Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

Israël als voorbeeld

101

10:1
Ex. 13:21-22
14:22-29
Ps. 105:39
Wijsh. 19:7
Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, 2dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. 3
10:3
Ex. 16:15
Deut. 8:3
En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel 4
10:4
Ex. 17:6
Num. 20:11
Ps. 78:15
en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus. 5
10:5
Num. 14:16,29-30
Ps. 78:31
Hebr. 3:17-19
Judas 5
Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn.

6

10:6
Ps. 106:14
Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. 7
10:7
Ex. 32:6
Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ 8
10:8
Num. 25:1-9
Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. 9
10:9
Num. 21:5-6
En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. 10
10:10
Ex. 16:2-3
Num. 14:2,36
17:6-14
En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. 11Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen. 12
10:12
Rom. 11:20
Gal. 6:1
Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt. 13U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.

14Om deze reden moet u, geliefde broeders en zusters, u verre houden van afgodendienst. 15Ik spreek tot verstandige mensen, dus u kunt wat ik nu zeg naar waarde schatten. 16

10:16
Mat. 26:26-28
Marc. 14:22-24
Luc. 22:19-20
1 Kor. 11:25-27
Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus? 17
10:17
Rom. 12:5
1 Kor. 12:12
Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood. 18
10:18
Lev. 7:6
Kijkt u eens naar het volk van Israël. Hebben tempeldienaars die van de offers eten niet eveneens deel aan hetgeen geofferd wordt? 19Wat wil ik met dit alles zeggen? Dat offervlees een bijzondere betekenis heeft? Of dat afgoden echt bestaan? 20
10:20
Deut. 32:17
Dat niet, maar wel dat heidenen aan demonen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u één wordt met demonen. 21
10:21
2 Kor. 6:14-16
U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen. 22
10:22
Deut. 32:21
Of willen we de Heer tergen? Zijn we soms sterker dan hij?

Het juiste gebruik van de vrijheid

23

10:23
Sir. 37:28
1 Kor. 6:12
U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 24
10:24
Rom. 15:2
1 Kor. 10:33
Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander. 25
10:25
Rom. 14:2-10,22
U mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan waar het vandaan komt. 26
10:26
Ps. 24:1
50:12
89:12
Immers: ‘Van de Heer is de aarde en haar rijkdom.’ 27Wanneer een ongelovige u uitnodigt om bij hem te komen eten en u neemt zijn uitnodiging aan, kunt u rustig alles eten wat u aangeboden wordt. Het is niet nodig dat u omwille van uw geweten vraagt waar het vandaan komt. 28Maar wanneer iemand u erop wijst dat u vlees van offerdieren eet, laat het dan omwille van hem staan. Houd rekening met het geweten. 29Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Mijn vrijheid wordt door zijn geweten toch niet aangetast? 30Er is toch niemand die kwaad van mij kan spreken om wat ik eet, als ik God maar voor mijn eten dank? 31Dus of u nu eet of drinkt of iets anders doet, doe alles ter ere van God. 32Geef geen aanstoot aan de Joden, aan andere volken of aan Gods gemeente. 33
10:33
Rom. 15:2
Ikzelf doe dat ook niet. Ik wil iedereen ter wille zijn, in welk opzicht dan ook; ik zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van alle anderen, opdat ze worden gered.

11

111

11:1
1 Kor. 4:16
Filip. 3:17
Dus volg mij na, zoals ik Christus navolg.

De hoofdbedekking van de vrouw

2

11:2
1 Tes. 2:13
4:1-2
2 Tes. 2:15
Ik prijs het in u dat u mij bij alles als voorbeeld neemt en u aan de voorschriften houdt die ik u gegeven heb. 3
11:3
Ef. 5:23
Ik moet u echter nog het volgende zeggen.

Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. 4Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. 5Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies hetzelfde als een kaalgeschoren vrouw. 6Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken.

7

11:7
Gen. 1:26-27
5:1
9:6
Wijsh. 2:23
Sir. 17:3
Een man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. 8
11:8-9
Gen. 2:18-23
11:8
1 Tim. 2:13
(De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man; 9en de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.) 10Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben. 11Echter, in hun verbondenheid met de Heer is de vrouw niets zonder de man, en ook de man niets zonder de vrouw. 12Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw – en alles is ontstaan uit God. 13Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? 14Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, 15terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen.

16Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen.

De viering van de maaltijd van de Heer

17Nu ik u toch aanwijzingen geef: ik kan u niet prijzen om uw samenkomsten. Die doen meer kwaad dan goed. 18Om te beginnen: ik hoor dat u bij uw samenkomsten in de gemeente partijen vormt. Tot op zekere hoogte geloof ik dat ook. 19Het is onvermijdelijk dat er partijvorming onder u is, zodat duidelijk wordt wie van u betrouwbaar is. 20Alleen, u komt niet samen om de maaltijd van de Heer te vieren. 21Van wat u hebt meegebracht eet u alleen zelf, zodat de een honger heeft en de ander dronken is. 22Hebt u soms geen eigen huis waar u kunt eten en drinken? Of veracht u de gemeente van God en wilt u de armen onder u vernederen? Wat moet ik hierover zeggen? Moet ik u soms prijzen? Dat doe ik in geen geval.

23

11:23-25
Mat. 26:26-29
Marc. 14:22-25
Luc. 22:14-20
1 Kor. 10:16-17
Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, 24sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie.11:24 Dit is mijn lichaam voor jullie – Andere handschriften lezen: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam dat voor jullie gebroken wordt’. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 25
11:25
Ex. 24:8
Jer. 31:31
Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’ 26Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt.

27Daarom maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer. 28Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt, 29want wie eet en drinkt maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling af over zichzelf. 30Daarom zijn er onder u veel zwakke en zieke mensen en zijn er al velen onder u gestorven. 31Als we onszelf zouden toetsen, zouden we niet worden veroordeeld. 32Maar nu velt de Heer zijn oordeel over ons en wijst hij ons terecht, opdat we niet samen met de wereld zullen worden veroordeeld. 33Daarom, broeders en zusters, wees gastvrij voor elkaar wanneer u samenkomt voor de maaltijd. 34Wie honger heeft kan beter thuis eten. Dan leiden uw samenkomsten tenminste niet tot uw veroordeling.

De overige zaken zal ik regelen wanneer ik kom.

12

Vele gaven, één Geest

121Broeders en zusters, over de gaven van de Geest wil ik u het volgende zeggen.

2

12:2
Gal. 4:8
Zoals u weet was u in de tijd dat u nog heidenen was volledig in de ban van goden die taal noch teken geven. 3
12:3
Filip. 2:11
1 Joh. 4:1-3
Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand kan ooit door toedoen van de Geest van God zeggen: ‘Vervloekt is Jezus,’ en niemand kan ooit zeggen: ‘Jezus is de Heer,’ behalve door toedoen van de heilige Geest.

4Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; 5er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; 6er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt. 7In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. 8

12:8-10
Rom. 12:6-8
Ef. 4:11
Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; 9de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. 10En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. 11
12:11
1 Kor. 12:4
Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil.

12

12:12
Rom. 12:4-5
Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. 13
12:13
Gal. 3:28
Kol. 3:11
Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. 14Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. 15Als de voet zou zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort hij er dan werkelijk niet bij? 16En als het oor zou zeggen: ‘Ik ben geen oog, dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort het er dan werkelijk niet bij? 17Als het hele lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kunnen horen? Als het hele lichaam oor zou zijn, waarmee zou het dan kunnen ruiken? 18God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19Als ze met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn? 20Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. 21Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet nodig,’ en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. 22Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27
12:27-30
Rom. 12:5-8
Ef. 4:11
12:27
Ef. 5:30
Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. 28God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. 29Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? 30Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?

31Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]