Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

161De ark van God werd neergezet in de tent die David had laten oprichten, en men bracht brandoffers en vredeoffers aan God. 2Na afloop daarvan zegende David het volk in de naam van de HEER. 3Aan alle Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen.

4David stelde de volgende Levieten aan om dienst te doen bij de ark van de HEER door de HEER, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen: 5Asaf als leider en Zecharja als zijn helper. Jeïël, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël moesten de harpen en lieren bespelen, en Asaf moest de cimbalen slaan. 6De priesters Benaja en Jachaziël moesten voortdurend op de trompetten blazen voor de ark van het verbond met God. 7Op die dag droeg David Asaf en zijn verwanten op voortaan als volgt de lof van de HEER te zingen:

8

16:8-22
Ps. 105:1-15
‘Loof de HEER, roep luid zijn naam,

maak zijn daden bekend onder de volken,

9zing en speel voor hem,

spreek vol lof over zijn wonderen,

10beroem u op zijn heilige naam.

Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.

11Zie uit naar de HEER en zijn macht,

zoek voortdurend zijn nabijheid.

12Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan,

de oordelen die hij heeft uitgesproken,

13nageslacht van Israël, zijn dienaar,

kinderen van Jakob, door hem verkozen.

14Hij is de HEER, onze God,

zijn besluiten gelden over de hele aarde.

15Gedenk tot in eeuwigheid

zijn belofte aan duizend geslachten,

16

16:16
Gen. 12:7
26:3
het verbond dat hij sloot met Abraham

en voor Isaak bevestigde met een eed.

17Voor Jakob verhief hij het tot wet,

voor Israël tot een eeuwig verbond,

18

16:18
Gen. 28:13
toen hij zei: “Ik zal jou Kanaän geven,

dat land wordt je onvervreemdbaar bezit,”

19terwijl jullie daar nog maar korte tijd waren,

een handjevol vreemdelingen,

20zwervend van volk naar volk,

van het ene koninkrijk naar het andere.

21Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte,

ter wille van hen strafte hij koningen:

22

16:22
Gen. 20:3-7
“Raak mijn gezalfden niet aan,

doe mijn profeten geen kwaad.”

23

16:23-33
Ps. 96:1-13
Zing voor de HEER, heel de aarde.

Verkondig van dag tot dag dat hij ons redt.

24Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,

aan alle naties zijn wonderdaden.

25Groot is de HEER, hem komt alle lof toe,

geducht is hij, meer dan alle goden.

26De goden van de volken zijn minder dan niets,

maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt.

27Glans en glorie gaan voor hem uit,

macht en luister vullen zijn woning.

28Erken de HEER, stammen en volken,

erken de HEER, zijn majesteit en macht,

29erken de HEER, de majesteit van zijn naam,

draag geschenken voor hem aan.

Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie,

30huiver, heel de aarde, wanneer hij verschijnt.

Vast staat de wereld, ze wankelt niet.

31Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen.

Zeg onder de volken: “De HEER is koning.”

32Laat bruisen de zee en het leven dat haar vult,

laat het veld juichen en alles wat daar groeit,

33en laten de bomen jubelen voor de HEER,

want hij is in aantocht, als rechter der aarde.

34

16:34
2 Kron. 5:13
7:3
Ezra 3:11
Ps. 106:1
136:1
Jer. 33:11
Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

35

16:35-36
Ps. 106:47-48
Zeg: “Red ons, God, onze redder,

bevrijd ons en breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

36Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.”’

En het hele volk antwoordde: ‘Amen!’ en ‘Prijs de HEER!’

37David stelde dus Asaf en zijn verwanten aan om dagelijks de dienst bij de ark van het verbond met de HEER te verzorgen, waarbij ze de voorschriften voor de afzonderlijke dagen in acht moesten nemen. 38De bewaking vertrouwde hij toe aan Obed-Edom en Chosa en hun verwanten, achtenzestig poortwachters; Obed-Edom was een zoon van Jedutun. 39Sadok en de overige leden van de priesterfamilie werden aangesteld voor de tabernakel van de HEER op de offerhoogte van Gibeon. 40Daar moesten ze iedere dag ’s ochtends en ’s avonds op het brandofferaltaar brandoffers brengen aan de HEER en alle overige handelingen uitvoeren die zijn voorgeschreven in de wet die de HEER voor Israël heeft uitgevaardigd. 41Heman en Jedutun en andere officieel benoemde personen moesten daar de HEER loven met de woorden: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 42Zij, Heman en Jedutun, bewaarden de trompetten, cimbalen en andere instrumenten waarop voor God muziek gemaakt werd. De zonen van Jedutun bewaakten de poort.

43

16:43
2 Sam. 6:19-20
Hierna ging iedereen terug naar huis. Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen.

17

Toezeggingen over de voortzetting van Davids koningshuis

171

17:1-27
2 Sam. 7:1-29
Toen David zijn intrek had genomen in het paleis, zei hij tegen de profeet Natan: ‘Nu woon ik hier in een paleis van cederhout, terwijl de ark van het verbond met de HEER in een tent staat.’ 2‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde Natan, ‘God staat u immers terzijde.’ 3Maar diezelfde nacht richtte God zich tot Natan: 4‘Zeg tegen mijn dienaar David: “Dit zegt de HEER: Jij zult voor mij geen huis bouwen om in te wonen. 5Nooit heb ik in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! In tent en tabernakel ging ik van de ene verblijfplaats naar de andere. 6Overal in Israël heb ik rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de rechters van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?” 7Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk Israël te leiden. 8Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. 9Ik heb aan mijn volk Israël een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer geplaagd door misdadige volken, zoals toen het er pas woonde 10en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Je vijanden heb ik allemaal onderworpen. Ik zeg je dat de HEER voor jou een huis zal bouwen: 11Wanneer je leven voorbij is en je met je voorouders verenigd wordt, zal ik je laten opvolgen door een van je eigen nakomelingen en hem een bestendig koningschap schenken. 12
17:12
1 Kon. 5:19
Hij zal voor mij een huis bouwen, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. 13
17:13
Hebr. 1:5
Op. 21:7
Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon, en ik zal hem nooit mijn gunst ontnemen zoals je voorganger. 14Ik zal hem voor eeuwig aanstellen in mijn huis en in mijn koninkrijk, en zijn troon zal nooit wankelen.”’

15Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. 16Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: ‘Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? 17En alsof dat nog niet genoeg was, God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. U hebt mij uitgekozen als kroon op de mensheid, door God, de HEER, verheven. 18Wat kan ik verder nog zeggen over de grote eer die u mij bewijst? U kent uw dienaar. 19Omwille van uw dienaar, HEER, en in overeenstemming met uw voornemen, hebt u al deze grootse dingen gedaan en ze bekendgemaakt. 20Het is zoals ons altijd is voorgehouden, HEER: zoals u is er geen, er bestaat geen andere god dan u. 21En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor u zich hebt ingezet om het vrij te kopen en tot uw volk te maken, om zo voor uzelf een naam te vestigen door grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat u uit Egypte hebt bevrijd, hebt u vreemde volken verdreven. 22U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en u, HEER, bent hun tot God. 23Welnu, HEER, moge de belofte die u aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan voor altijd worden waargemaakt, laat uw woord in vervulling gaan. 24Dan zal uw naam waargemaakt zijn en voor altijd in ere worden gehouden, en men zal zeggen: “De HEER van de hemelse machten, de God van Israël, is God over Israël,” en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. 25U, mijn God, hebt aan uw dienaar onthuld dat u voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot u te richten. 26U, HEER, u alleen bent God. U hebt me zo’n grootse toekomst beloofd. 27Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. U, HEER, bent het die zegent. U bent gezegend voor altijd.’

18

Davids overwinningen

181

18:1-13
2 Sam. 8:1-14
Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en ontnam hun Gat en de omliggende dorpen. 2Ook de Moabieten versloeg hij. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen. 3Bij Hamat versloeg hij Hadadezer, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht te vestigen over het gebied langs de Eufraat. 4David veroverde duizend strijdwagens op hem en nam zevenduizend wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden. 5Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Soba te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. 6Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

7David nam de gouden schilden van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. 8

18:8
1 Kon. 7:40-47
1 Kron. 22:14
Uit Tibchat en Kun, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee. Dit werd later door Salomo gebruikt om er de bronzen Zee, de zuilen en andere voorwerpen van brons en koper van te maken. 9Toen koning Toü van Hamat hoorde dat David het leger van koning Hadadezer van Soba had verslagen, 10liet hij zijn zoon Hadoram zijn opwachting maken bij koning David en hem gelukwensen met zijn overwinning. Toü was namelijk in oorlog met Hadadezer. Hij stuurde ook allerlei geschenken van goud, zilver en koper. 11
18:11
1 Kon. 7:51
Koning David wijdde deze geschenken aan de HEER, samen met het goud en zilver dat hij had buitgemaakt op de omringende volken: de Edomieten, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten.

12

18:12
Ps. 60:2
Absai, de zoon van Seruja, versloeg de Edomieten in de Zoutvallei, achttienduizend man. 13Hij bezette strategische punten in Edom, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

Davids ambtenaren

14

18:14-17
2 Sam. 8:15-18
20:23-26
David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. 15Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 16Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Abimelech,18:16 Abjatar, de zoon van Abimelech – Voorgestelde lezing. MT: ‘Abimelech, de zoon van Abjatar’. waren priester; Sawsa was hofschrijver; 17Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. De hoogste rangen aan het hof werden bekleed door Davids zonen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]