Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
Luc. 24:39
Joh. 1:1
20:20
1 Joh. 2:13
Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. 2
1:2
Joh. 1:4,14
15:27
Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 4
1:4
Joh. 15:11
16:22-24
We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken.

Licht en duisternis

5

1:5-7
Dan. 2:22
Joh. 8:12
Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. 6
1:6
1 Joh. 2:4
Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. 7
1:7
Joh. 3:21
Op. 1:5
Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. 8
1:8
Spr. 20:9
Pred. 7:20
Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9
1:9
Ps. 32:5
Spr. 28:13
Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

2

21Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2

2:2
Joh. 1:29
Rom. 3:25-26
Hebr. 2:17
1 Joh. 4:10
Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.

3

2:3
1 Joh. 5:2
Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4
2:4
1 Joh. 1:6
4:20
Wie zegt: ‘Ik ken hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5
2:5
1 Joh. 4:12
In wie zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde ten volle werkelijkheid geworden; hierdoor weten we dat we in hem zijn. 6
2:6
Joh. 13:15
Wie zegt in hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden. 7
2:7
Joh. 13:34
1 Joh. 3:11
2 Joh. 5
Geliefde broeders en zusters, ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor maar een oud, dat u vanaf het begin bekend is. Dat oude gebod is de boodschap die u gehoord hebt. 8
2:8
Joh. 1:5
8:12
Toch is het ook een nieuw gebod, omdat de duisternis wijkt en het ware licht al schijnt, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven. 9Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis. 10Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, 11
2:11
Spr. 4:19
Joh. 9:40-41
1 Joh. 3:15
maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.

12Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13

2:13
1 Joh. 1:1
Ik schrijf u, ouderen: u kent hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.

15

2:15-17
Jak. 4:4
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16
2:16
Tit. 2:12
want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17
2:17
1 Kor. 7:31
De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

Kinderen van God en kinderen van de duivel

18

2:18
2 Joh. 7
Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. 19
2:19
Hand. 20:30
Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde. 20U echter bent gezalfd door de heilige, u allen weet dat.2:20 u allen weet dat – Ook mogelijk is de vertaling: ‘u allen bezit kennis’. 21Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. 22Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de christus2:22 de christus – Griekse titel, elders weergegeven als ‘de messias’ (zie de noot bij Matteüs 2:4), hier als ‘de christus’ vanwege het verband met ‘de antichrist’. is? De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent. 23
2:23-24
2 Joh. 9
2:23
Joh. 5:23
Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 24Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. 25En dit is wat hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven. 26Dit wilde ik u schrijven over hen die proberen u te misleiden. 27
2:27
2 Kor. 1:21
Wat uzelf betreft: de zalving die u van hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in hem, zoals zijn zalving u geleerd heeft.

28Blijf dus in hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij zijn komst. 29U weet dat hij rechtvaardig is, en u moet daarom wel inzien dat ieder die rechtvaardig leeft uit God geboren is.