Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
38

Gogs leger vernietigd

381

38:1-23
Op. 20:7-10
De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op Gog, de oppervorst van Mesech en Tubal, in het land Magog, en profeteer tegen hem. 3Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Gog, oppervorst van Mesech en Tubal, ik zal je straffen! 4
38:4
Ezech. 29:4
Ik kom je halen, ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger, met je paarden en ruiters, met je schitterende krijgers, met heel die menigte zwaardvechters, bewapend met kleine en grote schilden; 5
38:5
Ezech. 27:10
en dan nog de soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, met hun schilden en helmen, 6en Gomer met al zijn troepen, Bet-Togarma uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! 7Bereid je voor, maak je gereed om die hele menigte die zich bij je heeft aangesloten aan te voeren. 8Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar zonder zorgen. 9Met je troepen en al je bondgenoten zul je optrekken als een stormwind, als een wolk die het land overdekt.

10Dit zegt God, de HEER: Als het zover is, zul je boze plannen uitdenken. 11Je denkt: Dat land van niet-ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten. 12Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden aan te vallen. Daar woont een volk dat uit vele volken bijeen is gekomen, dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont. 13De mensen uit Seba en Dedan, de handelaars en heersers uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Ben je gekomen om te plunderen en te roven? Heb je die hele menigte bijeengebracht om buit binnen te halen? Om goud en zilver weg te graaien, om vee en goederen mee te nemen, om alles te plunderen en te roven?’”

14Profeteer daarom, mensenkind, zeg tegen Gog: “Dit zegt God, de HEER: Wanneer mijn volk Israël een onbezorgd bestaan leidt, zal dat jou bekend worden. 15Dan komen jij en je vele bondgenoten uit je woonplaats in het uiterste noorden, al die mannen te paard, die grote menigte, dat talrijke leger. 16Als een wolk die het land overdekt zul je tegen mijn volk Israël optrekken. Eens zal ik je naar mijn land brengen, en als ik alle volken door jou, Gog, laat zien dat ik heilig ben, zullen ze beseffen wie ik ben.

17Dit zegt God, de HEER: Ben jij de man van wie ik in het verleden, jarenlang, bij monde van de profeten van Israël, mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem zou sturen om de Israëlieten aan te vallen?

18Op de dag dat Gog het land van Israël aanvalt – spreekt God, de HEER – zal mijn woede oplaaien. 19In mijn hartstocht, in het vuur van mijn toorn zeg ik: Op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen. 20De vissen in de zee, de vogels aan de hemel, de wilde dieren, alles wat op het land rondkruipt en alle mensen op aarde zullen voor mij beven. Bergen zullen wegzinken, bergwanden neerstorten, stadsmuren in puin vallen. 21Op al mijn bergen zal ik het zwaard tegen Gog oproepen – spreekt God, de HEER – en zijn mannen zullen elkaar met hun zwaard bestrijden. 22

38:22
Op. 8:7
Ik zal Gog straffen met de pest en de dood, ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten. 23
38:23
Ex. 14:4
Ik zal mijn grootheid en mijn heiligheid tonen en mij aan vele volken bekendmaken. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben.”

Herziene Statenvertaling (HSV)
38

Profetie over Gog

381Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, richt uw blik op

38:2
Openb. 20:8
Gog, het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.

3Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!

4Ik zal u omkeren, Ik zal

38:4
Ezech. 29:4
39:2
haken in uw kaken slaan en Ik zal u doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht met grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.

5Bij hen zijn Perzen, Cusjieten en Puteeërs, allen met schild en helm,

6Gomer met al zijn troepen, Beth-Togarma, in het uiterste noorden,38:6 het uiterste noorden - Letterlijk: aan de zijden van het noorden; zie ook vers 15. met al zijn troepen, vele volken met u.

7Wees bereid en maak u gereed, u en uw hele strijdmacht, die bij u bijeengekomen is. Wees een wachter voor hen.

8Na vele dagen zult u gestraft worden. Aan het einde van de jaren zult u komen in een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Als zij uitgeleid zijn uit de volken, zullen zij allen onbezorgd wonen.

9U zult oprukken, u zult komen als een verwoesting; u zult als een

38:9
Ezech. 30:18
wolk zijn en het land bedekken, u en al uw troepen en vele volken met u.

10Zo zegt de Heere HEERE: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in uw hart zullen opkomen en dat u een kwaad plan beramen zult.

11U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij mensen die rustig en onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben,

12om roof te plegen, om buit te roven, om u38:12 u - Letterlijk: uw hand. tegen de nu bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat in het midden van het land woont.

13Sjeba, Dedan, de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tegen u zeggen: Komt u om een roof te plegen? Hebt u uw strijdmacht bijeengebracht om buit te roven, om zilver en goud mee te voeren, om vee en bezit mee te nemen, om een grote roof te plegen?

14Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult u het op die dag, wanneer Mijn volk Israël onbezorgd woont, niet te weten komen?

15U zult uit uw woonplaats komen, uit het uiterste noorden, u en vele volken met u, allen ruiters, een grote menigte en een talrijk leger.

16U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd.38:16 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.

17Zo zegt de Heere HEERE: Bent u het over wie Ik in vroeger tijd gesproken heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten van Israël, die in die tijd geprofeteerd hebben, jarenlang, dat Ik u over hen zou brengen?

18Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen.

19Want in Mijn

38:19
Ezech. 36:5,6
na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken: Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen!

20De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen.

21Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.

22Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een alles wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn.

23Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.