Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

Salomo’s paleis

71Salomo liet ook een paleis voor zichzelf bouwen. Hij besteedde dertien jaar aan de bouw van het hele paleiscomplex. 2-3Eerst bouwde hij een hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. Deze was honderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. Het dak van cederhout rustte op vier rijen cederhouten zuilen, waarover cederhouten balken lagen. Daaroverheen lagen vijfenveertig dwarsbalken, vijftien per rij. 4Er waren drie rijen vensteropeningen met vensters op drie passen afstand van elkaar. 5Alle kozijnen waren rechthoekig, en ze waren aangebracht op drie passen afstand van elkaar. 6Vóór deze ruimte, ervan afgescheiden door een hekwerk, liet hij een zuilenhal bouwen van vijftig el breed en dertig el diep. 7Hij liet ook een troonzaal maken, waarin hij rechtsprak. Het hele plafond van de rechtszaal was van cederhout. 8

7:8
1 Kon. 3:1
Achter deze zaal, aan een andere hof, lagen zijn woonvertrekken, die op dezelfde manier waren gebouwd. Voor zijn vrouw, de dochter van de farao, liet hij soortgelijke vertrekken maken. 9Al deze gebouwen, vanaf de buitenzijde van het complex tot aan de grote hof, waren van de fundamenten tot aan de daklijst opgetrokken van nauwkeurig op maat gezaagde blokken hardsteen. 10De fundering bestond uit enorme blokken hardsteen, blokken van tien el en blokken van acht el. 11De muren waren van behouwen hardsteen en cederhout. 12De grote hof was ommuurd met drie lagen gehouwen steen met daar bovenop een laag cederhouten balken. Datzelfde gold voor de binnenhof van de tempel van de HEER en voor de voorhal.

De inrichting van de tempel

13

7:13-51
2 Kron. 3:15-5:1
7:13-14
2 Kron. 2:12-13
Koning Salomo liet een zekere Chiram uit Tyrus komen. 14
7:14
Ex. 35:30-35
Deze Chiram was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali. Zijn vader kwam uit Tyrus, waar hij bronsgieter was geweest. Chiram bezat alle kennis en vakmanschap die nodig zijn voor het vervaardigen van brons- en koperwerk. Hij trad bij Salomo in dienst en maakte al het brons- en koperwerk dat de koning hem opdroeg te vervaardigen.

15Chiram maakte twee bronzen zuilen, elk met een hoogte van achttien el en een omtrek van twaalf el. 16Voor de bekroning van de zuilen maakte hij twee kapitelen van gegoten brons, allebei vijf el hoog. 17Die kapitelen op de zuilen versierde hij met vlechtwerk, en om de hals van elk kapiteel legde hij zeven ketens met kwasten. 18Ook maakte hij granaatappels, die hij in twee rijen aan het vlechtwerk bevestigde waarmee beide kapitelen overtrokken waren.7:18 Ook maakte hij granaatappels, die hij in twee rijen aan het vlechtwerk bevestigde waarmee beide kapitelen overtrokken waren – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘Ook maakte hij zuilen, en twee rijen rondom het vlechtwerk om de kapitelen boven op de granaatappels te bedekken’. 19De kapitelen op de zuilen, die bestemd waren voor de voorhal van de tempel, gaf hij de vorm van lotusbloemen. Ze waren vier el hoog. 20Aan de bovenkant van elk van de kapitelen, aan de zoom van het vlechtwerk, hingen tweehonderd granaatappels in rijen om de uitstulping heen. 21De zuilen werden opgesteld in de voorhal voor de grote zaal. De rechterzuil kreeg de naam Jachin en de linkerzuil de naam Boaz. 22Toen de lotusvormige kapitelen boven op de zuilen waren aangebracht, was het werk aan de zuilen voltooid.

23

7:23-26
2 Kron. 4:2-5
Verder maakte Chiram de Zee, een bekken van gegoten brons van vijf el hoog, met een middellijn van tien el en een omtrek van dertig el. 24Onder de rand liep een festoen van tien el lang, dat bestond uit twee rijen kolokwinten die met het bekken waren meegegoten. 25Het bekken rustte op twaalf runderen: drie met hun kop naar het noorden, drie met hun kop naar het westen, drie met hun kop naar het zuiden en drie met hun kop naar het oosten; hun achterlijven waren naar het midden gekeerd. Daarop rustte het bekken. 26De wand was wel een handbreedte dik. De rand was gevormd als bij een beker, als een lotuskelk. Het bekken had een inhoud van tweeduizend bat.

27Chiram maakte ook tien bronzen onderstellen voor verrijdbare spoelbekkens, elk vier el lang, vier el breed en drie el hoog. 28Deze onderstellen bestonden uit panelen die in een lijstwerk waren gevat. 29De panelen en het lijstwerk waren versierd met leeuwen, runderen en cherubs. Boven en onder deze reliëfs waren festoenen van drijfwerk. 30Elk onderstel had vier bronzen wielen aan bronzen assen. Aan de vier hoekstijlen bevonden zich steunpunten, die tussen de festoenen gemonteerd waren. Hierop rustten de dragers van het spoelbekken. 31Deze schraagden een bronzen ring van meer dan een el hoog en met een doorsnede van anderhalve el. Deze ring was gegraveerd. Daar omheen zaten de panelen van het onderstel, die een vierhoek vormden, geen cirkel. 32De vier wielen waren onder aan de zijkanten van het onderstel gemonteerd. Ze waren elk anderhalve el hoog. 33De wielen waren gemaakt als wagenwielen, met velgen, spaken en naven, die evenals de ophanging van gegoten brons waren gemaakt. 34Op de hoekpunten rustten dus de vier dragers, die aan het onderstel vastzaten. 35Boven op het onderstel was een ronde opstaande rand van een halve el hoog. Aan de bovenkant van de panelen zaten handgrepen. 36Op de handgrepen en de panelen van het onderstel graveerde Chiram cherubs, leeuwen en palmetten met festoenen ertussen. 37De tien onderstellen waren alle op dezelfde manier gegoten en hadden dezelfde maat en vorm. 38

7:38
Ex. 30:17-21
2 Kron. 4:6
Vervolgens maakte hij tien bronzen bekkens, elk met een inhoud van veertig bat en een middellijn van vier el: voor elk van de tien onderstellen een spoelbekken. 39
7:39-47
2 Kron. 4:10-18
Vijf van de onderstellen werden aan de zuidkant van de tempel geplaatst, en vijf aan de noordkant. De Zee kreeg een plaats schuin voor de tempel, aan de zuidoostkant.

40

7:40-47
1 Kron. 18:8
Chiram maakte nog andere bekkens, vuurscheppen en offerschalen, en daarmee was het werk dat koning Salomo hem voor de tempel van de HEER had opgedragen voltooid: 41de twee zuilen met de twee bolvormige kapitelen erop, het vlechtwerk waarmee die kapitelen op de zuilen waren omhuld, 42de vierhonderd granaatappels die in twee rijen aan het vlechtwerk om de bolvormige kapitelen op elk van de zuilen hingen, 43de tien onderstellen en de tien spoelbekkens daarop, 44de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen eronder, 45en de vuurbekkens, vuurscheppen en offerschalen. Al deze voorwerpen die Chiram in opdracht van koning Salomo voor de tempel van de HEER had gemaakt, waren van gepolijst koper en brons. 46De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, tussen Sukkot en Saretan, waar volop vette klei te vinden was. 47
7:47
Jer. 52:17-20
De hoeveelheid materiaal die in al deze voorwerpen was verwerkt, was zo groot dat koning Salomo ervan afzag ze te laten wegen: het gewicht aan brons en koper was te groot om het te kunnen bepalen.

48

7:48-49
Ex. 25:23-39
7:48
Ex. 30:1-3
1 Kon. 6:20
Ook voor het interieur van de tempel van de HEER liet Salomo allerlei voorwerpen maken: het met een laag goud bedekte altaar en de tafel voor het toonbrood, 49
7:49-50
2 Kron. 4:7-8
de vergulde lampenstandaards die voor de achterste zaal stonden, vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant, met gouden bloemversieringen, gouden lampen en gouden snuiters, 50
7:50
Jer. 52:19
de vergulde schotels, messen, offerschalen, kommen en vuurbakken. Ook het beslag van de deuren die toegang gaven tot de achterzaal van de tempel, het allerheiligste, was van goud, evenals het beslag van de deuren die toegang gaven tot de tempel zelf.

51

7:51
1 Kron. 18:11
Toen al het werk dat koning Salomo aan de tempel van de HEER had laten verrichten voltooid was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David naar de tempel overbrengen. Hij borg het goud en zilver en de andere voorwerpen in de schatkamer van de tempel van de HEER.

8

De inwijding van de tempel

81

8:1-66
2 Kron. 5:2-7:10
Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël, de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, in Jeruzalem bij zich komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. 2Alle Israëlieten kwamen in de maand etanim, de zevende maand, voor het feest naar koning Salomo.

3Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de priesters de ark op. 4De ark van de HEER, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de priesters en de Levieten. 5Koning Salomo hield met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. 6De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, 7zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich beschermend over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. 8Deze draagbomen staken een stuk uit, en vanuit het heilige, de grote zaal, kon men de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de toegang tot de achterzaal stond; van verder weg waren ze niet te zien. Ze bevinden zich daar tot op de dag van vandaag. 9

8:9
Ex. 25:21
40:20
Deut. 10:2,5
De ark bevat niets anders dan de twee stenen platen die Mozes er op de Horeb in heeft gelegd, de platen waarop is vastgelegd wat de HEER voor de Israëlieten heeft bepaald tijdens hun uittocht uit Egypte. 10Zodra de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel van de HEER. 11
8:11
Ex. 40:34-35
Jes. 6:4
Ezech. 43:4-5
Op. 15:8
De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van de HEER vulde de hele tempel.

12

8:12
Ps. 18:12
97:2
Toen sprak Salomo: ‘HEER, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen. 13Welnu, ik heb voor u een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ 14Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, 15zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: 16“Nooit, vanaf de dag dat ik mijn volk Israël uit Egypte heb weggeleid, heb ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Wel heb ik David gekozen om mijn volk Israël te regeren.” 17
8:17-19
2 Sam. 7:1-13
Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, 18zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. 19Toch zul jij de tempel niet bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” 20En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd 21als verblijfplaats voor de ark die het verbond bevat dat de HEER met onze voorouders sloot toen hij hen uit Egypte wegleidde.’

22Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, hief zijn handen ten hemel 23

8:23
Deut. 4:39
7:9
en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel daar boven, noch op de aarde hier beneden. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die u met heel hun hart toegewijd zijn. 24U hebt u gehouden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar u bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. 25
8:25
1 Kon. 2:4
Daarom vraag ik u, HEER, God van Israël, of u zich ook wilt blijven houden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat u zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door u toegewijd te zijn, zoals ook hij u toegewijd was. 26Welnu, God van Israël, mogen alle beloften die u uw dienaar, mijn vader David, hebt gedaan, bewaarheid worden.

27

8:27
2 Kron. 2:5
Jes. 66:1
Hand. 17:24
Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. 28HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik vandaag tot u richt. 29
8:29
Deut. 12:5,11
2 Kron. 33:4
Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. 30Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving.

31Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, 32aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, verklaar de boosdoener schuldig en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht.

33

8:33
Lev. 26:17
Deut. 28:25
Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan naar u terugkeren, uw naam prijzen en tot u in deze tempel bidden en smeken, 34aanhoor hen dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat u aan hun voorouders hebt gegeven.

35

8:35
Deut. 11:17
28:23-24
Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en hun leven beteren, antwoord hun dan. 36Aanhoor hen vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat u als erfdeel aan uw volk gegeven hebt.

37

8:37
Deut. 28:21,38,42
Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 38ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot u richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel – ieder onder de druk van het leed dat hem persoonlijk treft –, 39aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Grijp in en geef hem wat hem toekomt, want u weet wat er in hem omgaat. U alleen immers kunt de mens doorgronden. 40
8:40
Deut. 12:1
Dan zullen ze in het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen.

41Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om u te vereren 42– want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen –, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 43aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor u tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd.

44Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot u bidden in de richting van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 45luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht.

46

8:46
Job 4:17
Spr. 20:9
Pred. 7:20
Rom. 3:23
1 Joh. 1:8-10
Wanneer ze tegen u zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar hun land, hetzij ver weg of dichtbij, 47
8:47
Deut. 30:1-2
en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, 48wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan u toewijden en tot u bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 49luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. 50
8:50
2 Kron. 30:9
Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft en wek het mededogen op van degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd.

51

8:51
Deut. 4:20
9:26
Jer. 11:4
Zij zijn uw volk, HEER, mijn God, uw eigen volk, dat u uit die smeltoven van Egypte hebt weggeleid. 52Wees opmerkzaam op de smeekbeden van uw dienaar en van uw volk Israël en luister naar hen wanneer ze u maar roepen. 53Uit alle volken op aarde hebt u immers hen uitgekozen om uw volk te zijn, zoals u bij monde van uw dienaar Mozes hebt gezegd toen u onze voorouders uit Egypte wegleidde.’

54Tijdens dit hele smeekgebed lag Salomo geknield voor het altaar van de HEER, met zijn handen ten hemel geheven. Toen hij zijn gebed tot de HEER beëindigd had, 55stond hij op en sprak met luide stem zijn zegen uit over de gemeenschap van Israël: 56

8:56
Joz. 21:44-45
‘Geprezen zij de HEER, die zijn volk Israël rust heeft gegeven, zoals hij heeft beloofd. Niet één van de beloften die hij bij monde van zijn dienaar Mozes heeft gedaan, is onvervuld gebleven. 57Moge de HEER, onze God, ons bijstaan, zoals hij onze voorouders heeft bijgestaan. Moge hij zich om ons blijven bekommeren en ons niet in de steek laten. 58Moge hij ervoor zorgen dat wij hem toegenegen en gehoorzaam blijven en ons houden aan de geboden, voorschriften en rechtsregels die hij onze voorouders heeft gegeven. 59Moge mijn smeekgebed dag en nacht bij de HEER, onze God, zijn en moge hij zijn dienaar en zijn volk Israël recht verschaffen, telkens als dat nodig is. 60Dan zullen alle volken op aarde beseffen dat de HEER God is, hij alleen. 61Blijf volkomen toegewijd aan de HEER, onze God, door zijn voorschriften te volgen en u aan zijn geboden te houden, zoals u dat nu ook doet.’

62Met alle Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 63Om de tempel in te wijden bracht hij met de Israëlieten een vredeoffer aan de HEER, waarvoor tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten werden geslacht. 64De koning wijdde die dag het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren.

65

8:65
2 Kron. 30:23
Zo vierde Salomo bij die gelegenheid feest ten overstaan van de HEER, onze God, samen met de Israëlieten, die in groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Het feest duurde zeven dagen en nog eens zeven, samen veertien dagen. 66Daarna stuurde de koning het volk naar huis terug, en nadat ze hem geluk hadden gewenst, ging ieder naar zijn woonplaats, opgewekt en verheugd om al het goede dat de HEER voor zijn dienaar David en zijn volk Israël gedaan had.

9

Belofte aan Salomo

91

9:1-9
1 Kon. 3:5-15
2 Kron. 7:11-22
Toen Salomo de bouw van de tempel voor de HEER en van het koninklijk paleis voltooid had, en ook al zijn andere bouwplannen ten uitvoer had gebracht, 2verscheen de HEER hem een tweede keer, zoals hij hem ook in Gibeon was verschenen. 3De HEER zei tegen Salomo: ‘Ik heb het smeekgebed dat je tot mij gericht hebt gehoord. Ik heb de tempel die je gebouwd hebt tot heilige plaats gemaakt, om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. 4En wat jezelf betreft, als jij mij met heel je hart oprecht toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 5
9:5
1 Kon. 2:4
zal ik ervoor zorgen dat jouw troon in Israël nooit wankelt, zoals ik je vader David heb beloofd toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen op de troon van Israël zou zitten. 6
9:6
Deut. 28:15
Maar mochten jullie of je nakomelingen je van mij afwenden en je niet houden aan de geboden en bepalingen die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, 7
9:7
Jer. 29:18
dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Israël zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot, 8
9:8-9
Deut. 29:23-26
9:8
2 Kon. 25:9
2 Kron. 36:19
Jer. 18:16
19:8
en van deze tempel zal alleen een puinhoop overblijven,9:8 en van deze tempel zal alleen een puinhoop overblijven – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘en dit huis zal hoog zijn’. zodat ieder die er voorbijkomt zal huiveren en sissen van afschuw. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 9zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, hun God, die hun voorouders uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft de HEER hun al deze rampspoed bezorgd.”’

Andere ondernemingen van Salomo

10

9:10-25
2 Kron. 8:1-16
Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 11
9:11
1 Kon. 5:24
Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zo veel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. 12Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden 13en hij beklaagde zich: ‘Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?’ Hij noemde die streek Eres-Kabul,9:13 Eres-Kabul – Eres-Kabul kan worden vertaald als ‘land van niets’. en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 14In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd.

15Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. 16

9:16
1 Kon. 3:1
7:8
De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. 17Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, 18Baälat, Tamar in de woestijn van Juda 19en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 20-21Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 22De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, aanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. 23Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk.

24

9:24
1 Kon. 3:1
7:8
Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk.

25

9:25
Ex. 23:14-17
Num. 28:16-29:39
Deut. 16:16
Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER.

26

9:26-28
2 Kron. 8:12-18
Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. 27Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. 28De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]