

5Nadat zich het valse gerucht had verspreid dat Antiochus gesneuveld was, bracht Jason niet minder dan duizend man op de been en voerde hij een verrassingsaanval uit op de stad. Toen de verdediging was teruggedreven en de stad werd ingenomen, zocht Menelaüs zijn toevlucht in de citadel. 6Jason richtte een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen stadsgenoten. Hij realiseerde zich niet dat een overwinning op volksgenoten gelijkstaat aan de zwaarste nederlaag, maar ging tekeer alsof hij niet op zijn eigen volk, maar op zijn ergste vijand de zege moest behalen. 7Toch slaagde hij er niet in om de macht in handen te krijgen; het resultaat van zijn poging was dat hij met schande overladen opnieuw moest uitwijken naar Ammon. 8Uiteindelijk liep het slecht met hem af. Nadat hij gevangen had gezeten bij de Arabische koning Aretas, vluchtte hij van stad tot stad. Door iedereen als afvallige veracht en als beul van volk en vaderland gehaat, werd hij telkens voortgejaagd, tot hij als banneling in Egypte terechtkwam. 9Daar scheepte hij zich in naar Lakedemonië, waar hij op grond van verwantschap asiel hoopte te krijgen. Zo stierf de man die zo velen uit hun vaderland verdreven had, zelf in den vreemde, 10waar niemand hem, die zo veel lijken onbegraven had laten liggen, beweende of hem de laatste eer bewees. Hij werd niet bijgezet in het graf van zijn voorouders.

Jeruzalem door Antiochus gestraft

11

5:11-16
1 Mak. 1:20-24
Toen de koning over de gebeurtenissen in Jeruzalem hoorde, meende hij dat Judea in opstand was gekomen. Hij werd razend als een wild dier, brak zijn veldtocht in Egypte af en nam Jeruzalem stormenderhand in. 12Hij beval zijn soldaten om iedereen die hun in handen viel genadeloos neer te maaien en ook de mensen die hun huizen in vluchtten zonder omhaal te doden. 13Jong en oud werden gedood, vrouwen en kinderen werden vermoord, meisjes en zuigelingen afgeslacht. 14In drie dagen tijd verloor Jeruzalem tachtigduizend inwoners: veertigduizend sneuvelden bij de gewelddadigheden en nog eens veertigduizend werden als slaaf verkocht. 15En nog was de koning niet tevreden. Onder geleide van Menelaüs, die zelf een verrader van wet en vaderland was geworden, waagde hij zich in de heiligste tempel van de hele wereld. 16Hij nam het tempelgerei in zijn onreine, met bloed besmeurde handen mee en sleepte de voorwerpen weg die door andere koningen tot meerdere eer en glorie van de tempel waren geschonken. 17
5:17-20
2 Mak. 6:12-16
7:16-19,32-38
Antiochus zag in zijn hoogmoed niet in dat de Heer de heilige plaats voor korte tijd aan zijn lot had overgelaten omdat hij woedend was om wat de inwoners van de stad hadden misdreven. 18
5:18
2 Mak. 3:23-29
Als zij zich niet in zonden verstrikt hadden, zou Antiochus meteen na zijn binnenkomst zijn gegeseld en zo van zijn overmoedige voornemen zijn weerhouden, net als Heliodorus toen die in opdracht van koning Seleukus de schatkamer kwam inspecteren. 19De Heer heeft echter niet het volk uitverkozen omwille van de plaats, maar de plaats omwille van het volk. 20Daarom deelde ook de heilige plaats in de rampspoed van het volk, zoals hij later deelde in de voorspoed: toen de machtige Heer zich weer met zijn volk had verzoend, werd de tempel die overgeleverd was geweest aan de toorn van de Almachtige, weer in volle luister hersteld.

21Antiochus, die zich in zijn hoogmoed en arrogantie verbeeldde dat hij het land bevaarbaar kon maken en de zee begaanbaar, reisde al spoedig door naar Antiochië, met medeneming van achttienhonderd talent uit de tempel. 22Hij liet gouverneurs achter om het volk te kwellen: in Jeruzalem de Frygiër Filippus, nog barbaarser in zijn optreden dan de man die hem had aangesteld, 23en in Sichem Andronikus. En dan was er nog Menelaüs, die als geen ander het volk onderdrukte. Antiochus’ vijandige gevoelens jegens het Joodse volk liepen zelfs zo hoog op 24

5:24-26
1 Mak. 1:29-37
dat hij Apollonius, de bevelhebber van de Mysische huurlingen, met een leger van tweeëntwintigduizend man naar Jeruzalem stuurde met de opdracht om alle volwassen mannen te doden en de vrouwen en kinderen als slaven te verkopen. 25Bij zijn aankomst in Jeruzalem deed Apollonius zich heel vredelievend voor. Hij wachtte tot de heilige sabbatsdag, waarop de Joden rust hielden, en beval toen zijn manschappen zich buiten de stad in volle wapenrusting op te stellen. 26Iedereen die op dit schouwspel afkwam liet hij neersteken, en daarna stormde hij met zijn soldaten de stad binnen, waar ze een groot aantal mensen neermaaiden. 27
5:27
1 Mak. 2:28
Judas Makkabeüs trok zich met ongeveer tien man terug in de bergen, waar hij en zijn kameraden leefden als dieren in het wild. Om te voorkomen dat ze onrein werden, aten ze uitsluitend plantaardig voedsel.

6

De Joodse godsdienst verboden

61

6:1-7
1 Mak. 1:45-51
Niet lang daarna stuurde de koning de Athener Geron6:1 de Athener Geron – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een oude Athener’. om de Joden te dwingen de tradities van hun voorouders af te zweren en niet langer naar Gods voorschriften te leven. 2Door zijn toedoen werd de tempel in Jeruzalem ontwijd en genoemd naar Zeus Olympius, terwijl de tempel op de Gerizim op verzoek van de bevolking van Sichem aan Zeus Xenius werd gewijd. 3Deze provocatie trof het volk als een slag in het gezicht. 4Vreemdelingen namen de tempel in bezit en hielden er liederlijke braspartijen. Ze vermaakten zich met prostituees, hadden binnen de heilige muren gemeenschap met andermans vrouwen en namen allerlei ongepaste zaken mee naar binnen. 5Het altaar werd vol gezet met goddeloze offergaven die strijdig waren met de voorschriften. 6Het was niet langer geoorloofd om de sabbat in acht te nemen, de traditionele feesten te vieren of er zelfs maar voor uit te komen dat men Jood was. 7Onder harde dwang werden de Joden verplicht om elke maand op het geboortefeest van de koning deel te nemen aan heidense offermaaltijden, en tijdens het feest ter ere van Dionysus moesten ze met klimop omkranst meelopen in de optocht voor Dionysus. 8Op voorstel van Ptolemeüs werd in de omringende Griekse steden een decreet uitgevaardigd van soortgelijke strekking, waarin stond dat de Joden moesten deelnemen aan de heidense offermaaltijden 9en dat wie niet bereid was om zich aan de Griekse zeden aan te passen, ter dood moest worden gebracht. Hoe moeilijk de tijden voor de Joden waren geworden, bleek wel 10
6:10
1 Mak. 1:60-61
toen twee vrouwen werden opgebracht omdat ze hun zonen hadden laten besnijden: met hun zuigelingen aan hun borsten gehangen werden ze publiekelijk door de stad gevoerd en ten slotte van de muur naar beneden gegooid. 11
6:11
1 Mak. 2:29-38
Een andere keer waren mensen vlak buiten de stad in grotten bij elkaar gekomen om heimelijk de zevende dag te vieren. Zij werden aan Filippus verraden en op de brandstapel terechtgesteld, want uit eerbied voor de zo heilige dag hadden ze zich niet willen verdedigen.

12

6:12-17
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
2 Mak. 7:16-19,32-38
Ik roep mijn lezers op om zich door deze tragische gebeurtenissen niet te laten afschrikken, maar te bedenken dat deze straffen niet de ondergang, maar de opvoeding van ons volk ten doel hadden. 13
6:13
Wijsh. 11:9-10
12:2,22
Het is immers een teken van grote goedheid wanneer zondaars niet te lang hun gang kunnen gaan, maar onmiddellijk worden gestraft. 14
6:14
1 Tes. 2:16
De Heer heeft namelijk besloten ons anders te behandelen dan de andere volken: bij hen wacht hij rustig met straffen tot ze de maat van hun zonden vol hebben gemaakt, 15maar ons straft hij al voordat we dat punt bereikt hebben. 16Ons ontzegt hij dus nooit zijn barmhartigheid; hij laat zijn volk nooit alleen, maar hij voedt ons op door ons met rampen te treffen. 17Maar laten we, na dit in enkele woorden in herinnering te hebben gebracht, weer verdergaan met ons verhaal.

De marteldood van Eleazar

18

6:18-7:42
Hebr. 11:35
6:18
Lev. 11:7-8
Eleazar, een van de belangrijkste schriftgeleerden, een man van hoge leeftijd met een voornaam uiterlijk, kreeg met geweld varkensvlees in zijn mond gestopt. 19-20
6:19-20
1 Mak. 1:62-64
Hij spuwde het uit, zoals iedereen zou moeten doen die consequent weigert voedsel te eten waarvan men zelfs niet mag nemen wanneer zijn leven op het spel staat. Hij verkoos een eervolle dood boven een onrein leven en ging vrijwillig naar het schavot. 21De mannen die erop moesten toezien dat hij het onreine vlees at, kenden hem nog van vroeger. Daarom namen ze hem apart en raadden hem in vertrouwen aan om vlees te halen dat hij wel mocht gebruiken, het zelf te bereiden en net te doen alsof hij het door de koning verordende offervlees at. 22Als hij dat deed, zou hij gevrijwaard zijn van de doodstraf en vanwege zijn oude vriendschap met hen lankmoedig behandeld worden. 23Maar Eleazar nam een nobel besluit, passend bij zijn hoge ouderdom en zijn eerbiedwaardige grijze haren en geheel in de lijn van zijn van jongs af aan onberispelijke gedrag, en vooral ook in overeenstemming met de heilige, goddelijke wetgeving. Hij verklaarde dat men hem maar meteen naar het dodenrijk moest sturen en zei: 24‘Het zou mijn leeftijd onwaardig zijn wanneer ik huichelde en bij de jongeren de veronderstelling zou wekken dat ik op mijn negentigste jaar nog uitheemse gebruiken had overgenomen. 25Daarmee zou ik hen, omwille van het kleine beetje leven dat mij nog te wachten staat, op een dwaalspoor brengen en zelf een onreine smet op mijn ouderdom werpen. 26Zelfs als ik voor het moment mijn menselijke straf zou ontlopen, zou ik nooit aan de greep van de Almachtige ontkomen, noch bij mijn leven, noch bij mijn dood. 27Maar door nu met opgeheven hoofd het leven te verlaten, zal ik me mijn ouderdom waardig betonen 28en de jongeren het edele voorbeeld stellen dat men omwille van de eerbiedwaardige, heilige voorschriften bereid moet zijn onverschrokken een nobele dood te sterven.’ Meteen na deze woorden betrad Eleazar het schavot. 29Degenen die hem even tevoren nog zo welwillend tegemoet waren getreden, behandelden hem nu vijandig, omdat ze het waanzin vonden wat hij had gezegd. 30Vlak voor hij onder de slagen bezweek, verzuchtte hij: ‘De Heer, die beschikt over heilig inzicht, weet dat ik, die de doodstraf had kunnen ontlopen, nu weliswaar zo gegeseld word dat mijn lichaam ondraaglijke pijnen lijdt, maar dat mijn geest dit alles uit ontzag voor hem blijmoedig ondergaat.’ 31Zo stierf hij, en zijn dood was niet alleen voor de jongeren, maar voor bijna iedereen van ons volk een onvergetelijk voorbeeld van edelmoedigheid en deugd.