Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

Profetie en klanktaal

141

14:1
1 Kor. 14:39
Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de profetie. 2
14:2
1 Kor. 14:27-28
Iemand die in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar alleen tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal. 3Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend. 4Iemand die in klanktaal spreekt is daar alleen zelf bij gebaat; iemand die profeteert doet dat ten bate van de gemeente. 5
14:5
Num. 11:29
Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft.

6Broeders en zusters, welk nut zou ik voor u hebben als ik bij u in klanktaal zou spreken zonder u tegelijk iets te openbaren, zonder kennis door te geven of iets te profeteren, of zonder u te onderwijzen? 7Het is als met een instrument, bijvoorbeeld een fluit of citer. Als er geen verschil tussen de tonen is, hoe kan men dan horen welke melodie er wordt gespeeld? 8En als een trompet een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd? 9Voor u geldt hetzelfde: hoe moet men u begrijpen als u in onverstaanbare klanken spreekt? Uw woorden verdwijnen in het niets. 10Er zijn ik weet niet hoeveel talen in de wereld en ze hebben allemaal betekenis. 11Als ik de taal van iemand die tot mij spreekt niet ken, blijven we vreemdelingen voor elkaar. 12Dit geldt ook voor u: als u zo graag geestelijke gaven bezit, moet u ernaar streven uit te blinken in de opbouw van de gemeente.

13Daarom moet iemand die in klanktaal spreekt bidden om de gave die te kunnen uitleggen. 14Wanneer ik namelijk in klanktaal bid, bid ik weliswaar met mijn geest, maar doe ik niets nuttigs met mijn verstand. 15Dus wat moet ik doen? Ik moet bidden met mijn geest, maar ook met mijn verstand; ik moet zingen met mijn geest, maar ook met mijn verstand. 16

14:16
2 Kor. 1:20
Als u God alleen maar dankzegt met uw geest, hoe zou dan iemand die net als een buitenstaander uw klanktaal niet verstaat, uw woorden met ‘amen’ kunnen bevestigen? Hij begrijpt niet wat u zegt. 17Het is natuurlijk goed dat u God dankzegt, maar op die manier is een ander er niet bij gebaat. 18Ik dank God dat ik meer dan u allen de gave heb in klanktaal te spreken; 19maar om in de gemeente anderen te onderwijzen, gebruik ik liever een paar begrijpelijke woorden dan ontelbaar veel in klanktaal.

20

14:20
Ef. 4:14
Broeders en zusters, wees in uw denken niet als kinderen. Wees kinderen in het kwaad, maar wees in uw denken volwassen. 21
14:21
Jes. 28:11-12
Er staat in de wet: ‘Ik zal tot dit volk spreken door mensen die vreemde talen spreken, door de mond van vreemdelingen, en zelfs dan zullen ze niet naar mij luisteren – zegt de Heer.’ 22Klanktaal is dus een teken dat niet bestemd is voor gelovigen maar voor ongelovigen, en profeteren is niet voor ongelovigen maar voor gelovigen. 23Wanneer namelijk de hele gemeente samenkomt en iedereen zich in klanktaal uit, zullen ongelovige buitenstaanders die de samenkomst bezoeken dan niet zeggen dat u krankzinnig bent? 24Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeeld en terechtgewezen. 25
14:25
Jes. 45:14
Zach. 8:23
Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’

26Broeders en zusters, wat betekent dit voor uw samenkomsten? Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan. Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn. 27Er mogen twee, hoogstens drie van u in klanktaal spreken, ieder op zijn beurt en bovendien met iemand die de uitleg geeft. 28Is er niemand die dit kan, dan moeten ze zwijgen en alleen voor zichzelf tot God spreken. 29Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen. 30Wanneer aan iemand die nog op zijn plaats zit iets geopenbaard wordt, moet degene die op dat moment spreekt verder zwijgen. 31U kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat ieder van u kan worden onderwezen en bemoedigd. 32En wie profeteert heeft macht over zijn geest, 33want God is niet een God van wanorde maar van vrede. Zo is het in alle gemeenten van de heiligen.

34

14:34
Gen. 3:16
Ef. 5:22-24
1 Tim. 2:11
Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. 35Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.

36Heeft het woord van God zich soms verspreid vanuit uw gemeente? Of heeft het enkel u bereikt? 37Wie van u denkt te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn, dient te erkennen dat wat ik u schrijf een bevel van de Heer is. 38Doet hij dat niet, dan wordt hij zelf niet erkend. 39

14:39
1 Kor. 14:1
Kortom, broeders en zusters, streef ernaar te profeteren en verhinder niet dat er in klanktaal gesproken wordt. 40Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren.

15

De opstanding van de doden

151Broeders en zusters, ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is 2en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen. 3

15:3
Jes. 53:5-12
Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4
15:4
Hos. 6:2
Mat. 12:40
dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5
15:5
Mat. 28:16-17
Marc. 16:14
Luc. 24:34,36
Joh. 20:19
en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6
15:6
Hand. 13:30-31
Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8
15:8
Hand. 9:3-6
Ef. 3:8
Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. 9
15:9-10
1 Tim. 1:15-16
15:9
Hand. 8:3
9:1-2
Gal. 1:13
Filip. 3:6
Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. 10
15:10
2 Kor. 11:23
Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade. 11Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.

12Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? 13Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; 14en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. 15Dan blijkt dat wij als getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat we verklaard hebben dat hij Christus heeft opgewekt – want als er geen doden worden opgewekt, dan kan hij dat niet hebben gedaan. 16Wanneer de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt. 17Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden 18en worden de doden die Christus toebehoren niet gered. 19Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.

20

15:20-23
Hand. 26:23
15:20
Kol. 1:18
1 Tes. 4:14
Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. 21
15:21-22
Rom. 5:12,15-19
Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. 22Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. 23
15:23
1 Tes. 4:16
Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren. 24En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25
15:25
Ps. 110:1
Mat. 22:44
Hand. 2:34-35
Ef. 1:20-22
Hebr. 1:13
Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. 26
15:26
Op. 20:14
21:4
De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, 27
15:27
Ps. 8:7
Hebr. 2:8
want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. 28
15:28
Ef. 4:6
Kol. 3:11
En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.

29

15:29
2 Mak. 12:44
Wat denken zij die zich voor de doden laten dopen te bereiken? Als de doden toch niet worden opgewekt, waarom zouden zij zich dan voor hen laten dopen? 30En waarom zouden wij ons voortdurend aan gevaren blootstellen? 31Elke dag sterf ik opnieuw, broeders en zusters, zo waar als ik dankzij Christus Jezus, onze Heer, trots op u kan zijn. 32
15:32
Jes. 22:13
2 Kor. 1:8-10
In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’ 33Maar vergis u niet: slecht gezelschap bederft goede zeden. 34Kom tot bezinning, zoals het u betaamt, en zondig niet langer. Sommigen van u hebben geen enkele kennis van God. U moest u schamen.

35Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ 36

15:36-37
Joh. 12:24
Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. 37En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. 38
15:38
Gen. 1:11
God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm. 39Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook, en ook dat van een vis. 40Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. 41De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. 42Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, 43wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. 44Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam. 45
15:45
Gen. 2:7
Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. 46Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. 47De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. 48Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. 49
15:49
Filip. 3:21
Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

50Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid. 51

15:51-52
1 Tes. 4:15-17
Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, 52
15:52
Mat. 24:31
in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. 53
15:53
2 Kor. 5:1-5
Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. 54
15:54
Jes. 25:8
En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen. 55
15:55
Hos. 13:14
Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ 56De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet. 57Maar laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft.

58Kortom, geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn.

16

Reisplannen en groeten

161

16:1-3
Gal. 2:10
16:1
Rom. 15:25-26
2 Kor. 8:1-4
Wat de collecte voor de heiligen betreft, moet u de richtlijn volgen die ik aan de gemeenten in Galatië gegeven heb: 2laat ieder van u elke eerste dag van de week naar vermogen iets opzijleggen. Dan hoeft er bij mijn komst geen geld meer te worden ingezameld. 3Wanneer ik eenmaal bij u ben, zal ik degenen die u hebt uitgekozen om de gaven te overhandigen, met aanbevelingsbrieven naar Jeruzalem laten gaan. 4Als ik zelf ook de mogelijkheid heb naar Jeruzalem te gaan, zullen ze mij vergezellen.

5

16:5
Hand. 19:21
2 Kor. 1:16
Ik kom naar u toe zodra ik Macedonië achter me gelaten heb (ik ben namelijk van plan via Macedonië te reizen). 6Dan denk ik enige tijd bij u te blijven, misschien wel de hele winter, zodat u mij op weg kunt helpen naar mijn volgende bestemming. 7Ik wil u dus niet alleen op doorreis bezoeken, maar hoop wat langer bij u te blijven, als de Heer het toestaat. 8
16:8
Lev. 23:15-21
Deut. 16:9-11
Tot het Pinksterfeest ben ik in Efeze, 9
16:9
Hand. 19:8-10
want de deur staat hier wijd open voor mijn werk, hoewel er ook veel tegenstanders zijn.

10

16:10
1 Kor. 4:17
Zorg ervoor dat u Timoteüs niet afschrikt wanneer hij bij u komt, want hij werkt net als ik ten dienste van de Heer. 11Dus niemand mag op hem neerzien. Zorg er ook voor dat hij veilig naar mij terug kan reizen, want ik zie naar hem uit, net als de andere broeders en zusters. 12
16:12
1 Kor. 3:4-6
Tit. 3:13
Wat onze broeder Apollos betreft: ik heb er herhaaldelijk bij hem op aangedrongen om in gezelschap van de broeders naar u toe te gaan, maar op dit moment wil hij beslist niet weg. Hij komt zodra hij de gelegenheid vindt.

13Wees waakzaam, volhard in het geloof, wees moedig en sterk. 14Alles wat u doet, moet u met liefde doen.

15

16:15
1 Kor. 1:16
Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters. U weet dat Stefanas en zijn huisgenoten als eersten in Achaje tot geloof gekomen zijn en dat ze zich in dienst van de heiligen hebben gesteld. 16
16:16
1 Tes. 5:12-13
Aanvaard hun gezag en dat van alle anderen die zich samen met hen zoveel moeite geven. 17Ik ben heel blij met de komst van Stefanas, Fortunatus en Achaïkus, want zij maken goed dat ik u moet missen. 18Ze hebben zowel u als mij nieuwe kracht gegeven. Houd zulke mensen in ere.

19

16:19
Hand. 18:2
Rom. 16:3
De gemeenten van Asia groeten u. Ook Aquila en Prisca en de gemeente die bij hen in huis samenkomt laten u, met wie zij één zijn in de Heer, hartelijk groeten. 20
16:20
Rom. 16:16
2 Kor. 13:12
1 Tes. 5:26
1 Petr. 5:14
Alle broeders en zusters laten u groeten. Groet elkaar met een heilige kus.

21

16:21
Gal. 6:11
2 Tes. 3:17
Een eigenhandig geschreven groet van mij, Paulus. 22Als iemand de Heer niet liefheeft – hij zij vervloekt! Maranata!16:22 Maranata – Aramees; kan worden vertaald als ‘Kom, Heer’. 23
16:23
Rom. 16:20
De genade van de Heer Jezus zij met u. 24Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik één ben in Christus Jezus.