Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151Azarja, de zoon van Oded, werd gegrepen door de geest van God. 2Hij ging Asa tegemoet en zei tegen hem: ‘Asa en Juda en Benjamin, luister naar mij! De HEER staat aan uw kant zolang u aan zijn kant staat. Als u hem zoekt, zal hij zich door u laten vinden, maar als u zich van hem afwendt, zal hij zich van u afwenden. 3

15:3-4
Hos. 3:4-5
Lange tijd hebben de Israëlieten zonder de ware God geleefd, zonder priesters om hun de wet uit te leggen, zonder onderricht. 4Pas in hun rampspoed keerden ze terug naar de HEER, de God van Israël; ze hebben hem gezocht en hij heeft zich door hen laten vinden. 5Wie in die tijd maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want overal heerste ontreddering. 6Volken en steden raakten met elkaar slaags omdat God hen tot ontreddering bracht door hen met allerlei rampen te treffen. 7Wees dus vastberaden en geef de moed niet op: voor uw inspanningen zult u beloond worden.’

8Gesterkt door deze woorden en door de profetie van de profeet Oded liet Asa onmiddellijk alle gruwelijke godenbeelden uit Juda en Benjamin verwijderen en ook uit de steden die hij in het bergland van Efraïm had veroverd. Hij herstelde het altaar voor de HEER tegenover de voorhal van de tempel. 9Hij ontbood heel Juda en Benjamin, en ook de mensen uit de stamgebieden van Efraïm en Manasse en Simeon die als vreemdeling in zijn koninkrijk verbleven sinds zij in groten getale uit Israël waren gekomen en zich bij hem hadden gevoegd toen ze merkten dat de HEER, zijn God, hem bijstond. 10In de derde maand van het vijftiende regeringsjaar van Asa kwamen ze in Jeruzalem bijeen. 11Ze offerden die dag aan de HEER zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen en geiten uit de buit die ze hadden meegebracht. 12Ze zwoeren dat ze zich met hart en ziel zouden richten naar de HEER, de God van hun voorouders, 13en dat iedereen die zich daar niet aan hield, jong of oud, man of vrouw, zou worden gedood. 14Met luide stem zwoeren ze trouw aan de HEER. Daarbij juichten ze en lieten ze de trompetten en ramshoorns schallen. 15Iedereen in Juda verheugde zich over de eed die ze hadden afgelegd. Ze hadden uit volle overtuiging gezworen en zochten met heel hun hart de HEER, en hij liet zich door hen vinden en verschafte hun rust aan al hun grenzen.

16

15:16-18
1 Kon. 15:13-15
Asa ging zelfs zo ver dat hij zijn grootmoeder Maächa haar koninklijke titel ontnam, omdat ze een aanstootgevend beeld van Asjera had laten maken. Het beeld hakte hij in stukken, en hij verpulverde de resten en verbrandde die in de bedding van de Kidron. 17En al verdwenen de offerplaatsen dan niet uit Israël, toch bleef Asa zijn leven lang met heel zijn hart het goede nastreven. 18Hij liet de wijgeschenken van zijn vader overbrengen naar de tempel van God en bracht daar ook zijn eigen wijgeschenken onder: goud, zilver en gebruiksvoorwerpen.

19Tot en met het vijfendertigste regeringsjaar van Asa bleef het land gevrijwaard van oorlog.

16

161

16:1-14
1 Kon. 15:16-24
Maar in het zesendertigste regeringsjaar van Asa viel koning Basa van Israël Juda binnen en versterkte hij Rama om de aan- en afvoerwegen voor koning Asa van Juda af te snijden. 2Daarom nam Asa goud en zilver uit de schatkamers van de tempel en uit het koninklijk paleis en liet dat met de volgende woorden overhandigen aan koning Benhadad van Aram, die in Damascus zetelde: 3‘Wij zijn bondgenoten, en onze vaders waren dat ook. Hierbij bied ik u goud en zilver aan. Verbreek uw verdrag met koning Basa van Israël, zodat hij zich uit mijn land terugtrekt.’ 4Benhadad willigde het verzoek van koning Asa in en gaf zijn bevelhebbers opdracht met hun legers tegen de steden van Israël op te rukken. Zij versloegen Ijjon, Dan en Abel-Maïm en plunderden alle voorraadschuren van de steden van Naftali. 5Toen Basa hiervan hoorde, zag hij ervan af Rama verder te versterken en liet hij het werk stilleggen. 6Koning Asa riep iedereen in Juda op om de versterkingen die Basa in Rama had gebouwd af te breken en met de stenen en het hout ervan de steden Geba en Mispa te versterken.

7In die tijd kwam de ziener Chanani bij koning Asa van Juda en zei tegen hem: ‘Omdat u uw vertrouwen hebt gesteld in de koning van Aram en niet in de HEER, uw God, is het leger van de koning van Aram u ontglipt. 8

16:8
2 Kron. 14:8-14
Beschikten de Nubiërs en Libiërs niet ook over een enorme overmacht aan strijdwagens en ruiters? Toch heeft de HEER hen aan u uitgeleverd, omdat u in hem uw vertrouwen stelde. 9
16:9
Ps. 33:13-15
De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die hem met heel zijn hart is toegedaan. Maar dit keer hebt u verkeerd gehandeld, en daarom zal van nu af oorlog uw deel zijn.’ 10
16:10
Jer. 20:2
Asa was zo verontwaardigd over deze woorden dat hij tegen de ziener in razernij ontstak en hem in het blok liet sluiten. Ook beging hij in die tijd wreedheden tegen het volk.

11De geschiedenis van Asa is van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. 12In zijn negenendertigste regeringsjaar raakte hij slecht ter been, vanwege een kwaal die hem veel last bezorgde. Maar ook toen hij ziek was zocht hij zijn heil niet bij de HEER, maar bij genezers. 13In het eenenveertigste jaar van zijn regering ging Asa bij zijn voorouders te ruste. 14Hij werd begraven in het graf dat hij in de Davidsburcht voor zichzelf had laten uithouwen. Ze legden hem op een rustbed dat hij had laten vullen met reukwerk, een vakkundig samengesteld mengsel van verschillende kruiden, en ontstaken een groot vuur voor hem.

17

171

17:1
1 Kon. 22:41
Zijn zoon Josafat volgde hem op.

De regering van Josafat

Josafat verstevigde zijn positie in Israël. 2In alle steden van Juda legerde hij garnizoenen en in heel Juda installeerde hij wachtposten, ook in de steden van Efraïm die zijn vader Asa veroverd had. 3De HEER stond Josafat bij, omdat hij het voorbeeld van zijn voorvader David volgde: hij zocht zijn heil niet bij de Baäls, 4maar bij de God van zijn voorvader en hield zich – anders dan in Israël gebeurde – aan zijn geboden. 5De HEER gaf Josafat het koningschap stevig in handen. Heel Juda bracht hem geschenken, en grote roem en rijkdom vielen hem ten deel. 6

17:6
Ex. 34:13
Het vervulde hem met trots dat hij de HEER gehoorzaamde, en ook hij verwijderde de offerplaatsen en Asjerapalen uit Juda. 7In het derde jaar van zijn regering stuurde hij zijn ambtenaren Ben-Chaïl, Obadja, Zecharja, Netanel en Micha het land in om in de steden van Juda onderricht te geven. 8Zij werden vergezeld door de Levieten Semaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Semiramot, Jonatan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, en de priesters Elisama en Joram. 9
17:9
Ezra 7:25
Met het wetboek van de HEER gingen ze alle steden van Juda langs om het volk te onderrichten.

10Alle omringende koninkrijken waren bevangen door vrees voor de HEER, daarom vielen ze Josafat niet aan. 11Een aantal Filistijnen droeg een last zilver aan hem af en de Arabieren brachten hem vee: zevenenzeventighonderd rammen en zevenenzeventighonderd bokken. 12Zo werd Josafat machtiger en machtiger. Overal in Juda bouwde hij burchten en legeropslagplaatsen. 13Hij beschikte over grote voorraden in de steden van Juda, en in Jeruzalem over een leger van weerbare mannen. 14Hun bevelhebbers waren, geregistreerd naar afkomst: voor Juda Adna, bevelhebber over driehonderdduizend weerbare mannen, 15en verder Jochanan, bevelhebber over tweehonderdtachtigduizend man, 16en Amasja, de zoon van Zichri, bevelhebber over tweehonderdduizend weerbare mannen – hij had zich vrijwillig in dienst van de HEER gesteld; 17en uit Benjamin Eljada, een dapper krijgsman, met tweehonderdduizend mannen uitgerust met bogen en kleine schilden, 18en verder Jozabad, met honderdtachtigduizend goed toegeruste mannen. 19Dit waren degenen die in dienst van de koning stonden, nog afgezien van de mannen die door de koning in de vestingsteden van Juda waren aangesteld.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]