Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Judas Makkabeüs

31Judas, bijgenaamd Makkabeüs, volgde zijn vader op. 2Hij had de steun van al zijn broers en van iedereen die zich bij zijn vader had aangesloten. Vol vuur streden zij voor Israël.

3

3:3-9
2 Mak. 8:1-7
Hij verbreidde de roem van zijn volk.

Als een reus trok hij ten strijde,

gehuld in een harnas,

omgord met wapentuig,

hij verdedigde zijn kamp met het zwaard.

4Hij vocht als een jonge leeuw,

brullend wierp hij zich op zijn prooi.

5

3:5
1 Mak. 5:5,44
2 Mak. 8:33
Hij maakte jacht op wettelozen,

onderdrukkers van zijn volk dreef hij het vuur in.

6Wetsverachters deed hij beven van angst,

hij ontstelde de aanstichters van het kwaad.

Zo leidde hij zijn volk naar de bevrijding.

7Hij bracht vele koningen tot razernij,

maar Jakob verblijdde hij met zijn daden.

Zijn nagedachtenis zij eeuwig geprezen.

8Hij trok door Judea’s steden,

vernietigde de afvalligen.

Zo wendde hij de toorn af van Israël.

9Zijn roem bereikte de uiteinden van de aarde,

wie verloren leken bracht hij weer samen.

Eerste overwinningen van Judas

10Apollonius bracht uit de omringende volken, maar hoofdzakelijk uit Samaria, een groot leger op de been om tegen Israël ten strijde te trekken. 11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij versloeg hem en doodde hem. Veel van Apollonius’ soldaten sneuvelden, de rest sloeg op de vlucht. 12Judas’ mannen verzamelden de buit en hijzelf nam het zwaard van Apollonius, dat hij voortaan in de strijd gebruikte.

13Toen de Syrische legeraanvoerder Seron vernam dat Judas een groep wetsgetrouwe en strijdvaardige mannen om zich heen verzameld had, 14zei hij: ‘Ik wil naam maken en in het hele koninkrijk beroemd worden. Daarom zal ik ten strijde trekken tegen Judas en zijn aanhangers, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.’ 15Met een enorm leger afvalligen trok hij tegen de Israëlieten op om wraak te nemen. 16Zodra Seron de berghelling van Bet-Choron had bereikt, ging Judas hem met een handjevol mannen tegemoet. 17Toen ze de legermacht zagen die tegen hen was uitgerukt, zeiden ze tegen Judas: ‘Wat kunnen wij met zo weinigen uitrichten tegen deze overmacht? We zijn moe en we hebben ook nog niets gegeten vandaag.’ 18

3:18
1 Sam. 14:6
Judas antwoordde hun: ‘Maar een kleine groep kan gemakkelijk een grote groep overmeesteren. Voor de hemel maakt het geen verschil of de redding door veel of door weinig mensen wordt gebracht. 19In oorlogen hangt de overwinning niet van aantallen soldaten af, maar van de kracht van de hemel. 20Onze vijand is vol overmoed en vol haat tegen de wet opgetrokken om ons en onze vrouwen en kinderen uit te roeien en onze bezittingen te roven, 21maar wij strijden voor ons leven en onze tradities. 22De hemel zal hen voor onze ogen verpletteren; jullie hebben niets van hen te vrezen.’ 23Meteen na deze woorden deed hij een verrassingsaanval, en Seron en zijn legermacht werden volkomen verpletterd. 24
3:24
Joz. 10:10
Ze achtervolgden hem van de berghelling van Bet-Choron tot aan de vlakte. Bijna achthonderd van Serons mannen sneuvelden, de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen. 25Van toen af aan was men beducht voor Judas en zijn broers; de volken om hen heen leefden nu in angst. 26Ook de koning hoorde van Judas, en verhalen over zijn verzet deden bij elk volk de ronde.

27Het nieuws van deze gebeurtenissen wekte de woede van Antiochus op. Hij gaf bevel alle strijdkrachten van zijn rijk samen te trekken tot één reusachtig leger. 28Vervolgens opende hij zijn schatkist, betaalde de strijdkrachten een jaar soldij uit en droeg hun op zich paraat te houden. 29Maar algauw merkte hij dat het geld in de schatkist opraakte; vanwege de rampzalige opstand die hij had uitgelokt met de afschaffing van de eeuwenoude tradities waren de belastinginkomsten van het land geslonken. 30Hij vreesde dat hij, zoals al meer dan eens was voorgekomen, niet genoeg zou hebben voor de dagelijkse kosten, laat staan voor de geschenken die hij, meer nog dan zijn voorgangers, tot dan toe met gulle hand had uitgedeeld. 31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te gaan en daar belasting te innen om de schatkist weer te vullen. 32Lysias, een geëerd lid van de koninklijke familie, belastte hij tot zijn terugkeer met het bestuur over het rijk tussen de Eufraat en de Egyptische grens; 33ook de opvoeding van zijn zoon Antiochus vertrouwde hij aan hem toe. 34Hij gaf hem het bevel over de helft van de strijdkrachten en over de olifanten, en droeg hem op al zijn plannen uit te voeren: hij moest troepen op de inwoners van Judea en Jeruzalem afsturen 35om de legermacht van Israël uit te schakelen en het verzet van de mensen die nog in Jeruzalem woonden te breken. Hij moest iedere herinnering aan hen uitwissen, 36hun gebied met vreemdelingen bevolken en het land onder hen verdelen. 37Met de andere helft van de troepen vertrok de koning in het jaar 147 uit Antiochië, de hoofdstad van zijn rijk, stak de Eufraat over en trok door de oostelijke provincies.

38

3:38
2 Mak. 4:45
8:8-15
10:14
Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias, dappere mannen uit de kring van vertrouwelingen van de koning, werden door Lysias uitgekozen 39en met veertigduizend soldaten en zevenduizend ruiters naar Judea gestuurd om het land te verwoesten, zoals de koning had bevolen. 40Met heel dat leger rukten ze uit en ze sloegen in de vlakte bij Emmaüs hun kamp op. 41De kooplieden van die streek hoorden ervan en kwamen met grote hoeveelheden zilver en goud en met voetboeien naar het legerkamp om de Israëlieten als slaven op te kopen. Het Syrische leger werd versterkt door troepen uit Idumea en het land van de Filistijnen.

Judas overwint Gorgias

42Judas en zijn broers beseften dat de situatie nijpend werd nu in hun gebied vijandelijke troepen gelegerd waren, en toen zij hoorden dat de koning bevel had gegeven hun volk volledig uit te roeien, 43zeiden ze tegen elkaar: ‘We moeten ons volk uit zijn ellende bevrijden, we moeten strijden voor ons volk en het heiligdom.’ 44Ze verzamelden zich om zich op te maken voor de strijd, en ze baden en smeekten om ontferming en mededogen.

45Jeruzalem was verlaten als een woestijn,

geen bewoner ging zijn poorten nog in of uit.

De tempel was vertrapt,

vreemdelingen verschansten zich in de citadel,

vreemde volken bewoonden de stad.

Jakob kende geen vreugde meer,

fluit en citer zwegen.

46

3:46-47
1 Sam. 7:5-6
3:46
Recht. 20:1-3
1 Sam. 10:17
Ze kwamen bijeen in Mispa, in de buurt van Jeruzalem, omdat Mispa vroeger een plaats van gebed voor Israël was geweest. 47Ze vastten die dag, trokken een boetekleed aan, wierpen stof over hun hoofd en scheurden hun kleren. 48
3:48
2 Mak. 8:23
Zoals andere volken voor een aanwijzing hun godenbeelden raadplegen, zo openden zij de wetsrol. 49Ze hadden de priesterlijke gewaden, de eerste opbrengst van de nieuwe oogst en de tienden meegenomen en riepen de nazireeërs bijeen die hun gelofte volbracht hadden. 50Ze riepen luid naar de hemel: ‘Waar moeten wij deze mensen en deze dingen in veiligheid brengen? 51Uw tempel is onder de voet gelopen en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en in rouw gedompeld. 52En nu hebben vreemde volken zich aaneengesloten om ons te vernietigen. U weet wat ze met ons van plan zijn. 53Hoe kunnen wij ons tegen hen teweerstellen als u ons niet helpt?’ 54
3:54
Num. 10:9
Daarna bliezen ze op de trompetten en schreeuwden luid. 55
3:55
Ex. 18:21
Vervolgens stelde Judas leiders aan over het volk, bevelhebbers over duizend, honderd, vijftig en tien man. 56
3:56
Deut. 20:5-9
En zoals de wet voorschrijft liet hij iedereen naar huis gaan die een huis aan het bouwen was, zou gaan trouwen, een wijngaard had geplant of die het aan moed ontbrak. 57Het leger vertrok en sloeg zijn kamp op ten zuiden van Emmaüs. 58Judas zei: ‘Bereid je voor en vat moed! Zorg ervoor dat je morgenochtend gereed bent om de strijd aan te gaan met de vijand die zich verzameld heeft en ons en onze tempel wil vernietigen. 59We kunnen beter sterven in de strijd dan te moeten aanzien welk onheil ons volk en het heiligdom treft. 60Zoals de hemel het wil, zo zal het gebeuren.’

4

41Die nacht verliet Gorgias met vijfduizend soldaten en duizend voortreffelijke ruiters zijn legerkamp 2

4:2
1 Mak. 1:33
om het kamp van de Joden bij verrassing aan te vallen; mannen uit de citadel waren zijn gids. 3Maar Judas kwam het te weten en trok er met zijn strijdkrachten op uit om het leger van de koning in Emmaüs aan te vallen 4terwijl Gorgias’ troepen nog verspreid waren buiten het legerkamp. 5Toen Gorgias ’s nachts bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. In de veronderstelling dat ze voor hem waren gevlucht, ging hij naar hen op zoek in de bergen. 6Tegen de ochtend verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze het zelf zonder goede harnassen en zwaarden moesten stellen, 7zagen ze dat het legerkamp van de vijand zwaar versterkt was, met daaromheen een kordon van ruiters, geoefend in oorlogsvoering. 8Judas zei tegen zijn mannen: ‘Laat je niet ontmoedigen door hun overmacht en wees niet bang als zij oprukken. 9Bedenk hoe onze voorouders zijn gered bij de Rode Zee, toen ze door de farao en zijn leger werden achtervolgd. 10Laten we de hemel aanroepen en vragen of hij ons goedgezind wil zijn en het verbond met onze voorouders gestand wil doen door dit leger vandaag nog voor onze ogen te verpletteren. 11Dan zullen alle volken weten dat er iemand is die Israël bevrijdt en redt.’ 12De vreemdelingen zagen de Joden op zich afkomen 13en verlieten hun legerkamp om de aanval te openen. Aan de kant van Judas werd op de trompet geblazen, 14en de strijd begon. De vijand werd verslagen: wie kon vluchtte de vlakte in, 15de anderen vielen tot de laatste man. Judas’ soldaten achtervolgden hen tot aan Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia; er sneuvelden bijna drieduizend mannen. 16Nadat Judas en zijn leger van de achtervolging waren teruggekeerd, 17zei hij tegen het volk: ‘Stel het plunderen nog even uit, want er staat ons nog een veldslag te wachten. 18Gorgias en zijn mannen zijn niet ver van ons gelegerd, in de bergen. Eerst moeten jullie je tegenover de vijand opstellen en met hem de strijd aangaan, daarna zijn jullie vrij om de buit binnen te halen.’ 19Judas was nog niet uitgesproken, of er verscheen een legereenheid vanuit de bergen. 20Er was rook zichtbaar die de eenheid deed vermoeden wat er was gebeurd. Ze zagen dat de andere eenheden waren gevlucht, en uit de opstijgende rook konden ze opmaken dat hun kamp in brand gestoken was. 21Deze ontdekking bracht hen in verwarring, temeer omdat ze begrepen dat Judas’ leger zich in de vlakte had opgesteld. 22De hele eenheid sloeg op de vlucht naar het land van de Filistijnen. 23Judas ging terug, plunderde hun kamp en maakte veel buit: goud en zilver, zeeblauwe en purperrode stoffen, en andere kostbaarheden. 24
4:24
Ps. 118:1-4
Zingend aanvaardden ze de terugtocht en loofden de hemel: ‘Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.’ 25En zo werd Israël die dag op grootse wijze gered.

Judas verslaat Lysias en reinigt de tempel

26

4:26-35
2 Mak. 11:1-12
De vreemdelingen die zich hadden weten te redden, meldden zich bij Lysias om hem te vertellen wat er was gebeurd. 27Hun nieuws bracht hem in verwarring en ontmoedigde hem, want met Israël was niet gebeurd wat hij had gewild, en de opdracht die de koning hem had gegeven was niet uitgevoerd. 28Het jaar daarop bracht hij zestigduizend voortreffelijke krijgslieden en vijfduizend ruiters samen voor de strijd. 29Ze kwamen tot in Idumea en sloegen hun kamp op in Bet-Sur, waar Judas hun tegemoet kwam met tienduizend man. 30
4:30
1 Sam. 14:1-23
17:1-50
Judas zag hoe sterk hun leger was en bad: ‘Geprezen bent u, redder van Israël, die de vijand hebt verpletterd door uw dienaar David en die het leger van de Filistijnen in handen hebt gegeven van Jonatan, de zoon van Saul, en zijn wapendrager. 31Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk Israël en laat het met voetvolk, ruiters en al verslagen worden. 32Maak hen bang, maak een einde aan hun overmoed, bezorg hun een nederlaag die hun nog lang zal heugen. 33Haal hen neer met het zwaard van degenen die u liefhebben, dan zal iedereen die uw naam kent u met lofliederen loven.’ 34De strijd begon en van het leger van Lysias sneuvelden bijna vijfduizend krijgslieden in gevechten van man tot man. 35Toen Lysias zag dat de kansen van zijn leger waren gekeerd en dat Judas’ mannen moed hadden gevat en bereid waren zich dood te vechten, trok hij zich terug naar Antiochië. Daar rekruteerde hij huurlingen om met een veel groter leger naar Judea terug te keren.

36

4:36
2 Mak. 10:1-8
Judas en zijn broers zeiden: ‘Onze vijanden zijn verslagen. Laten we het heiligdom reinigen en het opnieuw inwijden.’ 37Het hele leger verzamelde zich en ging op weg naar de Sion. 38
4:38
Ps. 74:2-7
Daar zagen ze hoe verlaten het heiligdom er bij lag. Het altaar was ontwijd, de poorten waren verbrand en de voorhoven waren met onkruid overwoekerd, als in een bos of in de bergen. De vertrekken van de priesters waren vervallen. 39Judas en zijn mannen scheurden hun kleren en begonnen luid te jammeren. Ze gooiden stof over hun hoofd 40en wierpen zich op de grond. Ze bliezen op de trompetten en riepen de hemel aan. 41Vervolgens wees Judas een groep mannen aan die het garnizoen in de citadel op een afstand moest houden totdat het heiligdom gereinigd was. 42Hij koos wetsgetrouwe priesters uit van onbesproken gedrag, 43die het heiligdom reinigden en de stenen die het altaar ontwijd hadden afvoerden naar een onreine plaats. 44Ze overlegden wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen 45en besloten – terecht – het neer te halen, zodat het hun niet tot schande zou strekken nu het door vreemde volken verontreinigd was. Ze haalden het altaar dus neer 46en legden de stenen op een geschikte plaats op de tempelberg tot er een profeet zou komen die wist wat ermee moest gebeuren. 47
4:47
Ex. 20:25
Daarna namen ze ongehouwen stenen, zoals de wet voorschrijft, en bouwden een nieuw altaar, precies als het vorige. 48Ze brachten het heiligdom en de ruimten in de tempel in de oude staat terug en heiligden de voorhoven. 49
4:49
Ex. 25:23-39
30:1-5
Ze maakten nieuw tempelgerei en zetten de lampenstandaard, het reukofferaltaar en de tafel van de toonbroden in de tempel. 50Ze brandden reukwerk op het altaar en staken de lampen aan, die voortaan weer in de tempel brandden. 51Ze legden toonbroden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden voltooid. 52Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 53stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. 54Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht. 55Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven. 56Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers. 57Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren. 58Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend. 59
4:59
Joh. 10:22
Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaarinwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew. 60In die tijd bouwden ze ook een hoge muur om de Sion, met versterkte torens, zodat andere volken het heiligdom niet nog eens binnen zouden kunnen vallen. 61Judas legerde er een garnizoen om de berg te bewaken en hij versterkte Bet-Sur, zodat het volk een vesting had aan de grens met Idumea.

5

Judas verslaat omringende volken

51

5:1-8
1 Mak. 10:15-23
Toen de omringende volken hoorden dat het altaar herbouwd was en het heiligdom in de oude staat was teruggebracht, werden ze woedend. 2Ze besloten om de nakomelingen van Jakob die in hun midden woonden uit te roeien, en begonnen dood en verderf te zaaien onder het volk. 3Judas trok op tegen de nakomelingen van Esau in Idumea, omdat ze een blokkade tegen de Israëlieten hadden opgeworpen, en viel Akrabattene aan. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, dwong hen op de knieën en plunderde de stad. 4Hij rekende af met de Beonieten, die met hun valkuilen en versperringen de Israëlieten voortdurend in hinderlagen lokten. 5Hij sloot hen in hun torens op, waarna hij een beleg rond hen sloeg, een vloek over hen uitriep en de torens met iedereen erin in brand stak. 6Daarna trok hij nog op tegen de Ammonieten. Hij vond een sterke en grote strijdmacht tegenover zich, aangevoerd door Timoteüs. 7Na vele gevechten wist hij hun macht uiteindelijk te breken en kon hij hen verslaan. 8Nadat hij Jazer met de omliggende dorpen veroverd had, keerde hij terug naar Judea.

9De volken in Gilead bundelden hun krachten om de Israëlieten die in hun gebied woonden te vernietigen. Die namen de wijk naar de vesting van Datema 10en stuurden van daaruit de volgende brief naar Judas en zijn broers:

‘De volken om ons heen hebben hun krachten gebundeld om ons te vernietigen. 11Ze staan op het punt om de vesting waar wij onze toevlucht hebben gezocht te veroveren; Timoteüs is de aanvoerder van hun troepen. 12Kom daarom meteen en red ons, want velen van ons zijn al gesneuveld. 13In het gebied van Tobia zijn al onze broeders, ongeveer duizend man, gedood, hun vrouwen en kinderen zijn gevangengenomen en hun bezittingen buitgemaakt.’

14Judas en zijn mannen hadden de brief nog niet gelezen, of er kwamen boden uit Galilea. Zij hadden hun kleren gescheurd en berichtten hun 15dat Ptolemaïs, Tyrus, Sidon en heel het heidense Galilea hun krachten hadden gebundeld om de Joden volledig uit te roeien. 16Toen ze dit bericht hoorden, riepen ze een grote vergadering bijeen om te beraadslagen wat ze voor hun verdrukte en belaagde broeders konden doen. 17Judas zei tegen zijn broer Simon: ‘Neem zo veel mannen mee als je nodig hebt en bevrijd je broeders in Galilea. Ik zal met onze broer Jonatan naar Gilead gaan.’ 18Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias liet hij achter als leiders van het volk, samen met de rest van het leger, dat Judea moest beschermen. 19Hij droeg hun op: ‘Het volk staat onder jullie bevel. Maar begin geen oorlog met de vijand voordat wij zijn teruggekeerd.’ 20Simon kreeg drieduizend man toegewezen voor zijn tocht naar Galilea, en Judas kreeg achtduizend man voor de veldtocht naar Gilead.

21Simon trok dus op naar Galilea. Na vele gevechten wist hij de macht van de vreemde volken te breken. 22Hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptolemaïs. Aan de kant van de vijand sneuvelden ongeveer drieduizend mannen; hun wapenrusting maakte hij buit. 23Hij bevrijdde de Joden uit Galilea en Arbatta met hun vrouwen en kinderen en bracht hen met al hun bezittingen onder luid gejuich naar Judea. 24

5:24-54
2 Mak. 12:10-31
Intussen waren Judas Makkabeüs en zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken en drie dagen door de woestijn getrokken. 25Daar stuitten ze op een groep Nabateeërs die hun vriendelijk tegemoet traden en vertelden in welke omstandigheden de Joden in Gilead verkeerden: 26‘Velen van hen zijn ingesloten in de grote vestingsteden Bosorra, Bozor, Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, 27en ook in andere steden in Gilead zitten Joden ingesloten. Er worden voorbereidingen getroffen om deze vestingen morgen aan te vallen en in te nemen en de Joden allemaal diezelfde dag nog te vernietigen.’ 28Hierop keerde Judas met zijn leger door de woestijn terug naar Bosra. Hij veroverde de stad, doodde alle mannen, plunderde de huizen en stak de stad in brand. 29’s Nachts vertrok hij van daar en reisde naar de vesting van Datema. 30Vroeg in de ochtend zagen ze een enorme menigte die de aanval opende en met ladders en stormtorens de vesting probeerde te veroveren. 31Judas begreep dat de strijd begonnen was. Uit de stad steeg luid geschreeuw en geroep ten hemel en er klonk trompetgeschal. 32Hij riep zijn mannen toe: ‘Strijd vandaag voor ons volk!’ 33En in drie afdelingen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de vijand in de rug aan. 34Zodra de strijders van Timoteüs in de gaten kregen dat ze met de Makkabeeër van doen hadden, sloegen ze op de vlucht. Judas bracht hun een zware nederlaag toe; er sneuvelden die dag bijna achtduizend man. 35Daarna boog Judas af naar Maäfa.5:35 Maäfa – Andere handschriften lezen: ‘Alema’, ‘Masala’, ‘Mella’, ‘Salema’ of ‘Lema’. Hij deed een aanval op de stad, nam haar in en doodde alle mannelijke inwoners. Hij plunderde de stad en stak haar in brand. 36Van daar trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead. 37Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een ander leger op de been en sloeg hij zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de wadi. 38Judas zond verkenners uit om het kamp te bespieden. Zij meldden hem het volgende: ‘Hij beschikt over een reusachtige legermacht, want alle volken uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, 39en hij heeft ook nog Arabische troepen gehuurd. Zij hebben hun kamp opgeslagen aan de overkant en staan klaar om u aan te vallen.’ Judas trok op, de strijd tegemoet, 40
5:40-41
1 Sam. 14:9-10
en naderde de wadi, die vol water stond. Timoteüs zei tegen zijn legeraanvoerders: ‘Wanneer hij als eerste oversteekt kunnen we niets tegen hem beginnen, dan zal hij zeker sterker zijn dan wij. 41Maar als hij laf is en aan de overkant blijft, dan steken wij over en zijn wij sterker dan hij.’ 42Bij de wadi aangekomen stelde Judas soldaat-schrijvers aan de oever op en gaf hun dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand in het kamp achterblijft en dat iedereen zich in de strijd werpt.’ 43Zelf stak hij als eerste over, en alle manschappen volgden hem. De heidenen werden vernietigend verslagen, ze gooiden hun wapens weg en vluchtten naar het heiligdom van Karnaïn. 44Maar de Joden veroverden de stad en staken het heiligdom met iedereen erin in brand. Zo werd Karnaïn verslagen, en er was niemand die Judas nog weerstand kon bieden.

45Judas bracht alle Israëlieten bijeen die in Gilead woonden, van jong tot oud, met hun vrouwen, kinderen en hun bezittingen, een enorme mensenmenigte, om op weg te gaan naar Judea. 46

5:46-51
2 Mak. 12:27-28
Ze trokken tot aan Efron, een grote, zwaar versterkte stad die op hun weg lag. Het was niet mogelijk links of rechts om de stad heen te trekken, ze moesten er dwars doorheen. 47De inwoners van de stad sloten de weg voor hen af en blokkeerden de poorten met stenen. 48
5:48
Num. 20:14-17
Deut. 21:21-22
Judas zond boden naar hen toe met een vreedzame boodschap: ‘Laat ons door jullie gebied trekken om naar ons land te gaan. Niemand zal jullie kwaad doen, we willen alleen te voet door de stad trekken.’ Maar ze openden de poorten niet. 49Toen liet Judas in het legerkamp omroepen dat iedereen op de plaats waar hij was zijn stelling moest innemen. 50De mannen stelden zich op en bestookten de stad de hele dag en de hele nacht, totdat ze haar in handen hadden. 51Judas doodde alle mannen, maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. 52Hij stak de Jordaan over naar de grote vlakte bij Bet-San. 53Hij zorgde ervoor dat de achterblijvers niet verder achterop raakten en sprak het volk gedurende de hele weg moed in, totdat ze Judea bereikten. 54Daar bestegen ze vol blijdschap en vreugde de Sion en brachten er brandoffers, omdat ze niemand hadden verloren en iedereen veilig was teruggekeerd.

55In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en hun broer Simon in Galilea, in de buurt van Ptolemaïs, 56hoorden de legeraanvoerders Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias van hun heldendaden en de veldslagen die ze hadden geleverd. 57Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten wij ook proberen beroemd te worden en optrekken tegen de volken om ons heen.’ 58En ze gaven hun leger bevel op te trekken naar Jamnia. 59Maar Gorgias en zijn mannen kwamen hun vanuit de stad tegemoet om strijd te leveren. 60Josefus en Azarias werden op de vlucht gejaagd en tot aan de grens van Judea achtervolgd. Er vielen die dag bijna tweeduizend Israëlieten. 61Deze zware tegenslag trof het volk, doordat de legerleiders niet naar Judas en zijn broers geluisterd hadden maar gemeend hadden heldendaden te moeten verrichten. 62Bovendien behoorden ze niet tot het geslacht mannen aan wie het gegeven was Israël te redden.

63De heldhaftige Judas en zijn broers werden geëerd in heel Israël en door alle volken bij wie hun naam bekend werd. 64Van alle kanten kwam men hun eer bewijzen. 65Judas en zijn broers trokken opnieuw naar het zuiden om slag te leveren met de nakomelingen van Esau. Hij veroverde Hebron en de omliggende dorpen, haalde de vestingmuren neer en stak de torens rond de stad in brand. 66Hij brak op om naar het land van de Filistijnen te gaan en trok door Maresa. 67Die dag sneuvelden er priesters die heldendaden wilden verrichten en ondoordacht ten strijde waren getrokken. 68Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land van de Filistijnen. Hij haalde hun altaren neer, stak hun godenbeelden in brand, plunderde steden en keerde terug naar Judea.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]