Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

Azarja, koning van Juda

151

15:1-7
2 Kron. 26:3-23
Azarja, de zoon van Amasja, werd koning van Juda in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. 2Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd. Tweeënvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jecholja, ze was afkomstig uit Jeruzalem. 3Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn vader Amasja gedaan had. 4Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

5De HEER trof de koning met huidvraat, waaraan hij leed tot op de dag van zijn dood. Al die tijd leefde hij in afzondering, terwijl zijn zoon Jotam de gang van zaken in het paleis regelde en ook het landsbestuur waarnam. 6Verdere bijzonderheden over Azarja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 7Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Jotam volgde hem op.

Zecharja, koning van Israël

8Zecharja, de zoon van Jerobeam, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Zes maanden regeerde hij in Samaria. 9Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: net zomin als zijn voorvaders brak hij met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

10Tegen Zecharja werd een samenzwering beraamd door Sallum, de zoon van Jabes. Deze liet hem publiekelijk ter dood brengen en werd in zijn plaats koning. 11Verdere bijzonderheden over Zecharja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 12

15:12
2 Kon. 10:30
De HEER had aan Jehu voorzegd dat zijn nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zouden zitten, en zo is het ook gebeurd.

Sallum, koning van Israël

13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste regeringsjaar van koning Uzzia van Juda. Eén maand regeerde hij in Samaria. 14Menachem, de zoon van Gadi, trok vanuit Tirsa naar Samaria op en versloeg Sallum, de zoon van Jabes. Hij doodde hem en werd in zijn plaats koning. 15Verdere bijzonderheden over Sallum en over de samenzwering die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 16

15:16
2 Kon. 8:12
Toen Menachem vanuit Tirsa optrok, doodde hij alle inwoners van Tifsach en omgeving. Omdat de stad hem geen vrije doortocht had willen geven, doodde hij alle inwoners en reet hij alle zwangere vrouwen de buik open.

Menachem, koning van Israël

17Menachem, de zoon van Gadi, werd koning van Israël in het negenendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Tien jaar regeerde hij in Samaria. 18Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: zijn leven lang brak hij niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

19In die tijd viel koning Pul van Assyrië het land binnen. Menachem gaf Pul duizend talent zilver om zich te verzekeren van diens steun bij het handhaven van zijn koningschap. 20Daartoe legde hij de vermogende Israëlieten een schatting op van vijftig sjekel zilver per hoofd. Hij droeg het zilver over aan de koning van Assyrië, die daarop zijn troepen terugtrok en het land niet bezette. 21Verdere bijzonderheden over Menachem zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 22Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Pekachja hem op.

Pekachja, koning van Israël

23Pekachja, de zoon van Menachem, werd koning van Israël in het vijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twee jaar regeerde hij in Samaria. 24Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

25Tegen Pekachja werd een samenzwering beraamd door zijn adjudant Pekach, de zoon van Remaljahu. Met de hulp van vijftig Gileadieten doodde Pekach de koning, en ook Argob en Arje, in het versterkte deel van het paleis in Samaria. Hij doodde Pekachja en werd in zijn plaats koning. 26Verdere bijzonderheden over Pekachja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Pekach, koning van Israël

27Pekach, de zoon van Remaljahu, werd koning van Israël in het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twintig jaar regeerde hij in Samaria. 28Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

29

15:29
1 Kron. 5:25-27
In de tijd van koning Pekach van Israël viel koning Tiglatpileser van Assyrië het land binnen. Hij veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galilea inclusief het gebied van Naftali, en voerde de inwoners van die steden en gebieden als ballingen naar Assyrië mee.

30Tegen Pekach, de zoon van Remaljahu, werd een samenzwering beraamd door Hosea, de zoon van Ela. Het was in het twintigste regeringsjaar van koning Jotam, de zoon van Uzzia, dat Hosea Pekach doodde en in zijn plaats koning werd. 31Verdere bijzonderheden over Pekach zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Jotam, koning van Juda

32

15:32-38
2 Kron. 27:1-9
Jotam, de zoon van Uzzia, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jerusa, de dochter van Sadok. 34Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER en volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Uzzia. 35Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. 36Verdere bijzonderheden over Jotam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 37Het was in die tijd dat de HEER voor het eerst koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël op Juda afstuurde. 38Toen Jotam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achaz volgde hem op.

16

Achaz, koning van Juda

161

16:1-19
2 Kron. 28:1-27
Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 2Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, 3
16:3
Deut. 12:31
2 Kon. 23:10
maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. 4Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.

5

16:5
Jes. 7:1
In die tijd trokken koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, tegen Jeruzalem ten strijde. Ze dreven Achaz in het nauw, maar slaagden er niet in hem te overwinnen. 6Het was in diezelfde tijd dat koning Resin van Aram Elat weer bij zijn rijk inlijfde en de Judeeërs eruit verdreef. De Edomieten trokken Elat binnen, en ze zijn er gebleven tot op de dag van vandaag. 7Achaz stuurde gezanten naar koning Tiglatpileser van Assyrië, met de boodschap: ‘Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.’ 8Hij zette zijn verzoek kracht bij door het goud en zilver uit de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis aan de koning van Assyrië te laten overhandigen. 9De koning van Assyrië gaf gehoor aan Achaz’ verzoek. Hij trok op tegen Damascus en nam de stad in. De bevolking voerde hij als ballingen naar Kir, en Resin liet hij ter dood brengen.

10Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria. 11Nog voordat Achaz terugkeerde liet Uria het altaar nabouwen, precies volgens het ontwerp dat de koning hem vanuit Damascus had gestuurd. 12Toen koning Achaz uit Damascus terugkeerde, nam hij het altaar in ogenschouw, liep ernaartoe en besteeg de treden. 13Hij droeg persoonlijk verschillende offers op: een brandoffer, een graanoffer en een wijnoffer, en goot het bloed van de dieren voor het vredeoffer tegen de zijkanten van het altaar. 14

16:14
2 Kron. 4:1
Tussen het nieuwe altaar en de tempel stond nog het bronzen altaar ter ere van de HEER. Dat liet hij verwijderen en opzij van het nieuwe altaar opstellen, aan de noordkant. 15
16:15
Ex. 29:38-39
Num. 28:3-4
Hij beval de priester Uria: ‘Op dit grote altaar moeten vanaf nu ’s morgens het brandoffer en ’s avonds het graanoffer worden opgedragen. Ook het brandoffer en het graanoffer van de koning moeten daar worden opgedragen, evenals de brandoffers, de graan- en de wijnoffers van de mensen uit het land, en het bloed van de offerdieren moet tegen de zijkanten van het grote altaar worden gegoten. Het bronzen altaar gebruik ik voortaan zelf, wanneer ik een godsspraak wil verkrijgen.’ 16De priester Uria voerde alles precies uit zoals de koning het hem had opgedragen. 17
16:17
1 Kon. 7:23-37
2 Kron. 4:2-6
Verder liet koning Achaz de spoelbekkens van hun onderstellen halen en de panelen van de onderstellen slopen. Het grote bekken, de Zee, liet hij verwijderen van de bronzen runderen waarop het rustte, en op een stenen fundering zetten. 18Ook liet hij het sabbatsbaldakijn dat men aan de tempel had aangebouwd en de speciale opgang voor de koning verplaatsen naar de binnenkant van de tempel, opdat de koning van Assyrië ze niet te zien zou krijgen.

19Verdere bijzonderheden over Achaz zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 20Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Hizkia volgde hem op.

17

Hosea, koning van Israël; de val van Samaria

171

17:1-7
2 Kon. 18:9-12
Hosea, de zoon van Ela, werd koning van Israël in het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz van Juda. Negen jaar regeerde hij in Samaria. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn voorgangers.

3Koning Salmanassar van Assyrië rukte tegen Hosea op en onderwierp hem. Voortaan moest Hosea schatting afdragen aan de koning van Assyrië. 4Na verloop van tijd ontdekte Salmanassar dat Hosea tegen hem samenspande en afgezanten had gestuurd naar koning So van Egypte. Ook verzuimde hij de jaarlijkse schatting af te dragen. Daarom liet de koning van Assyrië Hosea in de boeien slaan en in de gevangenis opsluiten. 5Hij viel het land binnen, trok op tegen Samaria en belegerde de stad drie jaar lang. 6In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië. Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië.

Beschouwing over de ondergang van Israël

7Dit alles gebeurde omdat de Israëlieten zondigden tegen de HEER, hun God, die hen had bevrijd uit de handen van de farao, de koning van Egypte, en hen uit Egypte had weggeleid. Ze waren andere goden gaan vereren 8en volgden de levenswijze van de volken die de HEER voor hen verdreven had en de bepalingen die de koningen van Israël zelf uitvaardigden. 9Ze hielden er onjuiste denkbeelden over de HEER, hun God, op na. Overal waar ze woonden, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad, bouwden ze offerplaatsen. 10

17:10
1 Kon. 14:23
Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom richtten ze gewijde stenen en Asjerapalen op 11en op al die offerhoogten ontstaken ze offers, naar het voorbeeld van de volken die de HEER van hen had weggevoerd. Met deze kwalijke praktijken tergden ze de HEER. 12
17:12
Ex. 23:24
Ze dienden afgoden, hoewel de HEER hun dat uitdrukkelijk verboden had. 13Telkens opnieuw vermaande de HEER Israël en Juda bij monde van de profeten en de zieners: ‘Keer terug van jullie dwaalwegen en houd je aan mijn geboden en bepalingen, aan de wet die ik jullie voorouders heb opgelegd en die jullie door mijn dienaren de profeten is overgeleverd.’ 14
17:14
Deut. 9:13
Maar even halsstarrig als hun voorouders, die geen vertrouwen stelden in de HEER, hun God, weigerden de Israëlieten te luisteren. 15Ze trokken zich niets aan van zijn bepalingen en van het verbond dat hij met hun voorouders had gesloten, en sloegen zijn waarschuwingen in de wind. Ze liepen achter nietige goden aan en werden zo zelf nietswaardig. Ze volgden het voorbeeld van de hen omringende volken, hoewel de HEER hun dat verboden had. 16
17:16
Deut. 4:19
17:3
1 Kon. 12:28
Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze aanbaden de hemellichamen en dienden Baäl. 17
17:17
Deut. 18:10
2 Kon. 21:6
23:10
2 Kron. 33:6
Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer, deden aan waarzeggerij en probeerden voortekens te lezen. Zo tergden ze de HEER door zich erop toe te leggen te doen wat slecht is in zijn ogen. 18De HEER werd woedend op de Israëlieten en verstootte hen. Niets bleef er van hen over, behalve de stam Juda. 19Maar ook de Judeeërs hielden zich niet aan de geboden van de HEER, hun God, en volgden de bepalingen die de Israëlieten eigenmachtig hadden uitgevaardigd. 20Daarom verwierp de HEER alle nakomelingen van Israël. Hij vernederde hen door hen uit te leveren aan plunderaars, en uiteindelijk verstootte hij hen allemaal. 21
17:21
1 Kon. 12:26-32
Want Israël had zich van het koningshuis van David losgescheurd en Jerobeam, de zoon van Nebat, als koning aangesteld. En Jerobeam dreef een wig tussen Israël en de HEER, door de Israëlieten aan te zetten tot grote zonde. 22De Israëlieten volgden in alle opzichten het slechte voorbeeld van Jerobeam en braken niet met zijn zondige praktijken. 23Uiteindelijk verstootte de HEER Israël, zoals hij bij monde van alle profeten, zijn dienaren, had voorzegd, en de Israëlieten werden in ballingschap van hun grondgebied weggevoerd naar Assyrië, waar zij wonen tot op de dag van vandaag.

24De koning van Assyrië stuurde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm naar de steden van Samaria, waar hij hun een woonplaats toewees in plaats van de Israëlieten. Deze mensen namen Samaria in bezit en gingen er wonen. 25De eerste tijd dat zij daar woonden, vereerden ze de HEER niet. Daarom liet de HEER leeuwen op hen los, die een aantal van hen verscheurden. 26Men zei tegen de koning van Assyrië: ‘De volken die u naar Samaria hebt overgebracht om in de steden daar te gaan wonen, zijn niet op de hoogte van de regels die de God van dat land heeft gesteld. Nu heeft hij leeuwen op hen losgelaten omdat de mensen de regels van de God van dat land niet kennen, en die hebben al een aantal van hen gedood.’ 27Daarop beval de koning van Assyrië: ‘Stuur een van de priesters die jullie hebben weggevoerd terug naar het land waar hij vandaan komt. Hij moet daar gaan wonen en de mensen de regels van de God van dat land onderwijzen.’ 28Zo keerde een van de priesters die waren weggevoerd terug naar Samaria en vestigde zich in Betel, waar hij de mensen leerde hoe ze de HEER moesten vereren. 29Toch bleven al die volken hun eigen godenbeelden maken, die ze in hun nieuwe woonplaats neerzetten in de tempels die de Samaritanen op de offerhoogten gebouwd hadden. 30De mensen uit Babel maakten een beeld van Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta maakten een beeld van Nergal, de mensen uit Hamat maakten een beeld van Asima, 31de Awwieten maakten beelden van Nibchaz en Tartak, en de Sefarwieten verbrandden hun kinderen als offer voor hun goden Adrammelech en Anammelech. 32

17:32
1 Kon. 12:31
Daarnaast vereerden zij de HEER en stelden ze uit hun eigen midden priesters aan om dienst te doen in de tempels op de offerhoogten. 33Ze vereerden dus wel de HEER, maar dienden ook hun eigen goden zoals ze in hun land van herkomst gewoon waren geweest.

34

17:34
Gen. 32:29
35:10
Ook de Israëlieten zelf vervielen telkens opnieuw in hun oude gewoonten en doen dat tot op de dag van vandaag: ze vereren de HEER niet en houden zich niet aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die de HEER heeft opgelegd aan de nakomelingen van Jakob, aan wie hij de naam Israël heeft gegeven. 35
17:35
Ex. 20:5
Deut. 5:9
De HEER heeft met hen een verbond gesloten en hun opgedragen: ‘Jullie mogen geen andere goden vereren: niet voor hen neerknielen, hen niet dienen en hun geen offers brengen. 36
17:36
Deut. 6:12-13
Alleen de HEER, die jullie met sterke hand en opgeheven arm uit Egypte heeft weggeleid, moeten jullie vereren, voor hem moeten jullie neerknielen en aan hem moeten jullie offers brengen. 37Jullie moeten je altijd houden aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die hij heeft vastgelegd, en geen andere goden vereren. 38Jullie mogen het verbond dat ik met jullie heb gesloten niet vergeten en geen andere goden vereren; 39alleen de HEER, jullie God, moeten jullie vereren, dan zal hij jullie redden uit de greep van al jullie vijanden.’ 40Maar ze hebben niet geluisterd en houden nog altijd vast aan hun oude gewoonten.

41De nieuwe bewoners van het land vereerden de HEER, maar dienden ook hun eigen godenbeelden. Hun kinderen en kindskinderen volgden het voorbeeld van hun ouders en leven tot op de dag van vandaag op dezelfde wijze voort.