Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11Van Paulus, apostel van Christus Jezus in opdracht van God, onze redder, en van Christus Jezus, onze hoop. 2

1:2
Hand. 16:1
Tit. 1:4
Aan Timoteüs, mijn waarachtig kind in het geloof. Genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer!

Opdracht aan Timoteüs

3Toen ik naar Macedonië vertrok, heb ik je gevraagd in Efeze te blijven. Je moet voorkomen dat bepaalde mensen daar een afwijkende leer onderwijzen 4

1:4
1 Tim. 4:7
2 Tim. 2:23
4:4
Tit. 3:9
en zich verdiepen in verzinsels en eindeloze geslachtsregisters. Die leiden meer tot speculaties dan tot de vervulling van de taak die God met het geloof gegeven heeft. 5Het doel van je opdracht is de liefde die voortkomt uit een rein hart, een zuiver geweten en een oprecht geloof. 6Sommigen hebben zich daarvan afgewend en zijn vervallen tot zinloos gepraat. 7Zij willen de wet van God onderwijzen, maar weten niet wat ze zeggen en begrijpen niets van wat ze zo stellig beweren. 8Wij daarentegen weten dat de wet goed is als hij op de juiste wijze gebruikt wordt. 9We weten ook dat de wet er niet is voor de rechtvaardige, maar voor wie zich aan wet of gezag niet stoort, voor goddelozen en zondaars, die alles wat heilig is verachten en ontwijden, die hun eigen vader of moeder doden, voor moordenaars, 10
1:10
2 Tim. 1:13
4:3
Tit. 1:9
2:1
ontuchtplegers, knapenschenders, slavenhandelaars, leugenaars en plegers van meineed. De wet is er voor alles wat indruist tegen de heilzame leer, 11
1:11
1 Tes. 2:4
Tit. 1:3
die in overeenstemming is met het evangelie dat mij is toevertrouwd, het evangelie over de majesteit van de gelukzalige God. 12Ik dank Christus Jezus, onze Heer, dat hij mij kracht gegeven heeft en het mij heeft toevertrouwd hem te dienen, 13
1:13
Hand. 8:3
9:1-5
hoewel ik hem vroeger heb bespot, vervolgd en beschimpt. Toch heeft hij zich over mij ontfermd, omdat ik door mijn ongeloof niet wist wat ik deed. 14Onze Heer heeft mij zijn genade in overvloed geschonken, evenals het geloof en de liefde die we in Christus Jezus bezitten. 15
1:15-16
1 Kor. 15:9
1:15
1 Tim. 4:9
Deze boodschap is betrouwbaar en verdient onze volledige instemming: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden. Ik was de eerste, 16en juist over mij heeft Christus Jezus zich ontfermd; ik was de eerste aan wie hij zijn grote geduld toonde, zodat ik een voorbeeld werd voor allen die in hem geloven en het eeuwige leven zullen ontvangen. 17Aan de koning der eeuwen, de onvergankelijke, onzichtbare en enige God, zij de eer en glorie tot in alle eeuwigheid. Amen.

18Timoteüs, mijn kind, ik vertrouw je deze opdracht toe op grond van de profetische woorden die destijds over jou zijn uitgesproken. Laten die je tot steun zijn in de goede strijd die je, 19toegerust met geloof en een zuiver geweten, moet voeren. Doordat sommigen hun geweten hebben verloochend, heeft hun geloof schipbreuk geleden. 20

1:20
1 Kor. 5:5
2 Tim. 2:17
4:14
Onder hen bevinden zich Hymeneüs en Alexander, die ik aan Satan heb overgeleverd om hun te leren dat ze God niet moeten lasteren.

2

Aanwijzingen voor de gemeente

21Allereerst vraag ik dat er voor alle mensen gebeden wordt, dat er smeekbeden, voorbeden en dankgebeden voor hen worden uitgesproken. 2Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid. 3Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, 4

2:4
Ezech. 18:23
die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen. 5
2:5
1 Kor. 8:6
Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, 6
2:6
Mat. 20:28
2 Kor. 5:15
Gal. 1:4
Tit. 2:14
die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd. 7
2:7
Hand. 9:15
Gal. 2:7
2 Tim. 1:11
Om dit te verkondigen ben ik als apostel aangesteld. Ik spreek de waarheid, ik lieg niet – ik ben aangesteld als leraar voor de heidenen om hun het geloof en de waarheid te onderwijzen.

8Ik wil dat bij iedere samenkomst de mannen met geheven handen bidden, vol toewijding, zonder wrok of onenigheid. 9

2:9-10
1 Petr. 3:2-4
Ook wil ik dat de vrouwen zich waardig, sober en ingetogen kleden. Ze moeten niet opvallen door een opzichtige haardracht, dure kleding, goud of parels, 10maar door goede daden, zoals gepast is voor vrouwen die zeggen dat ze God vereren. 11
2:11-12
Gen. 3:16
1 Kor. 14:34
Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; 12ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn. 13
2:13
Gen. 2:22
1 Kor. 11:8,12
Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. 14
2:14
Gen. 3:1-6
En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod. 15Ze zal worden gered doordat ze kinderen baart, als ze tenminste volhardt in het geloof, de liefde en een heilige, ingetogen levenswijze.

3

31

3:1-7
Tit. 1:6-9
Het is een waar woord: als iemand opziener wil worden, is dat een eerzaam streven. 2
3:2-3
2 Tim. 2:24
Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn en hij moet sober, bezonnen, gematigd, gastvrij en een goede leraar zijn. 3Hij mag niet te veel drinken of driftig zijn, maar hij moet vredelievend en vriendelijk zijn, en niet geldzuchtig. 4Hij moet zijn huisgezin goed leiden en op een waardige manier gezag over zijn kinderen uitoefenen. 5Als iemand geen leiding kan geven aan zijn huisgezin, hoe zou hij dan voor de gemeente van God kunnen zorgen? 6Hij mag ook niet iemand zijn die net bekeerd is; anders raakt hij verblind en valt hij ten prooi aan de duivel. 7Verder moet hij buiten de gemeente een goede reputatie hebben, zodat hij niet in opspraak komt en door de duivel wordt gestrikt.

8Ook een diaken moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn; 9hij moet vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten. 10Ook hij moet eerst op zijn geschiktheid worden getoetst; pas daarna, als blijkt dat hij een onberispelijk mens is, kan hij zijn dienst verrichten. 11Dit geldt ook voor de vrouwen: ook zij moeten zich waardig gedragen, ze mogen niet kwaadspreken en moeten sober en in alles betrouwbaar zijn. 12Een diaken mag maar één vrouw hebben en moet goed leiding geven aan zijn kinderen en zijn huisgenoten. 13Degenen die hun dienst goed verrichten, verwerven aanzien en kunnen door hun geloof in Christus Jezus vrijuit spreken.

14Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles 15voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de kerk van de levende God, fundament en pijler van de waarheid. 16Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof:

Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam,

in het gelijk gesteld door de Geest,

is verschenen aan de engelen,

verkondigd onder de volken,

vond geloof in de wereld,

is opgenomen in majesteit.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]