Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

Amasja, koning van Juda

141

14:1-22
2 Kron. 25:1-26:2
Amasja, de zoon van Joas, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Joas van Israël, de zoon van Joachaz. 2Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jehoaddan, ze was afkomstig uit Jeruzalem. 3Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, zij het niet in die mate als zijn voorvader David. Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Joas, 4dus bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

5

14:5
2 Kon. 12:21-22
Toen Amasja de macht eenmaal stevig in handen had, liet hij de hovelingen die zijn vader hadden vermoord ter dood brengen. 6
14:6
Deut. 24:16
Maar de kinderen van de moordenaars doodde hij niet, zoals geschreven staat in het boek met de wet van Mozes, die door de HEER is opgelegd: ‘Ouders mogen niet ter dood worden gebracht om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood worden gebracht.’

7

14:7
2 Sam. 8:13
2 Kron. 25:11
In de Zoutvallei versloeg Amasja de Edomieten, tienduizend man. Hij veroverde Sela en gaf het de naam Jokteël, en zo heet het tot op de dag van vandaag. 8Daarop stuurde hij gezanten naar de koning van Israël, Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, met de boodschap: ‘Laten wij zien wie van ons de sterkste is.’ 9Koning Joas van Israël liet koning Amasja van Juda het volgende antwoord overbrengen: ‘Eens, in de Libanon, verzocht de doornstruik de ceder: “Geef uw dochter aan mijn zoon ten huwelijk.” Maar toen kwam er een wild dier voorbij, dat de doornstruik vertrapte. 10U hebt Edom verslagen, dat is waar, maar nu bent u overmoedig geworden. Gedraag u waardig en blijf waar u bent. Waarom zou u uzelf in het ongeluk storten en Juda meesleuren in uw val?’ 11Maar Amasja luisterde niet. Toen rukte koning Joas van Israël op, en in Bet-Semes in Juda maten hij en koning Amasja van Juda hun krachten. 12Juda werd door Israël verslagen en alle Judeeërs sloegen op de vlucht. 13De koning van Juda, Amasja, de zoon van Joas, de zoon van Achazja, werd in Bet-Semes door koning Joas van Israël gevangengenomen. Vervolgens trok koning Joas op naar Jeruzalem en sloeg een bres van vierhonderd el in de stadsmuur, van de Efraïmpoort tot aan de Hoekpoort. 14Toen hij naar Samaria terugkeerde, nam hij al het goud en zilver en alle andere voorwerpen mee die zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevonden, en een groep gijzelaars.

15

14:15
2 Kon. 13:12-13
Verdere bijzonderheden over Joas en over de overwinning die hij in zijn strijd tegen koning Amasja van Juda behaalde, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 16Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria, bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jerobeam volgde hem op.

17Na de dood van koning Joas van Israël, de zoon van Joachaz, leefde koning Amasja van Juda, de zoon van Joas, nog vijftien jaar. 18Verdere bijzonderheden over Amasja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 19Toen er in Jeruzalem tegen hem werd samengespannen, vluchtte hij naar Lachis, maar ze kwamen hem achterna en doodden hem daar. 20Hij werd met paarden overgebracht naar Jeruzalem, waar hij werd begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. 21Het volk van Juda riep Amasja’s zestien jaar oude zoon Azarja tot opvolger van zijn vader uit. 22Het was Azarja die Elat na de dood van koning Amasja weer bij Juda inlijfde en het versterkte.

Jerobeam, koning van Israël

23Jerobeam, de zoon van Joas, werd koning van Israël in het vijftiende regeringsjaar van koning Amasja van Juda, de zoon van Joas. Eenenveertig jaar regeerde hij in Samaria. 24Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

25

14:25
Jona 1:1
Jerobeam herstelde de grens van Israël, van Lebo-Hamat tot aan de Zoutzee, zoals de HEER, de God van Israël, had voorzegd bij monde van zijn profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. 26
14:26
2 Kon. 13:4-5
De HEER had namelijk gezien hoe bitter14:26 bitter – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘weerspannig’. de Israëlieten, van hoog tot laag, te lijden hadden en dat er niemand was die hun te hulp kwam. 27En omdat hij had besloten om de herinnering aan Israël op aarde niet uit te wissen, liet hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas, bevrijden.

28Verdere bijzonderheden over Jerobeam en over de overwinningen die hij behaalde toen hij Damascus en Hamat, die vroeger aan Juda behoorden, heroverde en weer inlijfde bij Israël, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 29Toen hij bij zijn voorouders, de koningen van Israël, te ruste ging, volgde zijn zoon Zecharja hem op.

15

Azarja, koning van Juda

151

15:1-7
2 Kron. 26:3-23
Azarja, de zoon van Amasja, werd koning van Juda in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. 2Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd. Tweeënvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jecholja, ze was afkomstig uit Jeruzalem. 3Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn vader Amasja gedaan had. 4Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

5De HEER trof de koning met huidvraat, waaraan hij leed tot op de dag van zijn dood. Al die tijd leefde hij in afzondering, terwijl zijn zoon Jotam de gang van zaken in het paleis regelde en ook het landsbestuur waarnam. 6Verdere bijzonderheden over Azarja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 7Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Jotam volgde hem op.

Zecharja, koning van Israël

8Zecharja, de zoon van Jerobeam, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Zes maanden regeerde hij in Samaria. 9Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: net zomin als zijn voorvaders brak hij met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

10Tegen Zecharja werd een samenzwering beraamd door Sallum, de zoon van Jabes. Deze liet hem publiekelijk ter dood brengen en werd in zijn plaats koning. 11Verdere bijzonderheden over Zecharja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 12

15:12
2 Kon. 10:30
De HEER had aan Jehu voorzegd dat zijn nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zouden zitten, en zo is het ook gebeurd.

Sallum, koning van Israël

13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste regeringsjaar van koning Uzzia van Juda. Eén maand regeerde hij in Samaria. 14Menachem, de zoon van Gadi, trok vanuit Tirsa naar Samaria op en versloeg Sallum, de zoon van Jabes. Hij doodde hem en werd in zijn plaats koning. 15Verdere bijzonderheden over Sallum en over de samenzwering die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 16

15:16
2 Kon. 8:12
Toen Menachem vanuit Tirsa optrok, doodde hij alle inwoners van Tifsach en omgeving. Omdat de stad hem geen vrije doortocht had willen geven, doodde hij alle inwoners en reet hij alle zwangere vrouwen de buik open.

Menachem, koning van Israël

17Menachem, de zoon van Gadi, werd koning van Israël in het negenendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Tien jaar regeerde hij in Samaria. 18Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: zijn leven lang brak hij niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

19In die tijd viel koning Pul van Assyrië het land binnen. Menachem gaf Pul duizend talent zilver om zich te verzekeren van diens steun bij het handhaven van zijn koningschap. 20Daartoe legde hij de vermogende Israëlieten een schatting op van vijftig sjekel zilver per hoofd. Hij droeg het zilver over aan de koning van Assyrië, die daarop zijn troepen terugtrok en het land niet bezette. 21Verdere bijzonderheden over Menachem zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 22Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Pekachja hem op.

Pekachja, koning van Israël

23Pekachja, de zoon van Menachem, werd koning van Israël in het vijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twee jaar regeerde hij in Samaria. 24Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

25Tegen Pekachja werd een samenzwering beraamd door zijn adjudant Pekach, de zoon van Remaljahu. Met de hulp van vijftig Gileadieten doodde Pekach de koning, en ook Argob en Arje, in het versterkte deel van het paleis in Samaria. Hij doodde Pekachja en werd in zijn plaats koning. 26Verdere bijzonderheden over Pekachja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Pekach, koning van Israël

27Pekach, de zoon van Remaljahu, werd koning van Israël in het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twintig jaar regeerde hij in Samaria. 28Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

29

15:29
1 Kron. 5:25-27
In de tijd van koning Pekach van Israël viel koning Tiglatpileser van Assyrië het land binnen. Hij veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galilea inclusief het gebied van Naftali, en voerde de inwoners van die steden en gebieden als ballingen naar Assyrië mee.

30Tegen Pekach, de zoon van Remaljahu, werd een samenzwering beraamd door Hosea, de zoon van Ela. Het was in het twintigste regeringsjaar van koning Jotam, de zoon van Uzzia, dat Hosea Pekach doodde en in zijn plaats koning werd. 31Verdere bijzonderheden over Pekach zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Jotam, koning van Juda

32

15:32-38
2 Kron. 27:1-9
Jotam, de zoon van Uzzia, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jerusa, de dochter van Sadok. 34Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER en volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Uzzia. 35Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. 36Verdere bijzonderheden over Jotam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 37Het was in die tijd dat de HEER voor het eerst koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël op Juda afstuurde. 38Toen Jotam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achaz volgde hem op.

16

Achaz, koning van Juda

161

16:1-19
2 Kron. 28:1-27
Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 2Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, 3
16:3
Deut. 12:31
2 Kon. 23:10
maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. 4Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.

5

16:5
Jes. 7:1
In die tijd trokken koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, tegen Jeruzalem ten strijde. Ze dreven Achaz in het nauw, maar slaagden er niet in hem te overwinnen. 6Het was in diezelfde tijd dat koning Resin van Aram Elat weer bij zijn rijk inlijfde en de Judeeërs eruit verdreef. De Edomieten trokken Elat binnen, en ze zijn er gebleven tot op de dag van vandaag. 7Achaz stuurde gezanten naar koning Tiglatpileser van Assyrië, met de boodschap: ‘Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.’ 8Hij zette zijn verzoek kracht bij door het goud en zilver uit de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis aan de koning van Assyrië te laten overhandigen. 9De koning van Assyrië gaf gehoor aan Achaz’ verzoek. Hij trok op tegen Damascus en nam de stad in. De bevolking voerde hij als ballingen naar Kir, en Resin liet hij ter dood brengen.

10Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria. 11Nog voordat Achaz terugkeerde liet Uria het altaar nabouwen, precies volgens het ontwerp dat de koning hem vanuit Damascus had gestuurd. 12Toen koning Achaz uit Damascus terugkeerde, nam hij het altaar in ogenschouw, liep ernaartoe en besteeg de treden. 13Hij droeg persoonlijk verschillende offers op: een brandoffer, een graanoffer en een wijnoffer, en goot het bloed van de dieren voor het vredeoffer tegen de zijkanten van het altaar. 14

16:14
2 Kron. 4:1
Tussen het nieuwe altaar en de tempel stond nog het bronzen altaar ter ere van de HEER. Dat liet hij verwijderen en opzij van het nieuwe altaar opstellen, aan de noordkant. 15
16:15
Ex. 29:38-39
Num. 28:3-4
Hij beval de priester Uria: ‘Op dit grote altaar moeten vanaf nu ’s morgens het brandoffer en ’s avonds het graanoffer worden opgedragen. Ook het brandoffer en het graanoffer van de koning moeten daar worden opgedragen, evenals de brandoffers, de graan- en de wijnoffers van de mensen uit het land, en het bloed van de offerdieren moet tegen de zijkanten van het grote altaar worden gegoten. Het bronzen altaar gebruik ik voortaan zelf, wanneer ik een godsspraak wil verkrijgen.’ 16De priester Uria voerde alles precies uit zoals de koning het hem had opgedragen. 17
16:17
1 Kon. 7:23-37
2 Kron. 4:2-6
Verder liet koning Achaz de spoelbekkens van hun onderstellen halen en de panelen van de onderstellen slopen. Het grote bekken, de Zee, liet hij verwijderen van de bronzen runderen waarop het rustte, en op een stenen fundering zetten. 18Ook liet hij het sabbatsbaldakijn dat men aan de tempel had aangebouwd en de speciale opgang voor de koning verplaatsen naar de binnenkant van de tempel, opdat de koning van Assyrië ze niet te zien zou krijgen.

19Verdere bijzonderheden over Achaz zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 20Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Hizkia volgde hem op.