Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

David vestigt zich in Jeruzalem

141

14:1-17
2 Sam. 5:11-25
14:1-7
1 Kron. 3:5-9
Koning Churam van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en metselaars en timmerlieden voor de bouw van een paleis. 2David besefte dat de HEER hem had aangesteld als vorst over Israël, want hij had hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning gemaakt.

3In Jeruzalem nam David nog meer vrouwen en verwekte hij nog meer zonen en dochters. 4Dit zijn de namen van de zonen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, 5Jibchar, Elisua en Elpelet, 6Noga, Nefeg en Jafia, 7en Elisama, Beëljada en Elifelet.

Twee aanvallen van de Filistijnen afgeslagen

8Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van heel Israël was gezalfd, rukten ze met al hun troepen uit omdat ze hem wilden overmeesteren. Zodra David dit vernam, trok hij hun tegemoet. 9De hele vallei van Refaïm stond al vol Filistijnen. 10David wendde zich tot God en vroeg: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij uitleveren?’ De HEER antwoordde: ‘Ga op hen af! Ik zal de Filistijnen aan je uitleveren.’ 11

14:11
Jes. 28:21
Ze trokken op naar Baäl-Perasim.14:11 Baäl-Perasim – Baäl-Perasim kan worden vertaald als ‘de Heer van de doorbraak’. Daar versloeg David hen, en hij sprak de woorden: ‘God is door mijn toedoen door de vijandelijke linies gebroken zoals plotseling opkomend water zich een baan breekt.’ Daarom wordt die plaats Baäl-Perasim genoemd. 12De godenbeelden die door de Filistijnen waren achtergelaten, werden op bevel van David verbrand.

13De Filistijnen waagden een tweede poging. Opnieuw stond de hele vallei vol. 14Opnieuw wendde David zich tot God, en God zei: ‘Ga niet op hen af. Maak een omtrekkende beweging tot bij de moerbeibomen en val hen in de rug aan. 15Zodra je in de boomkruinen het geluid van een aanstormend leger hoort, moet je aanvallen, want dan gaat God voor je uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.’ 16David deed wat God hem had bevolen, en het Filistijnse leger werd van Gibeon tot Gezer teruggeslagen. 17Zo verwierf David roem in alle landen en maakte de HEER alle volken beducht voor hem.

15

De ark feestelijk ingehaald in Jeruzalem

151David liet voor zichzelf een paleis bouwen in de Davidsburcht en maakte voor de ark van God een plaats gereed door er een tent voor te laten oprichten. 2

15:2
Num. 1:50
3:5
Deut. 10:8
31:25
Daarna verklaarde hij dat alleen de Levieten de ark van God mochten dragen, want hen had de HEER aangewezen om zijn ark te dragen en hem voor altijd te dienen. 3Vervolgens liet hij heel Israël in Jeruzalem bijeenkomen om de ark van de HEER over te brengen naar de plaats die hij in gereedheid had gebracht. 4Hij riep de nakomelingen van Aäron en de Levieten bijeen: 5uit de familie van Kehat: honderdtwintig man onder leiding van Uriël; 6uit de familie van Merari: tweehonderdtwintig man onder leiding van Asaja; 7uit de familie van Gerson: honderddertig man onder leiding van Joël; 8uit de familie van Elisafan: tweehonderd man onder leiding van Semaja; 9uit de familie van Chebron: tachtig man onder leiding van Eliël; 10uit de familie van Uzziël: honderdtwaalf man onder leiding van Amminadab.

11David ontbood de priesters Sadok en Abjatar en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab 12en zei tegen hen: ‘U bent de hoofden van de Levitische families. U en uw verwanten moeten zich heiligen en de ark van de HEER, de God van Israël, overbrengen naar de plaats die ik in gereedheid heb gebracht. 13Want omdat u er de vorige keer niet bij was, is de HEER, onze God, tegen ons uitgebarsten. Wij hadden toen zijn aanwijzingen niet nauwkeurig opgevolgd.’ 14De priesters en de Levieten heiligden zich om de ark van de HEER, de God van Israël, over te brengen. 15

15:15
Ex. 25:14
De Levieten droegen de ark van God, zoals Mozes het in opdracht van de HEER heeft voorgeschreven, met draagbomen op hun schouders. 16Verder beval David de hoofden van de Levitische families diegenen van hun verwanten te laten aantreden die met luide stem, onder begeleiding van muziekinstrumenten, van harpen, lieren en cimbalen, vreugdeliederen konden zingen. 17De Levieten lieten Heman, de zoon van Joël, aantreden, en zijn verwanten Asaf, de zoon van Berechja, en Etan, de zoon van Kusajahu uit de familie van Merari. 18Zij werden bijgestaan door hun verwanten Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, en Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters. 19De zangers Heman, Asaf en Etan lieten de koperen cimbalen klinken, 20Zecharja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja bespeelden de harpen, die in een hoge toonsoort waren gestemd, 21en Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïël en Azazjahu de lager gestemde lieren. 22Kenanja, een van de Levitische familiehoofden, had de leiding van de stoet. Hij was vanwege zijn deskundigheid met de leiding van de stoet belast. 23Berechja en Elkana bewaakten de ark. 24De priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer liepen voor de ark van God uit en bliezen op de trompetten, en Obed-Edom en Jechia bewaakten de ark.

25

15:25-16:3
2 Sam. 6:12-19
Zo gingen David en de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend man op weg om de ark van het verbond met de HEER feestelijk op te halen uit het huis van Obed-Edom. 26En terwijl de Levieten met de hulp van God de ark van het verbond met de HEER droegen, offerden zij zeven stieren en zeven rammen. 27David was gekleed in een linnen mantel, evenals de Levieten die de ark droegen en de zangers en Kenanja, die de stoet leidde, dus ook de zangers. David droeg bovendien een linnen priesterhemd.

28Onder gejuich en hoorngeschal haalde heel Israël de ark van het verbond met de HEER in, terwijl de trompetten en cimbalen klonken en er gespeeld werd op harpen en lieren. 29Toen de ark de Davidsburcht binnenkwam, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen, en haar hart vulde zich met minachting.

16

161De ark van God werd neergezet in de tent die David had laten oprichten, en men bracht brandoffers en vredeoffers aan God. 2Na afloop daarvan zegende David het volk in de naam van de HEER. 3Aan alle Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen.

4David stelde de volgende Levieten aan om dienst te doen bij de ark van de HEER door de HEER, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen: 5Asaf als leider en Zecharja als zijn helper. Jeïël, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël moesten de harpen en lieren bespelen, en Asaf moest de cimbalen slaan. 6De priesters Benaja en Jachaziël moesten voortdurend op de trompetten blazen voor de ark van het verbond met God. 7Op die dag droeg David Asaf en zijn verwanten op voortaan als volgt de lof van de HEER te zingen:

8

16:8-22
Ps. 105:1-15
‘Loof de HEER, roep luid zijn naam,

maak zijn daden bekend onder de volken,

9zing en speel voor hem,

spreek vol lof over zijn wonderen,

10beroem u op zijn heilige naam.

Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.

11Zie uit naar de HEER en zijn macht,

zoek voortdurend zijn nabijheid.

12Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan,

de oordelen die hij heeft uitgesproken,

13nageslacht van Israël, zijn dienaar,

kinderen van Jakob, door hem verkozen.

14Hij is de HEER, onze God,

zijn besluiten gelden over de hele aarde.

15Gedenk tot in eeuwigheid

zijn belofte aan duizend geslachten,

16

16:16
Gen. 12:7
26:3
het verbond dat hij sloot met Abraham

en voor Isaak bevestigde met een eed.

17Voor Jakob verhief hij het tot wet,

voor Israël tot een eeuwig verbond,

18

16:18
Gen. 28:13
toen hij zei: “Ik zal jou Kanaän geven,

dat land wordt je onvervreemdbaar bezit,”

19terwijl jullie daar nog maar korte tijd waren,

een handjevol vreemdelingen,

20zwervend van volk naar volk,

van het ene koninkrijk naar het andere.

21Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte,

ter wille van hen strafte hij koningen:

22

16:22
Gen. 20:3-7
“Raak mijn gezalfden niet aan,

doe mijn profeten geen kwaad.”

23

16:23-33
Ps. 96:1-13
Zing voor de HEER, heel de aarde.

Verkondig van dag tot dag dat hij ons redt.

24Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,

aan alle naties zijn wonderdaden.

25Groot is de HEER, hem komt alle lof toe,

geducht is hij, meer dan alle goden.

26De goden van de volken zijn minder dan niets,

maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt.

27Glans en glorie gaan voor hem uit,

macht en luister vullen zijn woning.

28Erken de HEER, stammen en volken,

erken de HEER, zijn majesteit en macht,

29erken de HEER, de majesteit van zijn naam,

draag geschenken voor hem aan.

Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie,

30huiver, heel de aarde, wanneer hij verschijnt.

Vast staat de wereld, ze wankelt niet.

31Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen.

Zeg onder de volken: “De HEER is koning.”

32Laat bruisen de zee en het leven dat haar vult,

laat het veld juichen en alles wat daar groeit,

33en laten de bomen jubelen voor de HEER,

want hij is in aantocht, als rechter der aarde.

34

16:34
2 Kron. 5:13
7:3
Ezra 3:11
Ps. 106:1
136:1
Jer. 33:11
Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

35

16:35-36
Ps. 106:47-48
Zeg: “Red ons, God, onze redder,

bevrijd ons en breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

36Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.”’

En het hele volk antwoordde: ‘Amen!’ en ‘Prijs de HEER!’

37David stelde dus Asaf en zijn verwanten aan om dagelijks de dienst bij de ark van het verbond met de HEER te verzorgen, waarbij ze de voorschriften voor de afzonderlijke dagen in acht moesten nemen. 38De bewaking vertrouwde hij toe aan Obed-Edom en Chosa en hun verwanten, achtenzestig poortwachters; Obed-Edom was een zoon van Jedutun. 39Sadok en de overige leden van de priesterfamilie werden aangesteld voor de tabernakel van de HEER op de offerhoogte van Gibeon. 40Daar moesten ze iedere dag ’s ochtends en ’s avonds op het brandofferaltaar brandoffers brengen aan de HEER en alle overige handelingen uitvoeren die zijn voorgeschreven in de wet die de HEER voor Israël heeft uitgevaardigd. 41Heman en Jedutun en andere officieel benoemde personen moesten daar de HEER loven met de woorden: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 42Zij, Heman en Jedutun, bewaarden de trompetten, cimbalen en andere instrumenten waarop voor God muziek gemaakt werd. De zonen van Jedutun bewaakten de poort.

43

16:43
2 Sam. 6:19-20
Hierna ging iedereen terug naar huis. Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen.