Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
Hand. 16:1
17:1
2 Kor. 1:19
2 Tes. 1:1
Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede.1:1 Genade zij u en vrede – Andere handschriften lezen: ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus’.

2

1:2
1 Tes. 2:13
Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden 3en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer. 4God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen: 5
1:5
1 Kor. 2:4
onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. 6
1:6
Hand. 17:5-9
U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u het woord ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. 7
1:7
Filip. 3:17
Zo bent u een voorbeeld voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje geworden. 8
1:8
Rom. 1:8
Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; 9
1:9
Gal. 4:8
iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om hem, de levende en ware God, te dienen 10
1:10
Rom. 5:9
1 Tes. 5:9
en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel.

2

Bezoek aan Tessalonica

21U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. 2

2:2
Hand. 16:19-24
Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. 3Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. 4
2:4
Jer. 11:20
Gal. 1:10
1 Tim. 1:11
Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt. 5U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. 6We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. 7Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster2:7 met de tederheid van een voedster – Andere handschriften lezen: ‘als onmondige kinderen, als een voedster’. die haar kinderen koestert. 8
2:8
2 Kor. 12:15
In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. 9
2:9
Hand. 18:3
1 Kor. 4:12
2 Tes. 3:6-12
U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. 10U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. 11U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. 12We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister.

13

2:13
1 Tes. 1:2
Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft. 14
2:14-16
Mat. 23:34
2:14
Hand. 17:5-9
Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. 15
2:15
Hand. 9:23
13:45
14:2
18:12
Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind, 16omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen.

17

2:17
1 Tes. 3:10
Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u weliswaar uit het oog, maar daarom nog niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. 18We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen – ik, Paulus, niet in de laatste plaats –, maar Satan heeft het ons belet. 19
2:19-20
2 Kor. 1:14
Filip. 2:16
4:1
2:19
1 Tes. 3:13
5:23
Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? 20Ja, u bent onze eer en vreugde.