Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

Manasse, koning van Juda

211

21:1-18
2 Kron. 33:1-20
Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd. Vijfenvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chefsiba. 2
21:2
Jer. 15:4
Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij gaf zich over aan de verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. 3
21:3
1 Kon. 16:32-33
2 Kon. 17:16
18:4
Hij herstelde de offerplaatsen die zijn vader Hizkia verwijderd had, richtte nieuwe altaren op voor Baäl en maakte een nieuwe Asjerapaal, naar het voorbeeld van koning Achab van Israël. Hij aanbad de hemellichamen en diende die. 4
21:4
1 Kon. 8:29
Hij richtte altaren op in de tempel van de HEER, waarvan de HEER had gezegd: ‘In Jeruzalem zal ik mijn naam laten wonen,’ 5en plaatste op de beide voorhoven van de tempel altaren voor de hemellichamen. 6
21:6
Deut. 18:10
2 Kon. 17:17
23:10
Hij verbrandde zijn zoon als offer en liet zich in met wolkenschouwerij, wichelarij, geestenbezwering en waarzeggerij. Hij tergde de HEER door voortdurend te doen wat slecht is in zijn ogen. 7Zo liet hij bijvoorbeeld een beeld van de godin Asjera maken, dat hij een plaats gaf in de tempel waarvan de HEER tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: ‘In deze tempel, in Jeruzalem, dat ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen, zal ik voor altijd mijn naam laten wonen. 8
21:8
1 Kon. 9:3-5
Ik zal ervoor zorgen dat de Israëlieten nooit meer hoeven weg te trekken uit het land dat ik hun voorouders heb gegeven, maar dan moeten zij zich wel houden aan alles wat ik hun heb opgedragen, aan de wet die mijn dienaar Mozes hun heeft opgelegd.’ 9Maar ze luisterden niet en lieten zich door Manasse verleiden nog meer kwaad te doen dan de volken die de HEER voor hen had uitgeroeid. 10Daarom sprak de HEER bij monde van zijn dienaren, de profeten: 11‘Koning Manasse van Juda heeft zich ingelaten met verfoeilijke praktijken, erger nog dan die van de Amorieten die hier vroeger woonden, en hij heeft daarbij ook de Judeeërs met zijn afgoden tot zonde aangezet. 12Daarom – zegt de HEER, de God van Israël: Ik zal over Jeruzalem en Juda onheil brengen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten. 13
21:13
Jes. 34:11
Klaagl. 2:8
Amos 7:7-9
Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria leggen en het schietlood van het koningshuis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals je een gebruikte schaal schoonveegt en daarna ondersteboven wegzet. 14Wie er van mijn volk nog overblijven zal ik aan hun lot overlaten. Ik zal ze aan hun vijanden uitleveren, zodat hun vijanden ze kunnen plunderen en beroven. 15Dit alles zal ik doen omdat zij hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen en me hebben getergd vanaf de dag dat ze uit Egypte vertrokken tot nu toe.’

16

21:16
2 Kon. 24:3-4
Behalve dat Manasse zondigde door de Judeeërs tot zonde aan te zetten, zodat ze deden wat slecht is in de ogen van de HEER, vergoot hij ook onschuldig bloed, zo veel dat Jeruzalem ervan overvloeide. 17Verdere bijzonderheden over Manasse en zijn zondige praktijken zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 18Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de tuin van zijn paleis, de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon volgde hem op.

Amon, koning van Juda

19

21:19-26
2 Kron. 33:21-25
Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Mesullemet, de dochter van Charus, uit Jotba. 20Net als zijn vader Manasse deed hij wat slecht is in de ogen van de HEER. 21Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader, diende dezelfde afgoden als hij en knielde voor hen neer. 22Hij keerde zich af van de HEER, de God van zijn voorouders, en gehoorzaamde hem niet. 23De dienaren van Amon beraamden een aanslag op de koning en vermoordden hem in zijn paleis. 24Maar het volk doodde allen die tegen koning Amon hadden samengezworen en riep zijn zoon Josia tot zijn opvolger uit. 25Verdere bijzonderheden over Amon zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 26Hij werd begraven in de tuin van Uzza; zijn zoon Josia volgde hem op.

22

Josia, koning van Juda

221

22:1-23:30
2 Kron. 34:1-35:27
Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Eenendertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Boskat. 2Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn voorvader David en hield zich daaraan: hij deed wat goed is in de ogen van de HEER.

3In het achttiende jaar van zijn regering stuurde koning Josia zijn hofschrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, met de volgende opdracht naar de tempel van de HEER: 4

22:4-7
2 Kon. 12:11-16
‘Ga naar de hogepriester Chilkia en laat hem het zilver klaarleggen dat door het volk ten bate van de tempel is afgedragen en door de priesters die de ingang bewaken in ontvangst is genomen. 5Dat zilver moet ter hand worden gesteld aan de bouwmeesters die met het werk aan de tempel belast zijn, en die moeten het weer overhandigen aan de mensen die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, 6de handwerkslieden, bouwers en metselaars, zodat ze balken en gehouwen steen kunnen aanschaffen om de tempel te repareren. 7Ze hoeven geen rekening over te leggen voor het zilver dat ze ontvangen, want ze zijn door en door betrouwbaar.’

8De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.’ Safan nam het boek in ontvangst en las het. 9Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: ‘Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, tevoorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER.’ 10Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. 11Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. 12Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: 13‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.’

14De priester Chilkia, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda, de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas; hij beheerde de priesterkleding. Chulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem. Toen ze haar alles verteld hadden, 15zei Chulda tegen hen: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar mij toe gestuurd heeft: 16“Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, precies zoals beschreven staat in het boek dat de koning van Juda heeft gelezen. 17Dat doe ik omdat zij zich van mij hebben afgekeerd, offers hebben ontstoken voor andere goden en mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn tegen deze stad is hoog opgelaaid en zal niet meer doven.” 18-19En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd, namelijk dat ze als vloek en schrikbeeld zou gelden. Je hebt je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ook ik naar jou geluisterd – spreekt de HEER. 20Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe ik onheil breng over deze stad.”’

Dit antwoord brachten ze aan de koning over.

23

Maatregelen tegen de afgodendienst

231De koning ontbood de oudsten van Juda en Jeruzalem. 2Met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, de priesters en de profeten, kortom, de hele bevolking, van hoog tot laag, begaf hij zich naar de tempel van de HEER. Daar las hij hun de hele tekst voor van het verbondsboek dat in de tempel was gevonden. 3Staande op het podium bekrachtigde hij ten overstaan van de HEER het verbond. Hij zwoer dat hij de HEER zou volgen en zich geheel en al zou houden aan zijn geboden, voorschriften en bepalingen, om zo het verbond dat in deze boekrol was vastgelegd met hart en ziel na te leven. Heel het volk sloot zich hierbij aan.

4

23:4
2 Kon. 21:3,7
Vervolgens beval de koning dat de hogepriester Chilkia met zijn plaatsvervangers en de priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, alle voorwerpen uit de tempel van de HEER moesten halen die voor Baäl, Asjera en de hemellichamen waren gemaakt. Deze voorwerpen verbrandde hij buiten de stad, op het braakliggende terrein bij de Kidron, en de as liet hij naar Betel afvoeren. 5Hij ontsloeg de afgodspriesters die door de koningen van Juda waren aangesteld om offers te ontsteken op de offerplaatsen in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, en stuurde de priesters weg die offers ontstaken voor Baäl en voor de zon, de maan en de sterren, voor alle hemellichamen. 6
23:6-7
1 Kon. 14:23-24
23:6
Deut. 16:21-22
Hij liet de Asjerapaal uit de tempel van de HEER verwijderen en buiten de stad brengen, naar de bedding van de Kidron. Daar werd hij verbrand, en de resten werden verpulverd en over de begraafplaats van het gewone volk uitgestrooid. 7Hij liet de vertrekken afbreken waar mannen tempelprostitutie bedreven en waar vrouwen kleren weefden voor Asjera. 8Alle priesters uit de steden van Juda liet hij naar Jeruzalem komen. In het hele land, van Geba tot Berseba, liet hij de offerplaatsen ontwijden waar de priesters offers ontstoken hadden. Ook de offerplaatsen links van de stadspoort, bij de ingang van de poort van stadscommandant Josua, haalde hij neer. 9De priesters van de offerplaatsen mochten het altaar van de HEER in Jeruzalem niet betreden; wel mochten ze samen met hun ambtgenoten van het ongedesemde brood eten. 10
23:10
Lev. 18:21
20:1-5
Deut. 18:10
2 Kon. 16:3
17:17
21:6
2 Kron. 28:3
33:6
Jer. 19:1-6
32:35
Verder liet Josia de offerplaats Tofet in het Hinnomdal ontwijden, zodat niemand er meer zijn zoon of dochter als offer voor Moloch kon verbranden. 11Hij liet de paarden weghalen die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden opgesteld vanaf de ingang van het tempelterrein tot aan het vertrek van de eunuch Netanmelech, en de zonnewagens liet hij verbranden. 12
23:12
2 Kon. 21:5
Hij liet de altaren afbreken die de koningen van Juda op het dak van het bovenvertrek van Achaz hadden geplaatst, en ook de altaren die Manasse op de beide voorhoven van de tempel had laten maken. Het puin liet hij zo snel mogelijk afvoeren en in de bedding van de Kidron storten. 13
23:13
1 Kon. 11:7
De offerplaatsen buiten de stad, ten zuiden van de Berg van het verderf, die koning Salomo van Israël had laten oprichten voor Astarte, de gruwelijke godin van de Sidoniërs, Kemos, de gruwelijke god van Moab, en Milkom, de weerzinwekkende god van Ammon, werden door de koning ontwijd: 14
23:14
1 Kon. 14:23
hij sloeg de gewijde stenen aan stukken, hakte de Asjerapalen om en liet de gaten opvullen met beenderen van mensen.

15

23:15
1 Kon. 12:31
Amos 3:14
Ook het altaar en de offerhoogte in Betel brak hij af. Die offerplaats was aangelegd door Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. Josia stak de offerplaats in brand, verpulverde de resten en liet de Asjerapaal in vlammen opgaan. 16
23:16
1 Kon. 13:2
Zijn oog viel op de begraafplaats daar op de heuvel, en hij gaf bevel de beenderen uit de graven te halen. Die verbrandde hij op het altaar, dat hij op die manier ontwijdde. Zo ging de profetie van de HEER in vervulling die was uitgesproken door de godsman die dit alles had voorzegd. 17
23:17
1 Kon. 13:30-32
Josia vroeg: ‘Wat is dat daar voor een steen?’ ‘Dat is het graf van de godsman uit Juda,’ antwoordden de mensen die daar woonden. ‘Alles wat u met het altaar van Betel hebt gedaan, is door hem voorzegd.’ 18Daarop zei Josia: ‘Laat hem met rust. Zijn gebeente mag door niemand worden aangeraakt.’ Dus lieten ze zijn gebeente ongemoeid, evenals het gebeente van de profeet uit Samaria.

19Josia liet ook de heiligdommen afbreken die de koningen van Israël op de offerhoogten in Samaria hadden gebouwd om de HEER te tergen. Hij deed daarmee hetzelfde als hij in Betel had gedaan. 20Op de altaren in Samaria bracht hij de priesters van de offerplaatsen ten offer en hij verbrandde er mensenbeenderen.

Terug in Jeruzalem 21

23:21-23
2 Kron. 35:1-19
23:21
Deut. 16:1-8
beval de koning het volk: ‘Vier Pesach ter ere van de HEER, uw God, zoals het hier in het boek van het verbond beschreven staat.’ 22Sinds de tijd dat de rechters Israël bestuurden was Pesach namelijk niet meer op die manier gevierd, ook niet in de tijd van de koningen van Israël en Juda. 23Pas in het achttiende regeringsjaar van koning Josia werd in Jeruzalem weer op de juiste wijze Pesach gevierd ter ere van de HEER.

24

23:24
Lev. 19:31
Deut. 18:10-12
2 Kon. 21:6
Ook zuiverde Josia het land van geestenbezweerders, waarzeggers, huisgoden, afgoden, kortom, van alle verfoeilijke praktijken die in Juda en Jeruzalem voorkwamen. Zo kwam hij na wat beschreven stond in het wetboek dat de priester Chilkia in de tempel van de HEER had gevonden.

25

23:25
2 Kon. 18:5
Met hart en ziel en met inzet van al zijn krachten trachtte hij de wetten van Mozes strikt na te leven en terug te keren tot de HEER, zoals geen van zijn voorgangers of opvolgers ooit gedaan heeft. 26Toch liet de HEER zijn toorn tegen Juda, waarin hij was ontbrand doordat Manasse hem tot het uiterste had getergd, niet varen. 27Hij zei: ‘Zoals ik Israël verstoten heb, zo zal ik ook Juda verstoten. En Jeruzalem, de stad die ik had uitverkozen, zal ik verwerpen, evenals de tempel waarvan ik heb gezegd dat daar mijn naam zou wonen.’

28Verdere bijzonderheden over Josia zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 29Tijdens de regering van Josia trok farao Necho van Egypte naar de Eufraat op om zich bij de koning van Assur te voegen. Koning Josia ging de farao tegemoet, maar werd bij het eerste treffen, in Megiddo, door hem gedood. 30Zijn dienaren brachten zijn lichaam op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem, waar ze hem begroeven in zijn eigen graf. Josia’s zoon Joachaz werd door het volk tot opvolger van zijn vader uitgeroepen en tot koning gezalfd.

Joachaz, koning van Juda

31

23:31-35
2 Kron. 36:1-4
Joachaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. 32Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders. 33
23:33
2 Kon. 25:6
Hij werd door farao Necho gevangengezet in Ribla in het gebied van Hamat, zodat hij het koningschap niet kon uitoefenen. De farao legde het land een schatting op van honderd talent zilver en één talent goud. 34
23:34-35
Jer. 22:11-19
Hij stelde Eljakim, een andere zoon van Josia, als opvolger van zijn vader aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz werd door de farao meegevoerd naar Egypte, en daar is hij gestorven. 35Jojakim betaalde de farao het zilver en goud. Om de vastgestelde schatting te betalen, legde hij het land belasting op. Iedereen werd naar vermogen aangeslagen; zo werd het zilver en goud voor farao Necho bijeengebracht.

Jojakim, koning van Juda

36

23:36-24:6
2 Kron. 36:5-8
Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. 37Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]